Essay: Hoe ver mag Amerika komen op het WK?

In godsnaam, geen overwinning van Amerika

De Amerikaanse bondsvoorzitter waarschuwt de wereld voor de eerste maal: ook op het voetbalveld kan Amerika van bijna iedereen winnen. Moet minister Rice van Buitenlandse Zaken ingrijpen? De vraag is meer dan alleen gekscherend bedoeld.

WASHINGTON – Eigenlijk is het meer dan een waarschuwing. Het neigt naar politiek. Tijdens een persconferentie voor buitenlandse correspondenten op 23 mei geeft voorzitter Sunil Gulati van de Amerikaanse voetbalbond hoog op over het nationale elftal van de VS.

Gulati, slechts 46 jaar, is een vriendelijke man die na ieder antwoord een glimlach tevoorschijn tovert. «Behalve favoriet Brazilië doet geen land onder voor de ander bij deze wereldkampioenschappen», zegt hij. «Op de wereldranglijst van de Fifa staan we vijfde. Dat is geflatteerd. De bookmakers schatten ons lager in. Maar als Griekenland het EK kan winnen, kunnen wij zeker het WK winnen. Mensen vergeten wel eens dat wij vorige keer met een jong team tot de kwartfinales kwamen. Bijna iedereen in het team is nu verder dan toen. Twaalf van hen spelen in de basis bij Europese clubs.» Waarna hij simpel vaststelt: «Ik droom niet van een tweede plaats. En ik kan u verzekeren: dat doet coach Bruce Arena ook niet.»

De aanwezige journalisten lijken niet onder de indruk, omdat ze zijn woorden opvatten als klassieke Amerikaanse sportretoriek, waarin winnen altijd als enige optie wordt geboden. Onverschillig gaan ze het lijstje standaardvragen af. Hoe kun je in een land waar voetbal doorgaat voor een meisjes- en schoolsport (zoals slag- of trefbal in Nederland) toch een serieuze competitie draaiende houden? «Al is voetbal hier een relatief kleine sport, onder de driehonderd miljoen Amerikanen zijn er genoeg om de stadions voor meer dan de helft te kunnen vullen», is het antwoord. Wat is het gemiddelde loon in de Major League Soccer? «130 duizend dollar per jaar. We’re not wealthy, but healthy.» Wat is de toekomst van voetbal in de VS? «Demografische factoren werken in ons voordeel. Neem de honderdduizenden immigranten die ieder jaar uit voetbalgekke landen ten zuiden van Texas komen.»

Maar aan de vooravond van het wereldkampioenschap in Duitsland is dat soort informatie natuurlijk niet belangrijk, net zomin als het imago van de sport in ’s werelds enig overgebleven supermacht of de groeiende inkomsten die televisierechten genereren. Het gaat er slechts om of Amerika 24 topvoetballers op de been weet te brengen die het toernooi kunnen winnen.

Voor de andere deelnemende landen valt te vrezen dat bondscoach Arena daarin inderdaad is geslaagd. Gulati weet dat. Want er werken nog meer factoren in het voordeel van het team. Als er iets als een «winnaarsmentaliteit» bestaat, dan beschikken zeker Amerikanen erover. Bovendien is het Amerikaanse elftal gewend aan het spelen van uitwedstrijden. De stadions waar de Amerikanen spelen, zijn altijd gevuld met aanhangers van de tegenpartij, ook bij wedstrijden op eigen grondgebied tegen landen als El Salvador, Honduras of Mexico. En fans van die tegenstanders zijn niet van het fatsoenlijke soort, zoals de Amerikaanse liefhebbers van baseball of basketbal, die klappen en af en toe fluiten terwijl ze rustig hun hotdog verorberen en netjes op hun stoel blijven zitten. Bij wedstrijden van het Amerikaanse elftal wordt al voor het eerste fluitsignaal het volkslied overstemd door hels gefluit en luid boegeroep. Zo kreeg de Amerikaanse keeper onlangs tegen El Salvador niet alleen flesjes bier en een dode kip naar zijn hoofd geslingerd, maar ook tientallen plastic zakjes urine. En in februari 2004 scandeerde een voetbalstadion vol Mexicanen minutenlang, als uit één keel: «Osama! Osama! Osama!» Desondanks plaatste Amerika zich de afgelopen jaren voor de eindrondes van het WK. Ook dit jaar kwalificeerde het zich eenvoudig door als eerste te eindigen in de poule, nog boven Mexico.

***

Tijdens de persconferentie dwalen mijn gedachten af naar die ene medewerker van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken die enige weken eerder zijn zorg over het toernooi in Duitsland uitsprak.

«Wat als Amerika wint?» had ik hem gevraagd.

«Dat mag nooit gebeuren!» antwoordde hij, half als grap, half serieus.

