De achterkant van de meritocratie

‘In Haren zit je natuurlijk wel goed’

Nederland wordt steeds hoger opgeleid en dat lijkt goed nieuws, want onderwijs geldt als de sleutel voor een betere toekomst. Maar in onze diplomasamenleving krijgen de mensen zonder zo’n papiertje het steeds moeilijker.

Het centrum van Hoogezand, de Kerkstraat

Wethouder Erik Drenth wil niet dat het een verhaal wordt vol kommer en kwel. Het zou niet de eerste keer zijn dat een journalist naar Hoogezand komt en alleen maar oog heeft voor de problemen. De stad heeft geen geweldig imago en dat heeft natuurlijk zijn redenen, erkent Drenth: ‘We kampen met relatief veel armoede, jeugdzorg, schulden, zorgmijders en huiselijk geweld.’ Maar hij heeft ons uitgenodigd op deze plek om te laten zien dat er wat aan gedaan wordt.

We staan naast een betonskelet waar bouwvakkers af en aan lopen. ‘Hier wordt aan de toekomst gebouwd’, aldus het bord met een impressie van het gebouw dat deze zomer af moet zijn. Onder het gloednieuwe, aardbevingsbestendige dak komen straks drie basisscholen te zitten, twee openbare en eentje voor speciaal onderwijs. Dat is een bewuste keuze, vertelt Drenth. ‘We willen dat kinderen met verschillende achtergronden en niveaus elkaar op het schoolplein tegenkomen.’

Drenth is een honkvaste man. Net als zijn ouders en grootouders is hij geboren in Hoogezand en er nooit weggegaan. Zelfs tijdens zijn studie theologie in ‘de stad’ (Groningen) bleef hij thuis wonen. Als cda-wethouder bemoeit hij zich nu onder meer met het onderwijs in de gemeente Midden-Groningen, waar volop wordt geïnvesteerd in de aanbouw van nieuwe of versterking van bestaande schoolgebouwen. Dat is nodig vanwege het aardbevingsgevaar, maar het biedt ook een kans om de inhoudelijke basis te verstevigen, zegt Drenth. ‘Door schoolbesturen te laten meedenken over de inrichting geef je ze de gelegenheid om hun onderwijsvisie te verwezenlijken.’

Het bevorderen van kansengelijkheid in het onderwijs is een van Drenths speerpunten als wethouder, vertelt hij. ‘We zijn bezig met een “Tijd voor de toekomst”-project waarmee leerlingen na lestijd op school kunnen blijven. Niet alleen om leerachterstanden weg te werken, maar vooral om kinderen uit gezinnen met een zwakkere sociaal-economische positie dingen mee te geven die ze misschien niet direct vanuit huis meekrijgen, zoals sport, koken of cultuur.’

In heel Nederland is de strijd voor gelijke onderwijskansen topprioriteit. Met goede reden, want uit onderzoek na onderzoek blijkt dat het meritocratische ideaal te wensen overlaat. Voor kinderen van praktisch geschoolde ouders is de weg naar de universiteit een stuk langer dan voor kinderen met ouders die zelf gestudeerd hebben. Het kroost van gezinnen uit de ‘goede’ wijk klit samen op de ‘goede’ school, terwijl een paar straten verderop een ‘probleemschool’ staat waar juffen en meesters vooral proberen te voorkomen dat hun leerlingen op het verkeerde pad raken. Daar moet wat aan gedaan worden, vinden politici van links tot rechts, want het is onrechtvaardig als je postcode je levenskansen bepaalt.

Ondanks de haperende meritocratie is Nederland de afgelopen twintig jaar beduidend hoger opgeleid geworden. Had in 2003 nog slechts één op de vijf Nederlanders boven de vijftien jaar een diploma van de hogeschool of universiteit, inmiddels is dat gestegen tot bijna één op de drie. Het aandeel laaggeschoolden (zie kader voor definities) daalde in diezelfde periode van veertig procent tot minder dan dertig. Dat lijkt een succesverhaal, want onderwijs geldt als dé sleutel tot een betere toekomst. ‘Daar begint het’, zegt Erik Drenth. ‘Het is de plek waar dubbeltjes kwartjes kunnen worden. Als je iets wil doen aan de complexe sociaal-economische problematiek is het logisch om daarin te investeren.’

