In gesprek met zijn roede

Petronius’ Satyrica, dat onlangs in een nieuwe vertaling verscheen, is te beschouwen als een voorloper van de dwarse, tegendraadse stroming in de Europese literatuur. Voor liefhebbers van James Joyce, Imre Kertész, Sybren Polet en Dave Eggers.

Petronius
Satyrica
Vertaald door Vincent Hunink
Athenaeum-Polak & Van Gennep 216 blz., € 17,95

Toen in het jaar 65 een samenzwering tegen keizer Nero werd opgerold, maakte deze van de gelegenheid gebruik door een groot aantal kritische heren uit de weg te ruimen. De bekendste van hen is de filosoof Seneca, maar ook diens neef, de jonge dichter Lucanus (zie De Groene Amsterdammer, 25 augustus), moest eraan geloven. Seneca maakte van zijn zelfmoord een tot in de puntjes voorbereide show, waarbij hij Socrates imiteerde en zijn famous last words aan een secretaris dicteerde. Enkele maanden later werd ook een zekere Petronius het slachtoffer van ’s keizers achterdocht. Tacitus karakteriseert deze man als volgt: ‘Overdag sliep hij altijd, ’s nachts was hij steeds druk in de weer met zijn sociale verplichtingen en de geneugten van het leven. Zoals anderen proberen op te vallen door hun ijver, zo had hij naam gemaakt door nooit iets te doen. Hij gold niet als iemand die zich voortdurend volvrat en zijn geld over de balk gooide, zoals de meesten die hun vermogen erdoor jagen, maar als een man van verfijnde extravagantie. Hoe meer hij zich in woord en daad permitteerde en daarbij een zekere achteloosheid ten aanzien van zichzelf tentoonspreidde, des te meer werd dat alles in positieve zin uitgelegd, als kennelijk teken van zijn ongecompliceerde karakter. Als gouverneur van Bithynië en later als consul had hij zich een krachtige figuur getoond die tegen zijn taak was opgewassen. Vervolgens was hij het verkeerde pad op gegaan, of had althans gedaan alsof, en was hij deel gaan uitmaken van de kring van intimi rond Nero, waar hij de rol speelde van de autoriteit op het gebied van fijne smaak: Nero vond in zijn leven van overdaad iets alleen maar aantrekkelijk en aangenaam als Petronius het eerst had goedgekeurd.’

Wanneer Petronius verneemt dat zijn tijd gekomen is, handhaaft hij ook bij de zelfdoding zijn nonchalance, alsof hij het levenseinde van Seneca wil parodiëren. Nu eens laat hij zijn aderen openen, dan weer afbinden, tijdens het sterven converseert hij niet over filosofische of politieke, maar over frivole en kunstzinnige onderwerpen, hij maakt grappen, dineert en doet een dutje, ‘om ervoor te zorgen dat zijn dood, hoezeer ook gedwongen, toch toevallig leek’. Hij peinst er niet over zijn testament te veranderen ten gunste van Nero, integendeel: ‘Hij schreef, onder vermelding van de namen van diens lustknapen en vrouwen, de uitspattingen van de keizer en het allernieuwste op het terrein van seksueel wangedrag in detail op, voorzag het van zijn zegel en stuurde het aan Nero.’

Helaas weten we niet zeker of deze Petronius de auteur van de Satyrica is. Hoewel in de loop der tijden verschillende dateringen voor het werk zijn voorgesteld, lijkt een situering ten tijde van Claudius of Nero toch het meest voor de hand te liggen. Het boek opent met een discussie over het verval van de retorica zoals die ook gevoerd wordt bij een aantal andere auteurs uit de eerste eeuw. Een van de personages komt met een gedicht dat rechtstreeks reageert op het begin van Lucanus’ Burgeroorlog, waarvan de eerste boeken omstreeks 62 voltooid moeten zijn geweest. Ook sociaal-economische elementen wijzen in de richting van een datering halverwege de eerste eeuw. Het is op z’n minst niet onwaarschijnlijk dat de romancier geen ander is dan Nero’s decadente hoveling.

Hoe omvangrijk de Satyrica geweest is, valt niet na te gaan, maar het is aannemelijk dat de pakweg 175 bladzijden die resteren slechts een fractie van het geheel zijn. Ook in wat er over is wemelt het van de lacunes, maar in grote trekken is het verhaal goed te volgen. Het proza wordt soms onderbroken door gedichten in uiteenlopende maatsoorten, bij monde van ofwel de verteller zelf, ofwel een van de andere personages. Het verzorgde, hier en daar lichtelijk geaffecteerde Latijn van de vertellerstekst is verlevendigd door tal van dialogen en monologen, waarbij Petronius het taalgebruik heeft aangepast aan de sociale achtergrond van de sprekers. In enkele gevallen leidt dat tot magnifieke taalfouten. Vincent Hunink heeft in zijn nieuwe vertaling zijn best gedaan de stijlkenmerken van het origineel getrouw weer te geven.

