Felisberto Hern

In gevecht met herinneringen

Van de Uruguayaanse schrijver Felisberto Hernández (1902-1964) is voor het eerst werk vertaald. Elk verhaal, elke alinea, blijkt een wereld in het klein.

Felisberto Hernández

Domeinen van het geheugen: Verhalen & novellen

Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu en Arie van der Wal

Meulenhoff, 384 blz., € 28,50

Uruguay doet mij denken aan de Argentijn Julio Cortázar, die in 1954, toen hij nog geen bekend schrijver was, een tijdje in Montevideo heeft gewoond. Als vertaler bij de Unesco zat hij in een klein hotel terwijl de hoge functionarissen in grote hotels verbleven. Cortázar verveelde zich en schreef een verhaal, over de kamer naast de zijne. Een grote kast onttrok een tussendeur aan het gezicht en hij kon zich vervolgens niet aan de indruk onttrekken dat in de aangrenzende kamer alles net zo was als in de zijne; wat het verschil was hoorde hij. In een verhaal van de Uruguayaanse schrijver Hernández gaat het ergens over herinneringen en ziet de hoofdpersoon zijn voorbije leven als in een aangrenzende kamer. Het verhaal is van 1943 en houdt geen verband met dat van Cortázar, die overigens wel een nawoord bij een verhalenbundel van Hernández zou schrijven. Over zijn eigen verhaal vertelde Cortázar dat als hij Uruguayaanse vrouwen tegenkwam die het verhaal gelezen hadden hij steevast te horen kreeg: één ding vergeven we je nooit, dat je in dat verhaal zegt dat Uruguyaanse vrouwen altijd slecht gekleed zijn.

Wat opvalt in de levensloop achter in Domeinen van het geheugen is Hernández’ loopbaan van pianist – succesvol maar zich verder afspelend in bioscopen en schoolaula’s – maar ook het aantal keren dat Hernández getrouwd is geweest, altijd met mooie, beroemde, artistieke vrouwen. Op z’n minst curieus is ook zijn einde. Zijn stoffelijk overschot was zo opgezwollen dat het niet door de deur kon en door het raam naar buiten moest worden gedragen, en op het kerkhof onder de bomen bleef hij liggen wachten tot de kuil passend was gemaakt. Het was in elk geval in stijl van zijn literaire werk.

Felisberto; let op de voornaam, want in de Zuid-Amerikaanse literatuur bestaat een trits schrijvers met de naam Hernández. Van Felisberto Hernández (1902-1964) is nu voor het eerst werk vertaald en dat is meteen ongeveer zijn hele verzameld werk. Het voordeel is dat de lezer zelf een kijkje kan nemen en niet is aangewezen op biografische gegevens, of vergelijkingen met bekendere namen en aanbevelingswoorden van gezaghebbende collega’s, in dit geval Márquez, Calvino, Cortázar. Men kan bijvoorbeeld de pianoverhalen eruit halen, en dat kan een aardige keuze opleveren. Vooral over het begin van zijn liefde voor het instrument en over zijn eerste optreden zijn er mooie verhalen. Maar laat ik erbij zeggen dat de verhalen over eigen belevenissen niet de sterkste zijn: navertellen stremt de fantasie kennelijk die meer op de tegenwoordige tijd is aangewezen.

Hernández schrijft op de vierkante centimeter. Een verhaal, maar ook een alinea, is al een wereld in het klein – niet een verkleinde wereld waarvoor je een vergrootglas nodig hebt, waaronder je dan dingen uit de bekende wereld ziet, alleen kleiner. In een wereld in het klein zijn de verhoudingen anders. Je hoeft soms maar de eerste alinea van een verhaal van Hernández te lezen en je hoofd is al compleet gemeubileerd.

Ik vermoed dat Hernández al vanaf de eerste bladzijde de schrijver was die hij min of meer zou blijven. Hij hoort tot een bepaald type dat er meteen is, behept met een blijvende kern in tegenstelling tot anderen bij wie het kunstenaarschap zich uit een kiem ontwikkelt. Het zou een hele toer zijn om van dit werk op de wereldwijde landkaart van de fantastische literatuur de plaats aan te geven; het heeft iets van de groteske à la Gombrowicz, van de fantastische vertelling (Hoffmann), maar is meer te vergelijken met Robert Walser met af en toe een glimp Kafka.

