In goed vertrouwen op een betere wereld

Wat begrijpen we werkelijk van het leven in een totalitaire staat? En wanneer mogen we een ander veroordelen? Milan Kundera schreef over de bizarre vormen van verraad én leerde ze kennen in de realiteit.

Het zou de plot van een roman kunnen zijn. Hoofdpersoon is een Tsjechische schrijver die les geeft aan de filmacademie en in de jaren zestig twee romans schrijft die het communisme bespotten. Tijdens de Praagse Lente vliegen ze de winkel uit, met honderdduizenden tegelijk. Na de Russische invasie raakt hij zijn baan kwijt en worden zijn boeken van de planken van de boekhandel en bibliotheken verwijderd. Zeven jaar later, in 1975, propt hij wat kleren en boeken in de kofferbak van zijn auto en rijdt met zijn vrouw naar Frankrijk, waar hij uitgroeit tot een van de meest gelezen Oost-Europese auteurs, een scherpzinnige anatomist van het sovjetcommunisme. Als geen ander weet hij voelbaar te maken hoe de totalitaire staat haar burgers corrumpeert. Omdat hij, als dissident, heeft geweigerd het spel mee te spelen is hij, bijna onvermijdelijk, een icoon van moed en morele zuiverheid geworden.

En dan, op de vooravond van zijn tachtigste verjaardag, onthult een Tsjechisch weekblad dat hij in 1950, als student, een jongeman heeft aangegeven bij de politie. De man wordt opgepakt en verdwijnt veertien jaar in een werkkamp; andere betrokkenen krijgen ook gevangenisstraffen van tien tot twintig jaar, één man wordt zelfs geëxecuteerd. Hoe moet je, met deze wetenschap, naar zijn boeken kijken, speelse boeken waarin tragedie en ironie altijd over elkaar heen buitelen. Het zou nogal cynisch zijn de onthulling ironisch te noemen, maar ironische kanten heeft de geschiedenis niettemin.

Elke krantenlezer weet dat het bovenstaande geen fictie is, en dat het stuk in het Tsjechische weekblad Respekt stond en over Milan Kundera ging. Even was het wereldnieuws, een jaar geleden, en toen was het, zoals dat vaker met wereldschokkende onthullingen gaat, net zo plotseling verdwenen als het was opgedoken. Het belastende feit haalde alle kranten, Milan Kundera ontkende in de kortst mogelijke bewoordingen, al betitelde hij de gebeurtenis nog wel als ‘de sluipmoord op een auteur’, gerenommeerde collega’s als J.M. Coetzee, Gabriel García Márquez, Nadine Gordimer, Orhan Pamuk en Philip Roth sprongen voor hem in de bres, Kundera dreigde met een rechtszaak (die inmiddels weer ingetrokken is) – dit alles vond plaats in het bestek van nog geen twee weken, en toen was het stil.

Dat is niet terecht, want het eventuele verraad van Kundera zegt alles over de totalitaire staat die hij zelf zo genadeloos heeft ontleed.
Daarom eerst een weergave van de gebeurtenissen in 1950, zoals Respekt ze reconstrueerde. Miroslav Dvoracek en Miroslav Juppa waren twee jeugdvrienden, die er altijd van hadden gedroomd piloot te worden. Na de communistische machtsovername in 1948 werden ‘negatieve elementen’ uit de Tsjechische luchtmacht verwijderd en werden ook de twee vrienden weggestuurd. Ze vluchtten, met de hulp van Juppa’s vriendin Iva Militka, naar West-Duitsland, waar ze meteen als spion werden geronseld. Hun eerste geheime missie naar Tsjechoslowakije mislukte; in maart 1950 deden ze een tweede poging. Ze slopen de grens over in het Boheemse Woud en vonden onderdak in de boerderij van familie Tous. Miroslav Dvoracek reisde door naar Praag, om daar een chemicus te contacteren.

