In gesprek met de doden

Het Tudor-Engeland in Bring up the Bodies is het Engeland van Thomas Cromwell, maar vooral dat van de vrouwen, Katherine, Anne Boleyn en Jane Seymour. De roman is subtiel, mede doordat Hilary Mantel zich niet verlekkert aan historische details.Het Tudor-Engeland in Bring up the Bodies is het Engeland van Thomas Cromwell, maar vooral dat van de vrouwen, Katherine, Anne Boleyn en Jane Seymour. De roman is subtiel, mede doordat Hilary Mantel zich niet verlekkert aan historische details.

Het vervolg op Hilary Mantels Booker Prize winnende kassucces Wolf Hall begint met een jachttafereel: Hendrik VIII, koning van Engeland, kijkt op een buitenverblijf samen met zijn secretaris Thomas Cromwell toe hoe hun valken door de lucht glijden, geluidloos, en neerduiken op een aantal duiven die niet op tijd kunnen weg­komen. ‘All summer had been like this, a riot of dismemberment, fur and feathers flying.’ Ze hebben met niemand medelijden, schrijft Mantel over de valken. Ze zijn niemand verantwoording schuldig. Hun levens zijn simpel. Wanneer ze omlaag kijken zien ze niets behalve hun prooien.

Als dit film was – en waarom niet? Mantels geplande trilogie over Cromwell (een derde deel, The Mirror and the Light, moet nog volgen) zou zoveel betere televisie opleveren dan de hitsige bbc-soap The Tudors – dan zou de scène zich zonder dialoog kunnen afspelen. Twee mannen, silhouetten misschien, van een afstandje gefilmd. Vogels die dood uit de lucht vallen. Scherm wordt zwart. In grote letters de filmtitel: BRING UP THE BODIES – die had net zo goed There Will Be Blood kunnen luiden.

Een paar bladzijden verder, om ons, de lezers, nog even op te frissen over wat voor man Thomas Cromwell ook al weer was, laat Mantel haar Cromwell naar het beroemde portret kijken dat Hans Holbein van hem heeft geschilderd. Hij is daarop gehuld in wol en bont en heeft zijn hand om een document ‘alsof hij het smoort’. Als hij het portret ziet, denkt hij: ‘Christus, ik zie eruit als een moordenaar.’

Thomas Cromwell wás naar alle waarschijnlijkheid ook een moordenaar. Waarschijnlijk, daar zijn de annalen niet helemaal duidelijk over, in dienst van verschillende continentale legers, voordat hij naar Engeland terugkeerde, eerst als rechterhand van de gevallen kardinaal Wolsey, daarna als rechterhand van de Tudor-koning. In Wolf Hall lezen we hoe hij Henry’s lusten aanvoelt, diens katholieke koningin Katherine van Aragon uit de troon wipt en vervangt door de wulpse Anne Boleyn, zo de Engelse Reformatie aanwakkert en zijn politieke tegenstanders, met name de humanist en Katherine-aanhanger Thomas More, laat executeren. Daar gaat Bring up the Bodies verder: als Cromwell opnieuw merkt dat Henry’s lustige oog verschuift van Anne (die maar geen mannelijke troonopvolger wil baren) naar de preutse hofdame Jane Seymour en hij een plot in beweging zet om van Anne de beroemdste onthoofding uit de geschiedenis te maken, zodat Henry zijn handen, en bed, vrij heeft. De Cromwell van Bring up the Bodies is dus op het hoogtepunt van zijn macht: in de Angelsaksische boeken­bijlagen is het boek al lyrisch ontvangen en in de helft van die bijlagen werd ofwel de scène met de valken geciteerd, of die met het schilderij. Beide zijn symbolisch raak, treffend, geweldig beeldend. Maar ook zijn ze: te symbolisch raak, te treffend en te geweldig beeldend. A riot of dismemberment – inderdaad, denk je, want je moet wel een gigantisch gapend gat aan historische kennis hebben wil je niet weten wat er straks allemaal op Tower Hill gaat gebeuren.

