NELSON MANDELA, IN GESPREK MET MIJZELF

In gesprek met een mythe

Om zich te ontdoen van de schijn van heiligheid die hem zijns ondanks aankleeft, herdefinieert Nelson Mandela zich ten overstaan van de wereld.

Medium nelson

Pas op voor heiligverklaring. De kans is groot dat iedereen dan een stukje van je wil hebben. Vraag maar aan Nelson Mandela.
Aan het eind van zijn vorig jaar verschenen, monumentale en intrigerende boek - waarschijnlijk zijn laatste - In gesprek met mijzelf (oorspronkelijke titel: Conversations with Myself), geeft hij ons deze afsluitende boodschap: ‘Een ding dat me in de gevangenis grote zorgen baarde, was het onjuiste beeld dat ik onbewust naar de buitenwereld projecteerde: dat ik als heilige beschouwd zou worden.’ En hij voegt daar nog aan toe: 'Dat ben ik nooit geweest, zelfs niet volgens de aardse definitie van een heilige, die een zondaar is die het blijft proberen.’
Dit sacrosancte beeld was opzettelijk opgebouwd door het African National Congress (ANC) om op deze manier de strijd tegen de apartheid te kunnen personifiëren in een man die - als een 'zwarte Pimpernel’ - al iets van een legende was geworden tijdens zijn illegale jaren als hoofd van de gewapende vleugel van het ANC. Het hielp daarbij dat Madiba (zijn clannaam) een voorbeeldig verhaal belichaamde: een jeugd in stamverband op het land, in opstand komen tegen discriminatie toen hij een jonge man was en als volwassene een groeiende toewijding aan sociale rechtvaardigheid en non-raciale politiek. Dit alles culmineerde in het Riviona-proces van 1964 waar hij en negen medeverdachten werden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Dit verhaal werd helemaal een lichtend voorbeeld toen Mandela in de volgende 27 jaar op een buitengewoon nobele wijze alle vernederingen weerstond waaraan hij en zijn ver van hem verwijderde familie werden blootgesteld.
Als gevangene 46664 bleef hem niets anders over dan te berusten in deze onvermijdelijke publiciteit voor zijn heroïeke persoon vanwege de allesoverheersende strijd tegen de onderdrukking, maar ook toen hij eenmaal was bevrijd ontdekte Mandela hoe moeilijk, bijna onmogelijk het was om in een verschuivende wereld van nuances en illusies zijn eigen aura te ondermijnen. Zijn levensverhaal bleek essentieel te zijn bij de afmattende onderhandelingen tijdens de overgangsperiode naar de democratie, toen hij vaak aan de ene kant of aan de andere kant moest ingrijpen om chaos en verder bloedvergieten te voorkomen.
Hoewel Madiba onophoudelijk betoogde dat de beslissende protagonisten in dit bevrijdingsepos de mensen van Zuid-Afrika waren, geïnspireerd en geleid door ontelbare activisten, van wie de meesten anoniem zijn gebleven en velen niet werden beloond en zelfs werden vergeten toen de democratie eenmaal was bereikt, toch kan men veilig stellen dat in dit zeldzame geval een individu het pad van de geschiedenis heeft veranderd. Het einde van het racistische Zuid-Afrikaanse regime is simpelweg niet voorstelbaar zonder het morele kapitaal en het charisma dat Mandela tijdens zijn jaren in de gevangenis had opgebouwd. Als symbool van waardigheid en verzet was Mandela al, zou je kunnen zeggen, onweerstaanbaar; maar het medeleven dat hij liet zien na zijn vrijlating, zijn vermogen met zijn vijanden te praten en ze aan de onderhandelingstafel te brengen, zijn geneigdheid te vergeven (maar nooit te vergeten) wat hem en zijn volk aan terreur is aangedaan, zijn bereidheid het goede in anderen te zien, vertrouwen te hebben in hun diepste gevoel van menselijkheid en eer, dat alles maakte hem tot de soort van ethische reus waaraan de mensheid in deze tijd van vernieling en hebzucht een wanhopige behoefte heeft.