In Praag botste hij toevallig op Iva Militka, die hij meer dan een jaar niet had gezien. Zij studeerde inmiddels, en woonde in Kolonka, een studentenonderkomen dat tevens een broeinest was van socialistische intellectuelen. Zij was geen partijlid, maar haar vriend, de student Miroslav Dlask, wel. Hij geloofde vurig dat de sociaal-democratie zou opgaan in het communisme, en dat er een nieuwe humanistische era zou aanbreken. Een van de beste vrienden van Dlask was Milan Kundera, toen al een charismatische intellectueel die aan de filmacademie studeerde. Kundera bewonderde Stalin en schreef gedichten en liederen vol hoogdravende noties over de eeuwige vriendschap tussen zijn land en de Sovjet-Unie. ‘Voor de generatie die opgroeide ten tijde van de oorlog was het heel moeilijk om niet ten prooi te vallen aan die illusie,’ relativeert collega-schrijver Ivan Klima het socialistische enthousiasme van Kundera in Respekt.

Iva Militka was blij om Dvoracek te zien. Hij liep met haar mee naar Kolonka en vroeg haar of ze zijn bagage een paar uur kon bewaren. Dvoracek zou zijn chemicus niet vinden. Toen hij in Kolonka zijn koffer kwam oppikken stonden twee gewapende politiemannen hem op te wachten. Hij werd gearresteerd, ondervraagd en waarschijnlijk gemarteld. In september 1950 werd Dvoracek veroordeeld voor desertie, spionage en hoogverraad. Zijn straf bestond uit 22 jaar zware dwangarbeid – hij zou negen jaar te werk worden gesteld in een uraniummijn – en zijn burgerrechten werden hem ontnomen. De familie Tous werd ook opgepakt, en een van de gidsen die op de boerderij werkte, werd ter dood veroordeeld.

Hoe wisten de autoriteiten dat Dvoracek in Kolonka zou opduiken? Iva Militka lijdt tot de dag van vandaag aan een groot schuldgevoel. ‘Ik was naïef in die tijd’, zei ze in Respekt. En dus had ze zonder verdere gedachten, bijna achteloos, aan haar vriend Dlask verteld over haar ontmoeting met Dvoracek.
Een van de auteurs van de reconstructie in Respekt is Adam Hradilek, onderzoeker aan het in Praag gevestigde Instituut voor de Studie naar Totalitaire Regimes (USTR) en een verre verwant van Iva Militka. Voor haar is hij in de archieven gaan graven naar de zaak-Dvoracek. En daar stuitte hij, tot zijn eigen verbijstering, op politieverslag 624/1950. Het luidt als volgt: ‘Vandaag om ongeveer 1600 uur meldde zich een student, Milan Kundera, geboren 1.4.1929 in Brno, inwoner van het studentenonderkomen op George VI Avenu in Praag VII, op dit bureau en rapporteerde dat een student, Iva Militka, inwoner van hetzelfde woonoord, had verteld aan een student met de naam Dlask, eveneens van dat woonoord, dat ze een zekere bekende van haar, Miroslav Dvoracek, was tegengekomen op Klárov in Praag op dezelfde dag. De genoemde Dvoracek liet klaarblijkelijk 1 koffer aan haar zorg over, zeggende dat hij die ’s middags zou komen halen. (…) Dvoracek was klaarblijkelijk gedeserteerd uit militaire dienst en was het afgelopen jaar mogelijk in Duitsland geweest, waar hij in de illegaliteit was gegaan.’

In een epiloog bij het stuk schrijft Adam Hradilek over de twijfel die de vondst bij hem veroorzaakt. Een ‘clichématig verhaal’ van begin jaren vijftig over liefde, verraad, agenten en een schuldcomplex, een beetje gekruid doordat het een ver familielid betrof, veranderde in explosief materiaal. Niemand van de nog levende betrokkenen – Dlask overleed in de jaren negentig – had aan Milan Kundera gerefereerd. ‘Ik heb lang gepiekerd’, aldus Hradilek, ‘over de vraag of ik het morele recht had het verhaal te publiceren.’

Dat piekeren was niet overbodig, want hoe evenwichtig de onthulling ook werd gebracht, het verwijt volgde onmiddellijk: het stuk had nooit afgedrukt mogen worden. De affaire had veel weg van het soort verdachtmakingen waar de geheime politie van communistische staten zo in bedreven was, riep de Hongaarse schrijver György Dalos. Anderen, onder wie Bernard-Henri Lévy, betwijfelden meteen de authenticiteit van het politiedocument.