Maar wat gebeurt er met de groep voor wie een theoretische opleiding simpelweg niet is weggelegd? Voor de kinderen die, zelfs al zou er perfecte kansengelijkheid bestaan, niet terechtkomen op de havo of vwo? Hoe zorg je dat die groep niet te ver achterblijft? Drenth denkt even na en zegt dan: ‘Tja, daar heb ik geen eenduidig antwoord op. Je ziet dat dat moeilijk is en steeds moeilijker wordt. We hebben industrie in deze regio, maar veel processen zijn geautomatiseerd. De banen die overblijven vergen vaak een hoger opleidingsniveau, minimaal mbo-3. Voor de groep daaronder is het lastiger geworden door de opkomst van technologie. Dat is een uitdaging voor de samenleving.’

De kloof tussen theoretisch en praktisch geschoold Nederland is hardnekkig en neemt op sommige vlakken toe, zo blijkt bij bestudering van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs). Zo zijn de inkomensverschillen tussen opleidingsniveaus de afgelopen vijftien jaar gegroeid. Verdiende een theoretisch geschoolde Nederlander in 2005 gemiddeld 1,8 keer zoveel als iemand met hooguit een mbo-1-diploma, in 2019 was dat 2,24 keer. Waar hoogopgeleiden grofweg even gelukkig zijn als twintig jaar geleden, is het geluksniveau van laag- en middelbaargeschoolden aanzienlijk gedaald. Iemand met een hbo- of wo-diploma heeft gemiddeld 70,6 gezonde levensjaren. Voor een middelbaargeschoolde Nederlander is dat 64,7 en voor een laaggeschoolde slechts 57,1. Hoe rechtvaardig is het dat je opleidingsniveau zo bepalend is voor je levenskwaliteit?

‘Meritocratie is een prachtig ideaal, maar het kent ook een schaduwzijde’, zegt onderwijssocioloog Herman van de Werfhorst. ‘Het impliceert dat degenen die niet mee kunnen komen dat aan zichzelf te wijten hebben. Verpersoonlijking van falen is een essentieel onderdeel van dit verhaal.’ Aan het begin van het academisch jaar doet Van de Werfhorst, die als hoogleraar is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, vaak een gedachte-experiment met studenten. Wat hebben jullie liever, vraagt hij dan, dat jullie dit vak kunnen volgen, alle kennis absorberen, maar zonder dat jullie er een diploma aan overhouden, óf wel het papiertje, maar zonder iets van de kennis. ‘Veel studenten gaan voor de laatste optie – en geef ze eens ongelijk: dat papiertje is ontzettend belangrijk geworden in onze maatschappij. We leven in een schooled society, een diplomasamenleving.’

Dat was goed te zien in de veelgeprezen documentaire Klassen, zegt Evelien Tonkens, hoogleraar burgerschap aan de Universiteit voor Humanistiek. ‘Voor die kinderen was het bijna een ramp als ze géén havo- of vwo-advies kregen. Er wordt duidelijk een hiërarchie aangebracht, waarbij vwo beter is dan vmbo. Maar tegelijkertijd zeggen we: iedereen krijgt het advies dat bij hem of haar past. Dat maakt het voor vmbo’ers nog vernederender, want dat zou betekenen dat zo’n “laag” niveau nog passend is ook. Het doet iets met het zelfbeeld van mensen. Laagopgeleiden krijgen het idee: ik ben niet goed genoeg. En de theoretisch geschoolde klasse gelooft dat ze beter zijn, omdat hun positie aan de bovenkant van de maatschappelijke ladder hun eigen verdienste zou zijn. Terwijl zij natuurlijk gewoon geluk hebben met hun IQ of met ouders die huiswerkklassen kunnen betalen.’