Hernández hoort ook tot de schrijvers die nooit als explicateur van eigen werk optreden. De enkele keer dat hij het deed werd ook dát een vertelling. Zo liet hij zich eens door de Franse schrijver Caillois verleiden een toelichting bij zijn verhalen te schrijven. Dat werd Valse verklaring van mijn verhalen, vals in de betekenis van verkeerd, ernaast, muzikaal vals. Mijn verhalen zijn niet helemaal natuurlijk, zegt hij, er is wel iets van bewustzijn in het spel, maar zeker niet in de zin van theorie: juist wat de ratio uitspookt is iets mysterieus. Het is alsof er «ergens in een hoekje van mij een plant zal ontkiemen», legt hij uit. Het is dan typisch Hernández om het over bewustzijn als een onderhuurder van zijn hoofd te hebben. Zo zitten ook herinneringen en gevoelens in hoeken verborgen; de dingen hebben een eigen leven, maar woorden en gedachten zijn ook dingen, en in het lichaam en vooral het hoofd is het een drukte van jewelste. Typerend is ook dat die plant, of liever het woord «plant», de overhand in zijn redenering krijgt. «Ik voorvoel of wens alleen dat hij blaadjes van poëzie krijgt; of iets wat verandert in poëzie als bepaalde ogen ernaar kijken.» Ogen gaan trouwens ook hun eigen gang, zo ze al niet doen alsof ze van een ander zijn; in het verhaal De plaatsaanwijzer stralen ze zelfs licht uit waarmee ze in het donker dingen kunnen spotten.

Maar hoe verzorg je een ontkiemende verhaalplant? Te meer daar «als het een plant is die meester is over zichzelf» hij een poëzie bezit die hij zelf niet kent. Een verrassende wending maakt dan van het verhaal binnenin, de kamerplant, opeens een zelfportret: «Hij moet zijn als een mens die niet weet hoelang hij leeft, met eigen behoeften, met een bescheiden trots, een beetje onhandig en schijnbaar geïmproviseerd.» Daarop improviseert de verteller, hier in de rol van explicateur, verder om even later te besluiten dat het verhaal alias plant alias halfbewust mens de baas van het scheppingsproces is, het bewustzijn zijn wil oplegt en «het bewustzijn zal leren ongeïnteresseerd te zijn». De laatste korte alinea is nog raadselachtiger en het einde is kenmerkend voor alle verhalen: ze houden op alsof haastig het eindje van een navelstreng moet worden afgebonden.

Het bewustzijn speelt in het ontstaan van een verhaal geen hoofdrol en heeft soms zelfs het nakijken, het heeft de rol van controleur, om bijvoorbeeld tussenbeide te komen als de fantasie op hol slaat of de associaties, zeg maar: de zinnen, met het verhaal aan de haal gaan. Dat is een van de redenen waarom dit proza binnen de perken gehouden moet worden – het is kort proza, ook in de langere verhalen.

De verhalen van Hernández bewijzen weer eens dat een verhaal een korte vorm is, maar dat de korte vorm als apart literair genre iets anders is dan een kort verhaal. Proef op de som: na een paar pagina’s, soms al na een alinea is het genoeg. Komt dat door ongeduld van de lezer? Houdt de schrijver het niet vol of verslapt het verhaal en loopt het leeg? Het is iets anders, want als je midden in een verhaal begint staat alles daar weer bol van spanning en kronkelt elke zin. Maar ook dan houdt het na een paar pagina’s op. Het komt door de dichtheid van de tekst. Maar wat betekent dat? Men noemt zoiets soms poëtisch proza. Ik weet wel wat daarmee bedoeld wordt (niets goeds), maar dat is niet op Hernández van toepassing. In een gedicht gaat het om woorden en regels; hier gaat het om zinnen, gedachtegangen, loopjes. Situaties, landschappen, ruimtes worden enkel en alleen uit zinnen opgebouwd – dat maakt de dichtheid ervan uit. Het is in dit soort verhalen ook onmiddellijk duidelijk wanneer de schrijver op de automatische piloot overgaat, associaties de vrije loop laat, zijn zinnen klakkeloos achterna gaat, kortom gaat invullen. Ook Hernández schmiert, net als Robert Walser of Michaux, of Kafka op z’n tijd.

In gewoon proza – met het begrip pageturner als toppunt – zijn zinnen bedoeld om de lezer zo snel en soepel mogelijk vooruit te helpen, te vervoeren, op weg naar het einde. In een verhaal als dat van Hernández is elke zin of serie zinnen een gecomprimeerde wereld op zich. Daar gaat hij in op, en het is geen toeval dat men van iemand die helemaal in iets opgaat, vooral als het iets aparts is, een eenpersoonswereld (het zogenaamde eigen wereldje), zegt dat het een groot kind is. Van kinderen zegt men dat nooit, maar kinderen noem je ook niet kinderlijk. De hoofdpersoon in een verhaal van Hernández is inderdaad vaak een groot kind. De horizon reikt niet verder dan het hier en nu, dingen gaan hun eigen gang, woorden worden letterlijk genomen zelf voorwerpen, en tussen dingen, gedachten en woorden is er geen of een wisselende rangorde. Het krioelt allemaal op één pagina door elkaar. De persoon om wie het allemaal draait is ook niet echt verbaasd, hij is hoofdzakelijk bezig zich staande te houden in zijn poging de dingen, gedachten en herinneringen in be dwang te houden. Vanuit een volwassen perspectief, waarmee de verteller Hernández zich zelden meet, is het gemier.

Een kenmerk van dit soort proza – in dat opzicht vergelijkbaar met naïeve schilderkunst – is juist het ontbreken van perspectief. Dat is geen experiment, maar uitdrukking van een manier van kijken, van een houding – en als er een perspectief is, dan alleen van dit verhaal of van dit werk.