Zijn argument was helder. De intensiteit van het anti-Amerikanisme in de wereld beperkt de VS op dit moment al enorm in het buitenlands beleid. Als het land nu ook nog de wereldkampioenschappen voetbal zou winnen, krijgen Amerikaanse diplomaten het helemaal moeilijk. Niemand weet immers precies waar de anti-Amerikaanse stemming een reactie op is: op het misbruik van de immense macht van de VS of op die macht zelf. Maar dat die gevoelens groeien, is wel bekend. Uit een recente peiling van het Program of International Policy Attitudes blijkt dat er een meerderheid van landen is waarvan de bevolking aan Amerika een slechtere invloed op de wereld toedicht dan aan communistisch China. Uit dit onderzoek kan echter niet worden opgemaakt wat de redenen voor het verslechterend imago van Amerika zijn. Ligt het aan de Irak-oorlog, Guantánamo en Abu Ghraib? Of is het ressentiment tegen het rijkste land ter wereld dieper geworteld? «Wat in ieder geval niet heeft geholpen», aldus de diplomaat van het State Department, «is dat Amerika sinds de val van de Sovjet-Unie alle Olympische Spelen met een grote marge heeft gewonnen.»

Hoe vernederend wordt het voor de rest van de wereld als Amerika ook de beste zal blijken in voetbal, een sport die er in de VS eigenlijk niet toe doet, behalve onder peuters, meisjes en recent gearriveerde immigranten. Sterker, voetbal is de enige uiting van de mondiale populaire cultuur die niet wordt gedomineerd door Amerika.

Misschien, zo concludeerde de Amerikaanse diplomaat, moet minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice ingrijpen als de VS dit keer niet alleen de kwartfinale, maar zelfs de laatste vier halen. Met een telefoontje naar de coach. Niet om hem te feliciteren, maar om hem, in naam van de wereldvrede en het aanzien van Amerika in de rest van de wereld, te verordonneren enkele spelers de opdracht te geven in eigen doel te schoppen. Uit vaderlandsliefde.

Dat is uiteraard geen officiële beleidslijn. Gevraagd om een formele reactie zegt Jacquelyn Johnstone, de Media Program Manager van de afdeling Public Diplomacy op het State Department: «Zoiets druist al te zeer in tegen alles wat Amerikanen zijn. Wij willen winnen, altijd. Al geef ik toe dat Amerika als wereldkampioen voetbal mijn werk er waarschijnlijk niet gemakkelijker op zal maken.»

Hoewel Amerika geen last heeft van voetbalgekte, erkent Johnstone dat de sport niet zomaar een spelletje is. Het is dan misschien geen oorlog, triviaal is voetbal allerminst. Het bekendste voorbeeld is de «voetbaloorlog» in Honduras. Nadat het land de kwalificatiewedstrijden tegen El Salvador voor het WK van 1970 had verloren, werd het de duizenden Salvadoraanse vluchtelingen in Honduras zo heet onder de voeten dat het leger van El Salvador het buurland binnentrok. Maar er zijn meer voorbeelden. Zoals het lot van de Colombiaanse international Andres Escobar. De profvoetballer werd op een terras door een teleurgestelde landgenoot doodgeschoten omdat hij in de eindrondes van het WK in 1994 in eigen doel had geschoten, nota bene tegen de VS. En in Brazilië stijgt het aantal zelfmoorden en hartaanvallen altijd aanzienlijk in de eerste 24 uur na uitschakeling.

Ook Nederland is niet meer zo nuchter. Politicus Thom de Graaf, destijds minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vond het bij het EK van 2002 in Portugal nodig om direct na de verloren wedstrijd tegen Tsjechië de bondscoach publiekelijk te berispen. Die had in de 66ste minuut niet Arjen Robben mogen wisselen. De Graaf noemde die beslissing «klote». De Britse ambassadeur in Nederland, zo bracht de Engelse journalist David Winner onlangs aan het licht, schreef in het najaar van 2001 een rapport aan Londen, waarin hij de politieke opwinding tijdens de verkiezingen van mei 2002 en het succes van Fortuyn daarbij voor een deel verklaarde uit de psychologische schok die het missen van het WK in Japan en Korea teweeg had gebracht onder de Nederlandse bevolking.

***

Zeker bij wereldkampioenschappen staan nationale trots en zelfvertrouwen van menig land op het spel. Tot voor kort echter niet die van Amerika.

Sterker, in de VS bestaat een luidruchtige groep fervente voetbalhaters. Zij zien de sport als fundamenteel «on-Amerikaans». De politicus Jack Kemp, een van de invloedrijkste conservatieven uit de jaren tachtig en negentig, trok in het Congres ten strijde tegen een resolutie waarmee de poging werd ondersteund om de VS de wereldkampioenschappen van 1994 te laten organiseren. Hij verklaarde in het debat: «Ik denk dat het belangrijk is dat de jeugd weet dat je bij het echte voetbal (Amerikaans voetbal – pvo) de bal zowel trapt als gooit, je ermee rent en ’m in iemands handen drukt. We moeten een duidelijk onderscheid maken: football is democratisch en kapitalistisch, terwijl soccer (voetbal in de rest van de wereld – pvo) een Europese socialistische sport is.»