Maar zo'n schijn van heiligheid kan net zo beperkend zijn als een eiland waar elk gebaar en elk woord worden bewaakt. Om uit deze zeepbel te ontsnappen heeft Mandela zich gewaagd (of misschien liever: blootgesteld) aan deze nieuwe poging tot zelfdefiniëring, aan deze gesprekken met zijn eigen zelf.
Het is een project dat Mandela al lange tijd had gekoesterd. Toen het einde naderde van zijn vijf ademloze jaren als president (hij bleef maar één ambtstermijn aan, een gebaar dat zijn status nog verder verhoogde op een continent waar sterke mannen voor eeuwig aan de macht proberen te blijven), ging hij op een dag in oktober 1998 aan zijn bureau zitten en schreef het eerste hoofdstuk van wat hij zag als een vervolg op zijn autobiografie Lange weg naar de vrijheid (Long Walk to Freedom). Maar verder kwam hij niet. De volgende jaren waren hectisch en verpletterend, zowel in Zuid-Afrika, waar Thabo Mbeki aan de macht was, als in een ontredderde wereld, waar Mandela’s wereldwijde sterrenstatus hem dwong een belangrijke rol te spelen in allerlei denkbare menselijke aangelegenheden en crises.
Tegen de tijd dat Madiba in 2004, 86 jaar oud, besloot het openbare leven vaarwel te zeggen had hij de energie niet meer om uren lang te zitten schrijven om zijn lezerspubliek ervan te overtuigen dat hij net zo 'gewoon’ was als zij, dat hij alleen maar één was van zovele mannen en vrouwen, die vol tegenspraken zitten, die zowel stabiel als grillig zijn, sterk en zwak, beroemd en berucht, mensen in wier bloedstroom de mestworm dagelijks strijdt met krachtige bestrijdingsmiddelen.
Maar toen zijn leeftijd, die eeuwige vijand, hem de kracht had ontnomen deze taak te volbrengen, dook er een andere oplossing op. Zijn terugtrekken in 2004 viel samen met de oprichting binnen de Mandela Stichting van het Centrum voor Herinnering en Dialoog, waar de verstrooide documentatie van zijn bestaan zou worden verzameld, ingedeeld en geanalyseerd. Al snel begreep Verne Harris, de archivaris van de stichting en hoofd van het herinneringsprogramma, dat uit al dat materiaal heel goed een boek zou kunnen worden samengesteld dat het nuchtere zelfportret zou bevatten dat Mandela wilde nalaten.
Het was toch nog een zware taak, zelfs met Madiba’s zegen (maar zonder zijn directe inmenging). Het kostte een geweldige groep mensen die Harris bijeen had gebracht zes jaar om de zorgvuldig uitgekozen en zeer aansprekende passages in een chronologische montage tot een echt boek te maken.
Mandela’s obsessie met herinnering is bekend, met name zijn opvatting dat apartheid ook een misdaad was tegen het herinneren, dat het belangrijk was dat de minderheid die het land, de wet en het woord bezat niet werd toegestaan te bepalen welk verhaal er zou worden verteld. Omdat deze strijd tegen het collectieve vergeten zo belangrijk was in de geschiedenis van Zuid-Afrika is het gemakkelijk het zicht te verliezen op een andere rode draad in zijn bestaan, namelijk hoe deze strijder voor vrijheid zich onophoudelijk heeft ingespannen om zich zijn eigen verleden te herinneren en het voor de toekomst te bewaren. Dat was het eerste wat bij mij opkwam toen ik vorig jaar tijdens een reis naar Zuid-Afrika om de achtste jaarlijkse Mandela Lezing te houden de schatkamer met zijn documenten bezocht, in een goed beveiligde ruimte in het gebouw van de Mandela Stichting in Johannesburg.