winkelstraat in Haren, de Rijksstraatweg

‘Haren’, zegt Hein Bloemink, ‘is als een prachtige lijst en de bewoners kleuren zelf het schilderij.’ Hij zit achter zijn bureau op de begane grond van Villa Hilghestede, een monumentaal pand aan de Verlengde Hereweg die Groningen met Haren verbindt. Bloemink is niet zomaar een Harenaar, hij is de eenmansredactie van Haren/ de Krant. Al 25 jaar brengt hij maandelijks huis-aan-huis het nieuws in zijn geboortedorp.

Iedereen weet wie Bloemink is en er zijn andersom maar weinig Harenaren die hij niet kent. ‘Als ik door het dorp loop of fiets, heb ik altijd mijn antennes uitstaan en ik word geregeld aangeschoten door mensen die iets te melden hebben.’ Voor het werven van adverteerders hoeft hij niet veel te doen, dat gaat al jaren redelijk vanzelf. Het dorp heeft een grote middenstand en ondernemers uit omringende plaatsen willen graag in zijn krant staan ‘vanwege de vele kapitaalkrachtige inwoners van Haren’.

Bloemink begon de krant uit enthousiasme over het dorp waar hij al zijn hele leven woont. ‘Objectief gezien heeft Haren alle ingrediënten om gelukkig te kunnen leven: ruimte, veel groen, de nabijheid van de stad Groningen zonder de dominantie van de stad, een populatie die gelukkig is en wat wil doen voor de gemeenschap.’ Dat de inwoners van Haren gelukkig zijn heeft alles te maken met het opleidingsniveau. Van de hoogopgeleide Nederlanders beschouwt 90,5 procent zich als ‘gelukkig’, bij middelbaaropgeleiden is dat 86,6 en bij laagopgeleiden 83,1. ‘Hoe hoger iemand is opgeleid, hoe minder vaak diegene geneigd is zichzelf als ongelukkig aan te merken’, concludeerde het cbs-rapport Geluk in extremen in 2018.

Voor praktisch geschoolden is steeds minder plek in Haren. Zelfs aan de ‘andere kant van het spoor’

In het dorp dat landelijke bekendheid kreeg door het Project X-feest in 2012 – waarbij jongeren uit het hele land afreisden naar Haren voor een feest waar per ongeluk ‘iedereen’ voor was uitgenodigd, en de boel kort en klein sloegen – is 53 procent van de inwoners hoogopgeleid, terwijl dat landelijk net dertig procent is. Het gemiddeld inkomen per inwoner behoorde in 2018 met 31.007 tot het hoogste kwart van het land en de woz-waarde van een gemiddeld huis in Haren was 280.000 euro, terwijl dat landelijk op 230.000 euro lag. Dat is helemaal opvallend omdat Groningen met 165.000 euro de provincie is waar de woningwaarde het laagst ligt. ‘Als je door Haren rijdt, zie je een bepaalde welvaart’, zegt Bloemink.

Die welvaart begon al in de negentiende eeuw, toen Haren steeds minder agrarisch werd door de toestroom van de Groningse elite die op zoek naar meer ruimte voor grotere woningen in het aanpalende dorp terechtkwam. Aan de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw dankt het de reputatie van renteniersdorp. Bloemink: ‘De boeren van Het Hogeland hadden hun geld verdiend en gingen op de zandgrond van Haren – op de Hondsrug – hoog en droog een mooi huis bouwen.’ Nog steeds trekt het villadorp veel ‘import’; artsen en hoogleraren van het ziekenhuis en de universiteit in Groningen en andere mensen die voor een goedbetaalde baan naar het noorden verhuizen.

Voor praktisch geschoolden is steeds minder plek. Zelfs aan de ‘andere kant van het spoor’, de plek waar van oudsher het treinpersoneel en arbeiders gingen wonen en waar eenvoudiger huizen staan, is het steeds moeilijker om een betaalbare woning te vinden. ‘Ik heb geluk dat ik hier al m’n hele leven woon en lang geleden een huis heb gekocht’, zegt Bloemink. ‘Het wordt voor de gewone man steeds moeilijker.’