Inmiddels is het politierapport geanalyseerd door de huidige Tsjechische geheime dienst: het papier, de vermelde namen, de handtekening van de dienstdoende politieman: alles bleek echt. Die authenticiteit maakt de gebeurtenissen niet minder raadselachtig. Aannemelijk is dat Dlask tegen Kundera heeft gerept over Dvoracek – hij heeft dat ook toegegeven voor zijn dood. Maar waarom zou Kundera Dvoracek hebben aangegeven? Zeker, hij was een overtuigde communist in die tijd, maar wel een van het eigenzinnige soort, want van parades en andere massabijeenkomsten gruwde hij. Zou Dlask zich hebben voorgedaan als zijn vriend? Meteen na de onthulling kwam een oude literatuurhistoricus met de schriftelijke verklaring dat Dlask aan hem had opgebiecht dat hij Dvoracek had verraden. Maar moest je in die tijd niet overal en altijd je paspoort laten zien?

Al die warrige, met elkaar botsende gegevens zouden fijne stof zijn voor een comedy of errors als het niet om reële verwoeste levens ging. Want bij de bespiegelingen over Kundera’s mogelijke motieven werd ook zijn eerste, autobiografische roman De grap uit 1967 van stal gehaald. Kundera was in 1949 berispt, toen hij een brief had gekregen van een vriend die de draak stak met een hooggeplaatste apparatsjik en hij zelf op even spottende toon had geantwoord. Zijn vriend werd vanwege ‘de grap’ uit de communistische partij gestoten en van de universiteit verwijderd, Kundera alleen uit de partij gezet.

In 1950 stond er een gevangenisstraf van vijf jaar op het niet melden van verdacht gedrag. Het was voor Kundera een jaar eerder nog met een sisser afgelopen, maar wie zegt dat hij bij een volgend incident niet verwachtte dat hij strenger gestraft zou worden en daarom uit voorzorg naar de politie stapte?

De grap laat instructief zien hoe het communisme ‘subversiviteit’ probeert uit te bannen. Ludvik, de hoofdpersoon die zijn vrolijke kaartje (‘Optimisme is het opium van het volk! (…) Lang leve Trotski!’) met verbanning moet bekopen weet donders goed dat het verschil tussen vervolger en vervolgde niet zo groot is in een dictatuur. In die zin lijkt hij op Rubakov, hoofdpersonage van Koestlers weergaloze anticommunistische roman Darkness at Noon, die in zijn gevangenschap beseft: ‘Ik heb nooit voor iemands ondergang gestemd, maar ik ben me er perfect van bewust dat dit een twijfelachtige verdienste is, aangezien ik niet het recht had mijn hand op te steken. Het is waar dat ik mijzelf lang heb proberen te overtuigen dat ik in hun positie niet had gehandeld zoals zij deden, maar ik ben eerlijk genoeg om mezelf uit te lachen: waarom zou ik de enige zijn geweest die niet zijn hand had opgestoken?’

Vaclav Havel betoonde zich sceptisch over de onthulling van Respekt. Maar, verder denkend legt hij zichzelf, net als Rubakov, onder de microscoop en lijkt hij het, ondanks zijn scepsis, voor Kundera op te nemen. ‘Je hoefde’, zei Havel tegen Respekt, ‘geen overtuigde, fanatieke communist te zijn om op deze manier te handelen, in het goede vertrouwen dat je een betere wereld hielp ontstaan. Je kan je eenvoudig hebben afgevraagd, of misschien was je er bijna zeker van, dat iemand een val voor je had opgezet. (…) Misschien was je eenvoudig geen oorlogsheld en dacht je gewoon bij jezelf: waarom zou ik tien jaar in een gevangenkamp doorbrengen omdat ik iets wist en niet vertelde? Gevangenkampen zijn voor helden, niet voor mensen zoals ik.’

Het zou de plot van een roman kunnen zijn, misschien zelfs van een roman van Milan Kundera. Omdat hij kortweg ontkent en er verder het zwijgen toe doet, weten we nooit helemaal zeker of hij Dvoracek heeft aangegeven of niet. De morele vragen dwarrelen door ons hoofd, maar ze ketsen op hem af, waardoor we, net als Rubakov en Havel, in onszelf moeten kruipen. Wat begrijpen we werkelijk van het leven in een totalitaire staat? Wanneer mogen we een ander veroordelen?