Om dat heiligdom te bereiken moet je een brede wenteltrap af naar een onderaardse verdieping, dan spitsroeden lopen langs een reeks glazen kantoren tot je een zwaar vergrendelde deur bereikt, waarachter een grote collectie memorabilia ligt te wachten. Alles is er, van zijn vroegste foto’s en identiteitsbewijzen tot de brieven uit de gevangenis en de clandestiene manuscripten die van Robbeneiland werden gesmokkeld. Paspoorten, dagboeken en beschreven kalenders, een eindeloze verzameling memoranda en interviews en geluidsbanden met gesprekken en neergekrabbelde notities.
Hoewel slechts een oneindig kleine hoeveelheid daarvan kon worden toevertrouwd aan In gesprek met mijzelf geeft het boek zijn lezers de indruk alsof ze op hun tenen door dat archief schuifelen en op een wonderbaarlijke manier luistervinkje mogen spelen bij een potpourri van Mandela’s gedachten en gevoelens, niet meer dan een sprongetje en een hartslag verwijderd van zijn ziel. Elke zorgvuldig uitgezochte alinea en episode straalt nabijheid uit, het gevoel dat de tekst onvervalst tot ons is gekomen, precies zoals deze grote man het heeft gezegd of opgeschreven. Deze ervaring van nabijheid wordt nog verhoogd door de reproducties in het boek van brieven en van pagina’s uit zijn opschrijfboekjes, sommige met correcties van zijn eigen hand. Om daarvan een sprekend voorbeeld te geven: Mandela schrijft dat 'zijn kameraden hem uit de onbekendheid hadden gelicht om een mysterie te worden’. Maar in de originele kladversie, die in facsimile wordt afgedrukt, zien we dat de auteur oorspronkelijk 'held’ schreef, toen dat woord heeft doorgestreept en vervangen door 'mysterie’. Deze strijd over een woord belichaamt het dilemma waar Mandela aan het eind van zijn leven voor staat. Als hij zijn eigen woorden, zijn eigen leven herziet, begrijpt hij dat het proces van hem in een held te veranderen erop is uitgelopen dat hij tot een mysterie is gemaakt, hij onthult aan ons en aan zichzelf dat hij, in feite, een mysterie is, iemand wiens diepte nog altijd moet worden gepeild.
Een vergelijkbare toegang tot een kwetsbare Mandela komt voort uit een fascinerende collectie opgetekende gesprekken met zijn twee belangrijkste medewerkers over Lange weg naar de vrijheid. Het is bekend dat deze autobiografie, clandestien uitgewerkt op Robbeneiland, een collectief werk was, bediscussieerd, geamendeerd en bekritiseerd door Mandela’s medegevangenen. Madiba heeft erkend dat zijn autobiografie, die in 1994 werd gepubliceerd ter gelegenheid van zijn inauguratie als de eerste onafhankelijk gekozen president van Zuid-Afrika, niet mogelijk was geweest zonder de hulp van Achmed Kathrada, zijn kameraad uit de tijd van Robbeneiland, en Richard Stengel, zijn redacteur. Maar wat we tot nu toe niet konden weten was hoe uitgebreid en diepgaand die samenwerking is geweest. Een van de feestelijke aspecten van In gesprek met mijzelf is dat het de kans geeft te luisteren naar die gesprekken waarin herinneringen worden onderzocht op mogelijke vergissingen, waarin details worden verhelderd en gewijzigd, hetgeen aandacht vraagt voor het boek als een artefact, dat - zoals Mandela zelf - is geboren uit een dynamisch en open proces van op en neer gaan en van geven en nemen. Hier heb je nu eens een icoon die lacht, die grapjes maakt, die roddelt, ontkent, knopen doorhakt, aanvaardt dat hij het fout heeft, er op staat dat hij gelijk heeft, zich afvraagt wat er met die en die is gebeurd, eraan wordt herinnerd dat het aardig zou zijn een voormalige bewaker op te zoeken om te kijken hoe het met hem gaat of een toontje lager te zingen als het gaat om het beschrijven van een rivaal.