Het past bij de trend die vaker zichtbaar wordt: zodra de omstandigheden moeilijk worden, bijvoorbeeld bij een crisis of zoals bij de huidige oververhitting van de woningmarkt, zijn de praktisch geschoolden daar veel vaker de dupe van. Vermogen en opleidingsniveau spelen een significante rol bij de kans van slagen op de woningmarkt, zo constateerde het ministerie van Binnenlandse Zaken afgelopen jaar in zijn jaarlijkse rapportage De staat van de woningmarkt.

‘In Hoogezand stijgen de huizenprijzen een stuk minder hard dan in de omringende plaatsen’, zegt wethouder Drenth. De woz-waarde van de gemiddelde woning is daar zo’n 133.000 euro – minder dan de helft van het landelijk gemiddelde. Dat Hoogezand niet zo populair is bij woningzoekers heeft volgens Drenth ook te maken met het imago. ‘Terwijl je hier eigenlijk voor weinig geld goed kunt wonen.’

‘Ik zou er niet willen wonen’, zegt Hein Bloemink. ‘Er zijn natuurlijk wijken in Hoogezand die prachtig aangelegd zijn en de mensen vind ik wel geweldig hoor – het is daar: what you see is what you get – maar het voelt toch een beetje als een andere wereld, terwijl het nog geen kwartiertje rijden is.’ Hij is ook gewoon verknocht aan zijn geboortedorp: ‘Er is op cultureel gebied zoveel te doen in Haren. Hoeveel mensen hier wel niet schildercursussen geven of zelf een kunstroute organiseren. Ik zal niet denigrerend doen over Hoogezand, maar daar hebben ze toch andere interesses. Dat bedoel ik met die lijst en het schilderij: in Haren gaan we niet op zoek naar een schilder, maar nemen we zelf de kwast ter hand. In welke andere plaats redden de inwoners de plaatselijke boekhandel van de ondergang?’

‘Kom maar even binnen.’ Jolly Kerkstra loopt voor naar de keuken van de enorme woonboerderij, op steenworp afstand van het centrum van Haren. Terwijl ze koffie zet, zegt ze: ‘We gaan hier bijna weg, terug naar de Randstad.’ En dat is met een dubbel gevoel. Zo’n vijftien jaar geleden verhuisde ze met haar gezin vanuit Leiden naar het noorden, omdat haar man directeur werd van GasTerra. Inmiddels is Kerkstra een bekend gezicht in Haren, waar ze onder meer actief is bij de hardloopclub en de kerk. Maar nu de kinderen zijn uitgevlogen – die zijn na het gymnasium in de Randstad gaan studeren – en haar man voor zijn werk weer in het westen moet zijn, gaat ze Groningen verlaten. ‘We hebben het heel fijn gehad, maar ik kijk er ook naar uit om in Amsterdam te wonen. Daar is toch wat meer reuring.’

Aanvankelijk was het best even wennen, zegt ze. De eerste dag liep ze met de ziel onder de arm door het dorp. Kerkstra kende niemand, zag weinig winkels die haar konden bekoren. Tot ze aan het eind van de winkelstraat langs Boomker liep, de boekhandel die al sinds 1918 in het pand aan de Rijksstraatweg huisde. Ze las graag en veel en werd een vaste klant in de winkel die haar een vertrouwd gevoel gaf in een vreemde omgeving.