Jack Kemp, die in 1996 kandidaat was voor het vice-presidentschap, verwierf decennia eerder landelijke bekendheid als professionele footballer bij de Buffalo Bills. Even was hij zelfs de Cruijff van die sport. Maar zijn invloed bleek toch tanend. Met zijn uitbarsting in het Congres deed hij niet veel meer dan het legitimeren van de voetbalhaat van zijn achterban: de «echte Amerikanen» in «flyover country», zoals stadsbewoners aan beide kusten staten als Kansas, Missouri en Alabama soms geringschattend noemen. Kemps politieke tegenstanders bleven hun kinderen, in immer groeiende aantallen, op voetbal «doen», wellicht zelfs met nog meer overtuiging.

Want voetbal speelt een rol in de polarisatie die de VS sinds enkele decennia verscheurt, zowel cultureel als politiek. In zijn boek How Soccer Explains the World herinnert journalist Franklin Foer (broer van romancier Jonathan Safran Foer) zich hoe zijn hippieouders hem naar voetbal brachten om hun kind de wedijver van baseball en het geweld van football te besparen. Basketbal was ondenkbaar, want te zeer verbonden met het getto. Foer groeide op in het noordwesten van Washington DC, in een lommerrijke buurt «vol advocaten van topscholen met agressief linkse voorkeuren en uitzonderlijk beschermende opvoedingsstijlen».

In Foers buurt zaten nagenoeg alle kinderen op voetbal. De aantrekkingskracht van de sport, schrijft hij, lag in de oppositie tegen de populaire sporten. «Voetbal vertegenwoordigde iets totaal anders. Het was een tabula rasa, waarop een generatie ouders al haar progressieve waarden kon projecteren.» Voetbal hoorde bij de geest van Sesamstraat en Dr. Benjamin Spock. Teams bleven nooit lang bij elkaar, om de mentaliteit «winnen tegen elke prijs» te voorkomen. De competitieleiding van de jonge Foer gaf iedere speler een trofee of vaantje, al had hij iedere wedstrijd verloren. Competitie-uitslagen werden niet eens bijgehouden, of niemand telde het aantal doelpunten.

Voetbal was een hippiesport. Denk aan de Amerikaanse verdediger Alexi Lalas, die tijdens het WK in 1994 opviel door zijn grote rode sik. Voor een voetballer gaf hij opvallende interviews. Hij speelde gitaar voor de verzamelde pers en nam later zelfs cd’s op met de popband The Gypsies.

De kringen waarin Foer leerde voetballen zijn het spiegelbeeld van die van Kemp gebleven. Juist omdat voetbal niet traditioneel Amerikaans was, leek het in de ogen van progressieve ouders beter dan alle andere sporten. Deze politiek-culturele inkapseling van voetbal heeft ertoe geleid dat de sport in Amerika vooral wordt gespeeld door welgestelde, hoger opgeleide jongeren, jongens en meisjes. Dat is in de rest van de wereld wel anders. Onderzoeken van kledingfabrikanten als Nike en Adidas laten zonder uitzondering zien dat kinderen van goedverdienende ouders disproportioneel zijn vertegenwoordigd in voetbalclubs. De helft van alle voetballers in Amerika komt uit huishoudens waar het inkomen hoger ligt dan vijftigduizend dollar. In Nederland is dat dertigduizend dollar. Tweedegeneratie-immigrant Sunil Gulati is ook geen dakdekker, zoals Feyenoord-voorzitter Jorien van den Herik, of uitbater van de middenstand op Schiphol, zoals ex-Ajax-voorzitter Michael van Praag. Gulati is hoogleraar economie aan de prestigieuze Columbia University in New York. Ook werkte hij enige tijd bij de Wereldbank, als econoom verantwoordelijk voor Moldavië.

***

Dit alles staat het succes van de sport echter niet in de weg. Want al winnen politici à la Kemp de verkiezingen, de basis van zijn tegenstanders is sterk genoeg om het voetbal in Amerika te dragen. Al is er nog altijd weinig aandacht voor de professionele tak ervan, omdat de ernst en de competitie die daarbij komen kijken, zich slecht verhouden tot het wereldbeeld van zijn oorspronkelijke liefhebbers.

De Amerikaanse diplomaat die beweert het WK met angst en beven tegemoet te zien, zei hierover: «Merkwaardig is dat die conservatieve, voetbalhatende Republikeinen landelijke verkiezingen winnen om daarna met hun lompe antimilieubeleid, hun unilateralisme en mislukte oorlogen de rest van de wereld tegen ons op te zetten, terwijl wij, kosmopolitische, tactvollere en hoger opgeleide Amerikanen, met onze buitenlandse sport de wereld veroveren. Niet al die Republikeinen in flyover country die Franse wijn boycotten en Kerry ervan betichten dat hij het veiligheidsbeleid aan Europeanen uitlevert, maar wij softe voetballiefhebbers met onze on-Amerikaanse levens in grote steden brengen de rest van de wereld een vernedering waarvan ze niet snel zal herstellen.»

Als dat gebeurt, heeft Kemp een politiek probleem in het binnenland en het State Department een diplomatiek probleem in het buitenland.