Domeinen van het geheugen is het titelverhaal van de Nederlandse uitgave. En inderdaad gaat het in de verhalen vaak om herinneringen, al past het woord «domeinen» niet zo goed in het register van Hernández. De treinreis waarmee het begint gaat onderweg over in een vroegere reis en dat dan definitief. Ergens zegt een personage dat hij alle moeite moet doen om naar het heden terug te roeien: de herinnering gaat stroomafwaarts. Minstens even interessant is de woordkeuze wanneer er sprake is van het maken van herinneringen: «Nu denk ik dat ik in die tijd zonder herinneringen reisde: ik was eerder bezig ze te maken; en om ze te maken nam ik aan dingen deel; maar mijn daden stelden niet veel voor vergeleken met die van mijn kameraden; ik gaf me over aan het leven als iemand die afwezig zit te eten.»

Van zinnetjes als het laatste wemelt het bij Hernández. Het maken van herinneringen lijkt een variant van het opdoen van ervaringen, zoals mensen met een fototoestel op reis gaan om ervaringen én herinneringen op te doen. In de verhalen zijn herinneringen dingen op zich, of maaksels of inheemsen van elders, zoals in het kortere verhaal Het groene hart wordt verteld, waar over herinneringen de volgende zin staat: «Al die herinneringen woonden ergens in mij als in een verafgelegen dorpje: het had genoeg aan zichzelf en onderhield geen contact met de rest van de wereld.»

Zodra die vergelijking gemaakt is – maar die wordt niet gemaakt, ze verschijnt en maakt zich meester van het verhaal en de verbeelding van de verteller – is het ook geen vergelijking meer maar een geografisch feit: herinneringen wonen elders. Het verhaal eindigt dan zo: «De volgende keer dat ik voor mijn rust naar dat gedenkwaardige dorp ga, blijkt misschien dat de bevolking is gegroeid; het is vrijwel zeker dat die groene krant daar nog ligt, met de foto van de vijfling erin die ik met mijn dasspeld de ogen heb uitgestoken.» Is de verteller of de schrijver afgedwaald? Nee, want nu weten we wat de eerste zin van het verhaal Het groene hart betekende: «Vandaag heb ik in deze kamer gelukkige uren beleefd.» Nu weten we ook waarom hij zo op een oude, groenige krant gesteld was waar een foto van een vijfling in stond. Ook weten we min of meer, en vooral meer, hoe het hem te moede was toen hij na een wandeling in de hitte thuiskwam: «Ik was een beetje teleurgesteld in het leven maar ik paste goed op dat ik niet werd aangereden door een auto; ik dacht aan mijn kamer en herinnerde me dat de kale hoofdjes van de vijfling net vijf vingertoppen leken.» Hij haalt een dasspeld te voorschijn en zonder na te denken prikt hij in de ogen van de vijfling.

In een ander verhaal staat dat hij – een andere persoon – uren van geluk kon isoleren en zich daarin opsluiten: «Eerst ontvreemdde ik met mijn ogen een of ander onaanzienlijk onderwerp van de straat of uit een huis en nam dat vervolgens mee naar mijn eenzaamheid.» Dat lijkt van toepassing op het vorige verhaal De groene speld, en wat hij in kort bestek vertelt over de dingen waaraan die speld hem als bij toverslag doet denken is een voorbeeld wat er uit dat ene ding, op dat ene verdwaalde moment, voor wonderlijks te voorschijn komt. Er volgt dan een opsomming van de meest uiteenlopende dingen en tijden. Hernández geeft in de volgende pagina’s een aantal aansluitingen, correspondenties en mogelijke verbanden. Die zouden stuk voor stuk weer op hele verhalen kunnen uitlopen; als de lezer de geest krijgt heeft hij met de inhoudsopgave van het groene steentje van de speld al materiaal genoeg voor een grote roman.

Een traditionele fantastische vertelling is die over een meisje dat verliefd is op haar balkon en wanhopig wordt wanneer het balkon zich naar beneden werpt. Zulke verhalen heeft Hernández ook geschreven. Er zijn lange verhalen die zoals ik al suggereerde nog het best te genieten zijn als je ze in stukjes hakt. Mijn voorkeur gaat uit naar een verhaal als De vrouw die op mij leek, dat zo begint: «Een paar zomers geleden begon ik het idee te krijgen dat ik een paard was ge weest. Tegen de avond kwam die gedachte naar mij toe als naar een schuur van mijn huis. Zodra ik mijn mensen lichaam te ruste had gelegd begon mijn paardenherinnering op gang te komen.» Dat zou nog een droomachtige fantasie hebben kunnen worden, ware het niet dat sommige zinnen op zich al zulke vergezichten openen dat er per alinea een ander genre wordt aangesproken, zoals de derde bijvoorbeeld: «Ik ging gekleed in mijn vermoeide vlees en de gewrichten vlak boven mijn hoeven deden pijn. Soms vergat ik de juiste afstemming tussen mijn handen en mijn achterbenen, struikelde en stond op het punt te vallen.»