Het is dus gek grof geschut waar Mantel mee begint – gek omdat in de rest van haar roman de subtiliteit zegeviert. Om daar maar van af te zijn: Bring up the Bodies is zeker zo goed als Wolf Hall. Nog steeds heeft Mantels historische fictie een buitengewone urgentie, om de voortreffelijke reden dat ze haar romankunst weigert te behandelen als historische fictie. Zoveel historische fictie boet in aan kracht omdat de auteurs denken dat de levendigheid van hun romans moet voortkomen uit tijdgebonden details, uit de kleine gebeurtenissen en gewoonten, archaïsch taalgebruik of dialect, het name droppen – in plaats van dat die uit de plot en de personages moet voortkomen. Mantel weet dat en verlekkert zich niet aan historische details. Ze heeft niet de behoefte klederdracht te beschrijven, of de ingrediënten van Henry’s copieuze banketten. Zo blijft haar Cromwell tijdloos, hij zou net zo goed deel kunnen uitmaken van The Sopranos, of aan het hoofd van Stalins geheime dienst staan. Mantels Cromwell is wederom een monument van ironie, niet alleen in zijn kennis van religie en zijn tegelijk seculiere levenshouding, ook op zinsniveau is hij onovertroffen – iemand die ooit zegt wat hij denkt en elke opmerking een dubbele lading geeft (als Anne Boleyn vertelt dat haar bed vlam vatte door een onopgemerkte kaars, zegt Cromwell alleen ‘Onopgemerkt door wie?’).

Het shockeffect dat in deze stijl is ingebakken, is dat wanneer Cromwell eens hardop zegt wat hij wil, of eist, dat als keihard confronterend aankomt. Tijdens de ondervraging van Anne Boleyn en haar, veronderstelde, minnaars werkt hij zich langzaam door hun verzet heen. Een van hen, Henry Norris, verdedigt zich verbaal sterk, totdat Cromwell ineens wijst op een herinnering. Speelde Norris niet in een toneelstuk waarin hij de draak stak met Cromwells mentor, kardinaal Wolsey? Norris trekt bleek weg. Opeens ziet hij, en de lezer, wie hij tegenover zich heeft: ‘not one year’s grudge or two’, maar een wraakzucht die jarenlang gekoesterd is en nu, op het ultieme moment, wordt gebotvierd.

Waardoor Bring up the Bodies toch van zijn voorganger verschilt is dat Thomas Cromwell juist in al zijn kracht kwetsbaarder is dan ooit. Hij, als geen ander, weet hoe diep mensen kunnen ­vallen. Wanneer Cromwell wordt gezegd dat de koning dood is, is zijn eerste reactie een Turkse dolk te pakken. Tot dan dacht hij altijd dat het mes slechts een ornament was, schrijft ­Mantel suggestief. Wanneer hij Henry’s ­levenloze lichaam ziet, begint de paniek toe te slaan, hij ziet de hofhouding waarvan hij het gros wel met het een of ander chanteert, hij hoort in zijn hoofd al de aanklachten die ze tegen hem zullen formuleren, weet welke kant het op gaat. Het is loos alarm – de koning was slechts buiten bewustzijn, maar voor Cromwell is het het visioen van de toekomst. Hoeveel mensen kunnen zeggen dat hun enige vriend de koning van Engeland is? vraagt hij zich af. Ik heb alles, denkt hij. Maar haal Henry weg en ik heb niets.

Hij merkt dat hij zichzelf aan het kwijt­raken is. Een mooi detail is dat het boek opent met een glossarium van personages per huishouden; als tweede, na Cromwells huishouden, worden ‘De Doden’ genoemd: kardinaal Wolsey, zijn vijand Thomas More, zijn geliefde vrouw en kinderen, overleden aan de pest en koorts. Hij betrapt zichzelf erop dat zijn dode vijanden op zijn netvlies staan, dat hij in zijn hoofd hele gesprekken met ze kan voeren, maar dat zijn vrouw steeds verder weg lijkt te raken. Als hij bij Anne Boleyn iets probeert te regelen voor prinses Mary (de dochter van Katherine, de latere Bloody Mary) schaamt hij zich voor de gedachte dat hij niet meer weet waar kleine meisjes ook al weer van houden.

Uiteindelijk is Tudor-Engeland niet alleen Cromwells Engeland. Mantel geeft haar decor een zekere feministische kwaliteit: het zijn steeds de vrouwen, Katherine, Anne Boleyn, Jane Seymour, die als eersten door hebben wat Cromwells plannen zijn. Wie weet hoe het met Cromwell afliep – de enige manier waarop het kon aflopen, zou je denken – ziet dat Mantel de meest profetische woorden die tegen hem worden gesproken uit de mond van Anne Boleyn laat komen. Pas op aan wie je je lot verbindt, suggereert ze: wat heeft Jane Seymour nog meer dan een maagdenvlies, en wat heb je aan een maagdenvlies ‘the morning after?’


Hilary Mantel, Bring up the Bodies. Fourth Estate, 411 blz., € 24,90

De Nederlandse vertaling verschijnt in september bij uitgeverij Signatuur, als Het boek Henry