In één zit

‘Er zijn maar weinig echt dikke boeken die hun lengte verdienen.’ Dat zei Ian McEwan een paar weken geleden in een Brits radioprogramma.

Het was een opmerking terzijde, waarin McEwan reageert op een vraag van de interviewer: waarom heeft u zo’n kort boek geschreven, terwijl de huidige tendens juist in de richting van de dikke pillen gaat?

Maar zoals dat gaat in de media kreeg zijn wat vrijblijvend gebabbel over dikke en dunne boeken een heel eigen dynamiek, en is op Britse krantensites en boekenfora de indruk ontstaan dat Ian McEwan ten strijde trekt tegen de obesitas in boekenland, en dat hij het liefst al die Amerikanen met hun Great American Novels een kopje kleiner zou maken. Notoire dikkeboekenschrijvers als Eleanor Catton (The Luminaries, 848 bladzijden) wordt in The Guardian om een reactie gevraagd, en zo lijkt er ineens een klein relletje te zijn geboren.

En zoals dat vaak gaat, blijft het interessantste wat McEwan in het ‘gewraakte’ interview zei onderbelicht. Dat hij van de korte vorm houdt omdat je die ‘in one sitting’ kunt lezen, zoals je naar een film of opera gaat.

Dat vind ik een mooi pleidooi, dat bij mij onmiddellijk heimwee oproept naar zomervakanties waarin je hele dagen in een boek kon verdwijnen, een lezing in één ruk, en je het alleen met tegenzin weglegt voor hinderlijke onderbrekingen als eten.

Met hoeveel boeken heb je dat nog? Als ik heel eerlijk ben: niet veel. De kaart en het gebied van Houellebecq was het laatste boek dat ik een paar dagen lang voortdurend binnen handbereik had.

Ik kom er vaak niet aan toe om een roman helemaal uit te lezen. Zelfs als ik het een aardig boek vind haal ik vaak het einde niet eens. Ik lees veel fragmentarischer dan tussen, pakweg, mijn vijftiende en mijn vijfentwintigste, toen boeken nog ontdekkingen waren, die je koortsachtig tot je nam, en waar je niet over uitgepraat raakte met vrienden.

De kaart en het gebied van Houellebecq was het laatste boek dat ik een paar dagen lang voortdurend binnen handbereik had

Verklaring genoeg: ik heb een drukker leven met kinderen en deadlines; ook ik ben door internet fragmentarischer gaan lezen; en ik denk dat literatuur een veel grotere macht is in het leven van een achttienjarige dan in dat van een achtendertigjarige. Op m’n achttiende was ik mijn wereldbeeld aan het vormen, en literatuur was daar het gereedschap bij uitstek voor. Via de fictie verken je de mogelijkheden van de wereld, je maakt in fictieve vorm kennis met alles wat je later zult kunnen beleven, en dat is een koortsachtig, opwindend avontuur.

Dat heb ik niet als ik een roman van Jonathan Franzen lees. Freedom heb ik na een pagina of tweehonderd terzijde gelegd. Knap gedaan, ik snap wat hij wil, prima. The Corrections staat ongelezen in de kast. Het schervengericht, Ulyses, Oorlog en vrede: allemaal na een bladzijde of honderd weggelegd. Ik weet niet of dat ook zo zou zijn als ik ze op mijn twintigste op zomervakantie had meegenomen. Ik weet wel dat als voor mij al geldt dat ik minder lees – fragmentarischer, niet altijd tot het einde – dat dit voor ‘de gemiddelde Nederlander’ wel eens minstens evenzeer kan opgaan, al zal niet iedereen het openlijk toegeven.

Het korte boek, in één zit te lezen, kan soms weer iets van de vroegere opwinding terugbrengen. Ononderbroken in één wereld zijn. Patrick Modiano, Julian Barnes, en straks dus die nieuwste McEwan. Lezen zoals je een toneelvoorstelling bezoekt of een lange film, waarbij je ook altijd geïrriteerd bent als er halverwege ineens een pauze is.

Het korte boek past in één keer in je hoofd. Je geheugen houdt het bij elkaar waardoor het een soort driedimensionaal object wordt. Rustig kantel en draai je het eens, om terugkerende motieven te herkennen, verbanden, echo’s, spiegelingen te zien ontstaan die bij een werk van langere adem, verspreid tot je genomen tijdens allerlei stiefkwartiertjes, onvermijdelijk verloren gaan.

Elke schrijver verlangt er denk ik stiekem naar om schilder te zijn, een werk te maken dat als een doek in één oogopslag te overzien is, en waarin de lezer vervolgens zelf zijn eigen route kiest voor de kennismaking met de details.

Het korte boek is als de tas voor een weekendtripje. Geen volgepakte auto met dakkoffers en fietsendragers, maar een eenvoudige tas waarin de schrijver heel weloverwogen precies datgene heeft ingepakt wat noodzakelijk is. Tijdens het weekendtripje ga je ook niet op de bonnefooi naar je bestemming, maar je zorgt ervoor dat je bedje al gereserveerd is, er ergens een tafel besproken is, én – het allerbelangrijkste – de hele reis toch niet hermetisch dichtgetimmerd is waardoor de reis zou gaan lijken op het uitvoeren van een puntenprogramma.