De verteller, Encolpius, is een aan lager wal geraakte intellectueel die het overwegend Griekstalige zuiden van Italië doorkruist op zoek naar geld, seks en avontuur. Hij trekt op met de uitzonderlijk zwaar geschapen Ascyltos, met wie hij in een voortdurende rivaliteit is gewikkeld om de gunsten van het bloedmooie knaapje Giton. Het verhaal leidt het drietal langs een verscheidenheid van bizarre gezelschappen in bordelen, kroegen en badhuizen. De langste aaneengesloten passage, die vaak afzonderlijk is uitgegeven onder de titel Cena Trimalchionis (Het feestmaal van Trimalchio), beschrijft in geuren en kleuren een absurd diner ten huize van een omhooggevallen, puissant rijk geworden vrijgelatene.

Later in het boek verdwijnt Ascyltos van het toneel om plaats te maken voor de verlopen dichter Eumolpus, die te pas en te onpas gedichten begint te reciteren, hetgeen steevast de agressie van alle omstanders oproept. Samen met Eumolpus en Giton komt Encolpius terecht op een schip dat blijkt toe te behoren aan zijn aartsvijand Lichas en diens vriendin Tryphaena, die nog een appeltje te schillen heeft met Giton. Na een schipbreuk belandt het driemanschap in het Zuid-Italiaanse Croton, waar de bevolking maar in één ding is geïnteresseerd: kinderloze rijkaards hun erfenis afhandig maken. Eumolpus geeft zich uit voor vermogend heer met als doel door de Crotoniaten gefêteerd te worden, Encolpius en Giton doen alsof ze zijn slaven zijn. Wanneer Circe, een rijke nymfomane, Encolpius probeert te verleiden, blijkt de held – in deze passage stelselmatig beschreven als een anti-Odysseus – reddeloos impotent te zijn, ten gevolge van een belediging aan het adres van de extreem viriele tuingod Priapus. Gore priesteressen doen pogingen de moreel onaanvaardbare kwaal te verhelpen, maar uit de overgeleverde tekst kan opgemaakt worden dat ze daarin uiteindelijk niet slagen, hoewel een later fragment iets hoopgevender klinkt.

Op een van de laatste pagina’s maakt Eumolpus zijn testament bekend: ‘Allen die in mijn testament met iets worden bedacht, afgezien van mijn vrijgelatenen, zullen mijn gaven slechts in eigendom ontvangen op de volgende voorwaarde: zij dienen mijn lijk in stukjes te hakken en er ten overstaan van het volk van te eten. Wij weten dat het bij bepaalde volkeren nog altijd traditie is dat overledenen worden opgegeten door hun naaste verwanten. Ja, dat leidt ertoe dat zieken vaak flinke kritiek krijgen dat hun vlees in kwaliteit achteruitgaat. Bij dezen roep ik mijn vrienden op niet te weigeren wat ik hun opdraag. De ijver waarmee ze hebben gebeden om mijn laatste adem, daarmee moeten ze ook mijn lijk verorberen.’

In de twintigste eeuw is vanuit het modernisme belangstelling ontstaan voor zogeheten ‘ander proza’, experimentele teksten waarin niet alleen de wereld op z’n kop wordt gezet, maar ook het verhaal en de taal zelf. Anders dan wel eens wordt gedacht was er naast het ideaal van het klassieke, volmaakte en evenwichtige kunstwerk ook altijd een dwarse, tegendraadse stroming in de Europese literatuur. Romans als Don Quijote van Cervantes, The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman van Laurence Sterne en Ideen: Das Buch Le Grand van Heinrich Heine waren al lang vóór Joyce’s Ulysses experimenteel. Als er nu één werk uit de Oudheid genoemd mag worden dat aan het begin van die traditie staat, is het wel Petronius’ roman.

In dit boek is niets wat het lijkt. Zo wordt het verval van de retorica aan de kaak gesteld door een retor die zelf alles doet wat Cicero en Quintilianus zouden verbieden, levert de rijmelaar Eumolpus in beginsel zinnige kritiek op Lucanus (overigens zonder diens naam te noemen) door middel van een 295 verzen tellend episch fragment, waarin prima passages worden opgeschud door bombastische nonsens, en blijken de hartstochtelijkste vriendschappen als het erop aankomt geheel op eigenbelang gebaseerd te zijn geweest. Het meest expliciet is Trimalchio, die tijdens het opdienen van het zoveelste uitzinnige gerecht over zijn kok spreekt: ‘Als je wil maakt hij een vis van een zeugbaarmoeder, een duif van een stuk spek, een tortel van een ham of een kippetje van een schenkel. Vandaar ook dat hij een heel aardige naam heeft gekregen, een origineel idee van mij, hij heet nou Daedalus.’ Daedalus: dat is de archetypische kunstenaar.