Als deze plagerijtjes het aantrekkelijkste deel van het boek uitmaken, komt dat misschien omdat ze zo fris en ontwapenend zijn. Zodra Mandela zelf de pen gaat hanteren kruipt er een bepaald formalisme in zijn stijl. Ook al is dit typisch voor het geschreven woord tegenover gesproken taal, in dit geval vermoed ik dat dit wordt versterkt door een natuurlijk decorum dat zijn innerlijke metgezel is vanaf zijn jeugd, dat beantwoordt aan de diepste kern van zijn wezen. Dit is een man die zijn image heeft gebouwd op vertrouwen en transparantie en die toch, misschien precies daarom, vastbesloten is zijn privacy te beschermen. In gesprek met mijzelf bevat geen nieuwtjes die je als lezer zou verwachten in bekentenissen tot op het bot. Slechts twee van de vierhonderd pagina’s van het boek gaan over zoiets als seksualiteit. Als hem wordt gevraagd of hij zich zorgen heeft gemaakt over de mogelijkheid dat zijn vrouw Winnie liefdesaffaires zou hebben terwijl hij een levenslange gevangenisstraf uitzat, of als hij wordt ondervraagd over zijn eigen seksuele behoeften, antwoordt hij simpelweg dat dit vragen zijn die je maar uit je hoofd moet zetten. Meer zegt hij er niet over.
Het is niet verbazingwekkend dat deze gereserveerde houding werd verergerd tijdens zijn jaren in de gevangenis, toen elke zin in elke brief werd geïnspecteerd door zijn gevangenisbewakers. Een van de huiveringwekkende aspecten van de correspondentie van Mandela uit zijn tijd op Robbeneiland is dat je de controleurs bijna de bladzijden kunt horen omslaan, bladerend door wat niet voor hun ogen was bestemd, gravend in wat alleen zijn geliefden zouden moeten lezen. En toch, deze correspondentie ademt een waardigheid die zo dapper is dat je hart ervan breekt. Zelfs op de donkerste momenten, zelfs als er geen verwachting meer scheen te bestaan dat hij ooit nog vrij zou komen, zelfs op de dag dat hij het nieuws hoorde van de dood van zijn zoon of het overlijden van zijn moeder of van de aanhouding en veroordeling tot achttien maanden eenzame opsluiting van Winnie, zelfs als hij brieven schreef waarvan hij wist dat ze niet zouden worden bezorgd, zelfs dan en speciaal dan, stelde hij zich voor dat er een morgen zou komen waarin elke uitdrukking van hem gewicht en betekenis zou kunnen hebben, heel zorgvuldig zou worden onderzocht, niet door bewakers, maar door zijn medeburgers en mogelijkerwijs, wie weet, door een wereldwijd publiek. Al betwijfel ik of hij ooit zou hebben kunnen denken dat er een dag zou komen waarop een boek als In gesprek met mijzelf tegelijk in vele talen en 22 landen zou worden gepubliceerd.
Er is nóg iets opmerkelijks aan deze brieven van Robbeneiland. Als we ze lezen, kunnen we ernaar raden hoe Mandela de censors inschatte. Hij schrijft ook tot hen, via hen, dringt in hen door, je kunt hun aanwezigheid in zijn geest bijna voelen, de zekerheid die hij heeft dat deze bewakers zich beschaamd zullen voelen door zijn woorden over hun wreedheid en gebrek aan fatsoen. Je beseft hoe hij een bevrijdingstheorie ontvouwt voor dat onvrijwillige publiek, je vangt een glimp op van hoe hij zijn gevangenbewaarders ondanks hun vooroordelen probeert te onderrichten. En een glimp van hoe hij zichzelf onderricht en voorbereidt op de taak om de raciale en klassenscheidingen die dreigden Zuid-Afrika te vernietigen te overbruggen. Hoe hij bezig is Nelson Mandela te worden.