Ze hoefde dan ook niet lang na te denken toen ze in 2014 een mail kreeg: Boomker stond op omvallen en als ze nou met enkele vaste klanten geld zouden inzamelen en de boekhandel in een coöperatie zouden onderbrengen, was de boel gered. In no time werd door zo’n honderd klanten 225.000 euro ingezameld. Kerkstra zit zelfs in het bestuur. ‘Het was voor het eerst in Nederland dat een boekhandel op die wijze werd gered. Een econoom die eens een praatje kwam houden voor de coöperatieleden zei ook dat zoiets de meeste kans van slagen heeft in een kleine gemeenschap die welvarend is en waar de mensen genoeg tijd en kennis hebben om die coöperatie te runnen. Dan zit je in Haren natuurlijk wel goed.’

Boomker zit sinds 2019 op een andere locatie, midden op het Raadhuisplein. ‘We hebben een enorme boost gehad sinds we een coöperatie zijn’, zegt winkelmanager Petra Ordelman. Ze werkte eerder bij andere boekhandels, maar die in Haren is toch wel uniek. Voordat zij er met de scepter zwaaide lag de Zeven zussen-reeks van Lucinda Riley weggestopt op de onderste plank. ‘Ik ben iets commerciëler ingesteld’, zegt Ordelman, ‘dus het laatste deel ligt nu keurig in de etalage.’ Toch blijft het aanbod hier anders dan in Hoogezand, waar lezers alleen terechtkunnen bij de kiosk. Ordelman wijst naar een hoekje achter in de winkel. ‘Dat is onze geschiedenisafdeling en die loopt echt het best. Dat zie je nergens anders. Je merkt dat de inwoners hoogopgeleid zijn, het is een lezerspubliek.’

Over het algemeen geldt: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger het persoonlijke welzijn, zo blijkt uit de Monitor Brede Welvaart die het cbsjaarlijks publiceert. Hoogopgeleide Nederlanders zijn vaker tevreden met hun baan, hebben meer vertrouwen in instituties en medemensen en zijn minder vaak langdurig werkloos, terwijl laagopgeleiden veel minder vaak betaald werk hebben, sneller kampen met overgewicht en meer gezondheidsklachten hebben. Waar iemand met een hbo- of wo-diploma gemiddeld een vermogen heeft van 116.700 euro, is dat voor middelbaargeschoolden 45.600 euro en voor laaggeschoolden 16.200 euro. De welvaart in Nederland is, kortom, niet gelijk verdeeld, constateert het cbs in de monitor van 2021: ‘De stapeling van gunstige uitkomsten concentreert zich sterk bij hoogopgeleiden, terwijl de stapeling van ongunstige uitkomsten vooral voorkomt bij laagopgeleiden.’

Toch benadrukt cbs-directeur Peter Hein van Mulligen regelmatig in de media dat het helemaal niet slecht gaat met ons land. Nederlanders zijn de afgelopen decennia rijker en gezonder geworden, zo toont hij in zijn boek Met ons gaat het nog altijd goed. En hoewel die vooruitgang bij laagopgeleiden minder hard ging dan bij theoretisch geschoolden, zijn ook zij er de afgelopen decennia op vooruit gegaan. Waarom zouden we ons dan druk maken om die kloof?

De voetbaltrainer kan ze zo aanwijzen, de kinderen ‘met een rugzakje’. En daar heb je er in Hoogezand veel van

‘Het leven is nu eenmaal relatief, niet absoluut’, zegt Evelien Tonkens. ‘Mensen vergelijken zichzelf toch met anderen. In zijn boek Statusangst laat de filosoof Alain de Botton zien dat we zelfs geneigd zijn om zelf genoegen te nemen met minder, zolang het verschil met de rest maar niet toeneemt. Vanuit het gevoel: ik wil er nog wel bij horen.’ Daar komt bij, zegt onderwijssocioloog Herman van de Werfhorst, dat toenemende ongelijkheid voor maatschappelijke problemen en spanningen zorgt. ‘Het bedreigt de sociale cohesie.’

Dat baart zelfs een optimist als Van Mulligen zorgen. ‘Veel meer dan vroeger is het nu de norm dat je op z’n minst een mbo-opleiding hebt afgerond’, zei hij vorig jaar in een interview met Trouw. ‘Vroeger kon je ook zonder veel scholing nog een redelijke carrière maken, nu niet meer. Met als gevolg een lagere levensverwachting, minder vertrouwen in de politiek en meer uitzichtloosheid.’

