Televisie

IN GESPREK MET DE VLAAMSE REUS

TELEVISIE Literaire ontmoetingen

In 1963 won Hans Gomperts de Nipkowschijf voor Literaire ontmoetingen, waarvoor hij in datzelfde jaar onder anderen de 34-jarige Hugo Claus ontving. Voorafgaand aan de afscheidsbijeenkomst voor de Vlaamse Reus zond de Avro die aflevering opnieuw uit, 45 jaar na dato. Televisieprehistorie uit de tijd dat in mijn omgeving niemand zo’n apparaat had, zelfs ouders van vrienden niet. Mooi dus wel literatuur op de buis toen: een gesprek van meer dan een half uur tussen presentator/literatuurrecensent en schrijver over diens oeuvre.

Men zit onnatuurlijk dicht naast elkaar tegenover de camera, en men heeft last van de hete lampen – althans de schrijver, die dan ook naar eigen zeggen aanleg voor zwaarlijvigheid heeft, mede voortvloeiend uit een zittend bestaan, slechts onderbroken door wandeling naar markt en café. Een driedelig kostuum maakt het hem nog ongemakkelijker. Overigens biedt hij een verbluffende gelijkenis met de kroonprins – die van ons, welteverstaan. Maar vanaf het begin is hij onweerstaanbaar, zo niet door uiterlijk, dan toch door prachtige stem en intonatie waarmee hij een kleine autobiografie inspreekt terwijl de kijker foto’s uit het familiearchief en soms bewegend beeld te zien krijgt.

Van een kostschoolplein bijvoorbeeld met spelende kinderen en scherp toeziende nonnen. ‘God zat in elke hoek. Aan elke kant zat hij te loeren. God zit geloof ik heel vaak in kostscholen.’ Bij de foto’s een viergeneratieportret met kleine Hugo en overgrootvader als uitersten. Ten bewijze dat het geheugen bedrieglijk is: hij was die foto ooit kwijt en had hem daarom naar zijn herinnering getekend. ‘Prachtige tekening’, oordeelde hij zelf, maar ver naast de waarheid. Vader Jozef mag vertellen dat men onuitsprekelijk geduld moet hebben met een jongen die schrijver wil worden, maar alles hebben moeder en hij eraan gedaan. Terwijl de stem van Hugo meedeelt dat hij zijn ouders nauwelijks zag.

Niets over een collaboratieverleden trouwens, wat zal betekenen dat ook de zoon het er toen niet over wilde hebben. Dan loopt Gomperts het oeuvre met Claus door op een manier die nu ondenkbaar zou zijn. Bij elke bundel, elk boek, elk toneelstuk heeft hij een waardeoordeel paraat. Waarbij het kwaliteitscriterium steeds soberheid, eenvoud, helderheid, herkenbaarheid lijkt te zijn. Hij is als een leraar Nederlands die de opstellen van zijn talentvolle leerling met hem doorneemt: dit is geslaagd, dit kan beter – dat laatste met een ondertoon van ‘dat weet je zelf eigenlijk ook wel’. De hondsdagen: ‘Beetje ongelijk van waarde, maar erg interessant bij fragmenten’ – Claus: ‘Voor mij zijn het allemaal even boeiende fragmenten natuurlijk.’ De verwondering: ‘Zeer pretentieus werk als ik het mag zeggen’ – Claus: ‘Dat mag je zeggen maar ik geloof dat de beloften die in deze pretenties zitten vervuld zijn.’ Hij verdedigt elke letter, elk werkstuk met een half verlegen, half vileine en superieure maar bovenal onweerstaanbare glimlach. Als Gomperts vaststelt dat de commedia dell’arte-stijl die Claus voor Mama, kijk, zonder handen verlangde nu eenmaal niet meer onderwezen wordt, vraagt Claus vals of die stijl soms ouderwets is geworden. Maar Gomperts is al bij het volgende boek.

En toch… Kom er eens om: systematische doorloop van werk; grote belezenheid; geen gehengel naar het autobiografisch gehalte en Claus’ eigen lotgevallen in leven en liefde. Wat een verschil met Nova waarin Twan Huys namens het Nederlandse volk meende te moeten vragen of Sylvia Kristel ook in het sterfhuis was. Wat een verschil met de Vlaamse camera die in de Schouwburg de tranen er het liefste uit zoog. En wat een verschil met de kro-grabbelton die De leescoupé heet en waarin alles met een kaft en papier ertussen mee mag doen.