De gastheer is nog niet uitgesproken of er komen twee slaven binnen die bij de fontein ruzie lijken te hebben gemaakt: ‘Trimalchio ging in het conflict uitspraak doen. Beide partijen legden zich echter niet neer bij het gevelde vonnis, doch sloegen elkaars amforen met een knuppel kapot. Wij schrokken ons rot: wat een brutaliteit van die dronkelappen! Maar toen we de kemphanen fronsend aankeken merkten wij op hoe uit hun aardewerk oesters en mossels gleden, die door een jongen op een schaal werden opgevangen en rondgedeeld.’

De weligste welsprekendheid wordt bewaard voor het moment dat de diep vernederde Encolpius zijn weerspannig lid toespreekt: ‘Wat heb je te zeggen, schandvlek van goden en mensen? In een serieuze context is zelfs jouw naam taboe! Heb ik dit aan je verdiend? Ik zat in de hemel maar jij hebt me naar de hel getrokken; jij hebt de kracht mijner jonge jaren belachelijk gemaakt en mij opgezadeld met de matheid van een hoge oude dag. Ik vraag je, lever mij hiervoor een passende, nadere verklaring!’ Bang dat hij het orgaan beledigd heeft, schaamt hij zich een ogenblik voor zijn woorden. Maar dan vervolgt hij ferm: ‘Wat doe ik eigenlijk verkeerd, als ik door dit getier op natuurlijke wijze lucht geef aan mijn pijn? Wij mensen schelden toch ook op andere lichaamsdelen: de buik, de keel, of zelfs het hoofd als het vaak pijn doet? En maakt Odysseus geen ruzie met zijn hart en gaan ze in de tragedie niet tekeer tegen hun ogen alsof die konden horen? Mensen met reuma of jicht schelden op hun handen en voeten, mensen met oogaandoeningen op hun ogen en wie vaak zijn tenen stoot wijt alle pijntjes aan zijn voeten.’ Encolpius sluit zijn redevoering af met een gedicht:

Vanwaar dus die gefronste wenkbrauw, o gij Cato’s?

Fris en ongekunsteld is mijn werk.

Hoezo kritiek? Mijn taal is puur en toch charmant,

en schildert frank en vrij wat echte mensen

doen. Wie kent de vreugden van de liefde niet,

wie wil niet gloeien in een heerlijk bed?

Ja, Epicurus, waarheids vader, zegt het ook:

‘Wijze, heb lief! Dat is je levensdoel!’

Is het al verbazingwekkend dat Encolpius de toespraak tot zijn roede laat uitmonden in een lofzang op zuiver taalgebruik, het gedicht zelf zet subversief de traditie op zijn kop. Het klopt dat de beide Cato’s voorstanders van puur en eenvoudig Latijn waren, maar het is moeilijk voorstelbaar dat ze daartoe ook dit genitale onderonsje zouden hebben gerekend. Cato van Utica staat er zelfs om bekend dat hij zich onthield van gemeenschap met zijn vrouw, die hij ook enkele decennia uitleende aan de redenaar Hortensius. En de filosoof Epicurus betoogde weliswaar dat genot het hoogste doel was waarnaar men moest streven, maar verstond daaronder weinig meer dan de afwezigheid van pijn. Het aardigste van het hele hoofdstukje is echter dat er een diep psychologisch inzicht in het verschijnsel impotentie uit spreekt. Wie zijn lid aanpakt zoals Encolpius het doet, krijgt het beslist niet meer omhoog: het zal terecht reageren alsof het niets met zijn drager te maken heeft. Encolpius is fundamenteel uit balans. De tuchtiging die hij in de tempel van Priapus ondergaat, heeft dan ook geen enkel effect.

Hoe de roman er in voltooide vorm heeft uitgezien, weten we niet. Voor lezers die zijn opgegroeid met James Joyce, Imre Kertész, Sybren Polet en Dave Eggers schuilt een van de charmes van Petronius’ werk echter juist in de fragmentarische staat waarin het tot ons gekomen is. De lacunes die er door de tijd in zijn aangebracht, zouden in onze eeuw kunnen doorgaan voor een literaire truc. Maar ook dergelijke kunstgrepen zouden niet gespaard zijn gebleven voor Petronius’ ironie. Het is een illusie te denken dat we de Satyrica ooit zullen doorgronden.