Geen jobhoppers bij aluminiumproductiebedrijf Hydro Extrusion Hoogezand. ‘Gemiddeld werkt ons personeel hier tussen de 25 en 30 jaar’

‘Pas d’r op!’ Een gloeiend hete schijf metaal zweeft aan een kabel door de lucht en verdwijnt in een van de ronkende machines. Mannen met helmen, beschermbrillen en oordoppen bewegen behendig door de warme loods. Buiten liggen glanzende palen aluminium opgestapeld. Het massieve materiaal wordt hier omgetoverd tot profielen die uiteindelijk op allerlei plekken terechtkomen. Aan de gevel voor zonwering, bijvoorbeeld. Of op het dak van caravans. Voor het zover is maakt het aluminium eerst een rondje door deze fabriekshal in Hoogezand: door de mal van de pers, op de rekbank, langs de zaag, in de oven om uit te harden, een elektrolysebad voor een beschermlaag en via de lakafdeling naar de droogcabine. ‘Vroeger was dit werk een stuk fysieker’, zegt ploegleider Bert Folkers (59). ‘Als ik de buurvrouw met oud en nieuw een hand gaf, kromp ze ineen van de pijn, zoveel kracht had ik in m’n vingers.’

In 1984 kwam Folkers hier binnen als uitzendkracht: hij was klaar met school, had een paar jaar op de scheepswerven gewerkt en na zijn militaire dienst kon hij aan de slag bij het bedrijf dat nu Hydro Extrusion heet. Van aluminiumextrusie wist hij niets af, dat leerde hij al doende. Het vak is in de loop van de jaren steeds complexer geworden, vertelt hij: waar je technische problemen voorheen met gereedschap kon verhelpen, moet je nu verstand hebben van computers. ‘Als je de ploegbazen uit de jaren negentig nu op de werkvloer zou neerzetten, worden ze gek.’ Dat maakt het moeilijker om geschikt personeel te vinden, zeker omdat de jeugd niet staat te springen om in een fabriek te werken.

Mensen als Folkers, die na hun middelbare school direct aan de bak gaan in de fabriek, worden schaarser. Zijn protegé Patrick Grofsmid is wat dat betreft een uitzondering. Vanachter een paneel met knipperende knoppen, draaiende metertjes en grote schermen houdt de 29-jarige operator het productieproces in de gaten. Op school kon Patrick zijn draai nooit echt vinden, maar tussen deze machinerie voelde hij zich direct op zijn plek. Na werktijd bleef hij vaak nog even hangen om de techniek beter te leren begrijpen. In tien jaar tijd klom hij op van productiemedewerker tot assistent-ploegleider. Als Folkers straks met pensioen gaat, staat zijn opvolger al klaar. ‘In 2024 vind ik het wel mooi geweest’, zegt hij. ‘Dan werk ik hier veertig jaar.’

Onder laagopgeleiden steeg de gemiddelde pensioenleeftijd de afgelopen jaren harder dan onder theoretisch geschoolden. Gingen laag- en hoogopgeleiden in 2003 nog gelijktijdig met pensioen (met 60,9 jaar), in 2018 was dat toegenomen tot respectievelijk 65,5 en 64,8 jaar. Dat is wrang, omdat praktisch geschoolden vaker zware beroepen hebben. Bij de onderhandelingen over de verhoging van de pensioenleeftijd werd voor deze groep een speciale regeling bedacht zodat zij juist eerder kunnen stoppen. Daar is in de praktijk nog weinig van terechtgekomen. ‘Gelukkig heb ik zelf genoeg opzijgezet om vervroegd met pensioen te kunnen’, zegt Folkers, ‘want van de overheid hoef je niets te verwachten.’