Misschien ergert hij zich daarom zo aan zijn transformatie in een heilige. Hij heeft niet gezegevierd doordat hij ver van anderen was, ver van het kwaad, ver van de zwakheid van een kwetsbare mensheid. Hij dook juist in wat negatief was aan hemzelf en in de gepijnigde wereld om hem heen en was daardoor in staat het goede op te zoeken. Hoe doe je dat? Een woord dat bij het lezen keer op keer blijft opkomen is: integriteit. Zijn eigen integriteit en zijn vertrouwen dat die integriteit in elke andere mens op deze planeet te vinden is, ook al is die misschien diep verstopt achter angst en intolerantie. Dat als je een beroep doet op het beste in anderen, ze daar uiteindelijk op zullen reageren. Maar dat ze dat alleen zullen doen als ze voelen dat je trouw bent aan jezelf en je opvattingen, aan je verlangen naar een rechtvaardiger en meer humane wereld, dat je bereid bent een streep te trekken in het zand van de geschiedenis.
Het is een boodschap waar zijn land opnieuw aandacht aan zou moeten schenken. Zijn bijzondere Zuid-Afrika loopt weer gevaar de weg kwijt te raken en zal binnenkort een lange eeuw tegemoet moeten zien van hernieuwde strijd voor solidariteit, waarheid en vrede zonder Madiba als gids te hebben. Dat zou wel eens de verborgen kern van dit boek kunnen zijn. Mandela zegt ons vaarwel. Wat kun je dan tegen hem zeggen? Hoe kun je het best eer bewijzen aan zijn erfenis, zijn wijsheid, zijn generositeit?
Ik kan alleen maar antwoorden met wat ik tegen deze 92-jarige man probeerde te zeggen aan het einde van ons gesprek in Johannesburg in de zomer van 2010. Samen met zijn vrouw Graca Machel, de gratie in persoon, en Achmat Dangor, de eminente schrijver die zijn eigen literaire werk opzij zette om aan het hoofd te kunnen staan van de Nelson Mandela Foundation, hadden we een uur met Madiba gepraat. Over Allende en Chili, over zijn ouders, Mandela Day, over hoe de recente golf van vreemdelingenhaat in Zuid-Afrika hem pijn doet, over het verlies kort daarvoor van zijn achterkleindochter. Zijn leeftijd maakt hem langzamer, maar zijn waardigheid is majestueus intact en ik was blij dat ik af en toe een ondeugende glinstering in zijn ogen zag oplichten. Ik was me ervan bewust dat zijn gezondheid hem misschien niet toe zou staan de lezing bij te wonen die ik een paar dagen later mocht geven en dat dit heel goed de laatste keer zou kunnen zijn dat ik hem ooit nog zou zien, dat dit de laatste kans zou zijn om hem te bedanken voor wat hij heeft gedaan, voor wie hij is. Dus toen we afscheid namen, zei ik met misschien een wat overdreven plechtstatigheid, dat hij nu beter kon gaan rusten: 'U hebt een lange tijd uw land gedragen, u hebt de wereld gedragen, u hebt mij gedragen’, zei ik onhandig, 'nu is de tijd gekomen dat wij u gaan dragen.’
Nelson Mandela bleef mijn hand vasthouden en glimlachte. Dus dat is misschien het antwoord: als wij hem de toekomst binnen kunnen dragen, zullen we gezegend worden door zijn glimlach. Meer kunnen wij niet vragen van deze man, die gelukkig voor hemzelf en voor de wereld, alles bij elkaar genomen, geen heilige blijkt te zijn.


De komende week publiceert De Groene Amsterdammer (donderdag 11 december 2013) een special over Mandela.


De Chileens-Amerikaanse schrijver Ariel Dorfman is auteur van onder meer het toneelstuk De dood en het meisje en heeft op 31 juli 2010 in Johannesburg de achtste Mandela Lezing gehouden.

Vertaling: Max Arian

Nelson Mandela, In gesprek met mijzelf, € 29,99
Unieboek/Het Spectrum, 376 blz., € 29,99

Foto: Sue Kramer / Demotix / Corbis