Waar in het naburige Haren veel jobhoppers neerstrijken die na een paar jaar werken aan de Groningse universiteit of als manager bij Gasunie weer verder trekken naar de volgende carrière-uitdaging, is het in de Hoogezandse maakindustrie gebruikelijker om een werkgever trouw te blijven. ‘Gemiddeld werkt ons personeel hier tussen de 25 en 30 jaar’, zegt Mark Pieter Alsem (37), locatiemanager van Hydro Hoogezand. ‘Ik ben trouwens opgegroeid in Haren’, zegt hij, ‘maar daar krijg ik nooit commentaar op hoor. Wel word ik soms uitgemaakt voor “studentje” – daar kan ik wel om lachen.’ Alsem studeerde bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en met zijn blauwe colbert, gestreepte overhemd en achterover gekamde haar valt hij uit de toon bij de fabrieksarbeiders in werkkloffie. Vanmiddag krijgt hij de burgemeester op bezoek, voor een interview voor het aanstaande jubileumboek ter ere van het vijftigjarig bestaan.

Sinds 1971 staat deze fabriek op het industrieterrein Martenshoek. In die tijd is het bedrijf een aantal keer van naam en eigenaar veranderd, maar de kerntaak – de productie van aluminiumprofielen – is dezelfde gebleven. Na de Tweede Wereldoorlog vestigde zich veel maakindustrie in de regio, van een glasvezelproducent tot een luierfabriek, wat veel gastarbeiders aantrok. Nog altijd is Hoogezand een van de meest multiculturele plaatsen van de provincie, met grote Turkse, Antilliaanse en Javaans-Surinaamse gemeenschappen. Ook bij Hydro ‘lopen mensen met allerlei achtergronden’, zegt Folkers, voordat hij in het Engels een praatje aanknoopt met een Zweedse collega.

Hoogezand is van oudsher een industriestad. In de zeventiende eeuw verschenen de eerste scheepswerven aan het Winschoterdiep, het kanaal dat de stad Groningen met het oosten van de provincie verbindt. Met de binnenvaartschuiten die daar in elkaar werden gezet kon de afgestoken turf worden vervoerd. Toen het veen op raakte kwamen er ijzergieterijen en fabrieken voor strokarton en aardappelzetmeel voor in de plaats. Arbeiders in de Groningse veenkoloniën, waar Hoogezand deel van uitmaakt, kregen de bijnaam ‘aanbraaide hosen’, wat in het lokale dialect zoveel betekent als ‘kousen met een nieuw aangebreide voet’: een symbool van armoede.

Die armoede is niet verdwenen. Met een gemiddeld inkomen van 17.199 euro per inwoner behoorde Hoogezand in 2018 tot de tien procent armste plaatsen in Nederland. Of het nu gaat om arbeidsparticipatie, het aantal uitkeringsontvangers of het percentage gezinnen dat rond of onder het sociale minimum leeft: op de online Kansenatlas van onderzoeksinstituut seo kleurt Hoogezand-Sappemeer steevast donkerrood.

Hoewel het personeelsbestand bij de aluminiumfabriek van Hydro gestaag groeide, neemt het aantal banen in de regio af. Glasvezelproducent neg, waarvan het moederbedrijf in Japan zit, kondigde vorig jaar aan dat 142 van de 380 arbeidsplaatsen zullen verdwijnen. Met het dichtdraaien van de gaskraan krimpt ook de werkgelegenheid in de Groningse gasindustrie. En op de scheepswerven langs het Winschoterdiep werken tegenwoordig veel arbeiders uit Oost-Europa.

‘Economen stellen vaak dat de groeiende inkomenskloof tussen opleidingsniveaus te wijten is aan globalisering en automatisering’, zegt Herman van de Werfhorst. ‘Sociologen hebben een aanvullende verklaring: opportunity hoarding. Het zijn de theoretisch geschoolde managers die bepalen welke waarde wordt toegedicht aan werkzaamheden en dat is lang niet altijd een afspiegeling van productiviteit. Het is veel meer een machtsproces, een kwestie van kansen naar je toe kunnen trekken. We zijn technische vaardigheden minder gaan waarderen, ten faveure van bestuurlijke vaardigheden.’

Er is nog iets anders aan de hand: juist door de toegenomen kansengelijkheid in het onderwijs is de groep lager opgeleiden homogener geworden. ‘Dat zijn de mensen die echt de cognitieve capaciteiten missen voor een theoretische opleiding’, zegt Van de Werfhorst. ‘Er zijn minder verborgen talenten die aangeboord kunnen worden.’ Dat heeft gevolgen voor de slagkracht van vakbonden, stelt hij. ‘Vroeger kon de arbeidersbeweging gemakkelijker leiders rekruteren uit eigen gelederen, er was altijd wel een kandidaat te vinden die het in zich had te besturen en te organiseren. Dat is nu moeilijker geworden.’

Evelien Tonkens stelt dat doorgeslagen meritocratisering ook het idee van onderlinge solidariteit ondermijnt: ‘Vroeger leefde bij de bovenklasse sterker het idee van noblesse oblige: het feit dat je bevoorrecht bent, brengt verplichtingen met zich mee. Maar als je gelooft dat jouw welvaart volledig te danken is aan je eigen talenten en inspanningen, is het moeilijker om solidariteit op te brengen met de achterblijvers.’

‘Hij heeft soms wat moeite op school.’ Trainer Jordy van Wijk staat langs de zijlijn van het kunstgrasveld van VV Hoogezand en knikt naar een speler die een sprintje trekt, terwijl een teamgenoot met een weerstandsband achter hem hangt. ‘En de jongen die nu op het doel schiet krijgt hulp van Humanitas.’ Hij kan ze zo aanwijzen, de kinderen ‘met een rugzakje’. En daar heb je er in Hoogezand veel van. Dus als de ouders van een kind de contributie of voetbalschoenen niet kunnen betalen, springt de instelling voor maatschappelijke dienstverlening Humanitas bij. Maar eenmaal op het veld tellen dat soort zaken niet, dan draait het erom wat je kunt met een bal.

‘Voor een land is het ontzettend belangrijk om goed beroepsonderwijs te hebben. We moeten de praktisch geschoolden koesteren’

Het gaat er gedisciplineerd aan toe, op deze maandagavond bij de training van het hoogste onder-vijftien-team. Als Van Wijk het woord voert, luisteren de spelers aandachtig naar zijn instructies. Misschien helpt de profcarrière van Van Wijk om extra respect af te dwingen. Hij voetbalde in de jeugd van AZ en daarna drie seizoenen in de eerste divisie met Stormvogels Telstar. Zo’n twaalf jaar geleden verhuisde hij naar het noorden, omdat zijn vriendin, een geboren en getogen Hoogezander, heimwee begon te krijgen. ‘Hier zijn ze wat stugger dan in het westen’, merkte hij. ‘Ze willen eerst kijken wat voor vlees ze in de kuip hebben.’

Inmiddels is hij helemaal ingeburgerd: Van Wijk weet wat er speelt bij ‘zijn jongens’, al sinds de pupillen heeft hij deze groep onder zijn hoede. Zijn doel is om ze naar het eerste elftal te loodsen. Talent is er zeker: voordat de competitie werd stilgelegd door de pandemie stonden ze ongeslagen bovenaan. Wedstrijden worden er nog steeds niet gespeeld, maar trainen mag weer. Gelukkig maar, want Van Wijk heeft zich tijdens de lockdown zorgen gemaakt om sommige spelers. ‘Je weet dat ze niet altijd de makkelijkste thuissituatie hebben. Dan vallen voetbal en school ook nog weg. Ik appte af en toe om te checken of alles in orde was.’

Zulke zorgen had Bert Biemolt niet. ‘Humanitas? Nee, daar heb ik nog nooit mee te maken gehad. Als er jongens waren met zulke problemen, dan had ik dat zeker geweten.’ Biemolt zit in de kantine van VV Haren, de club waarvoor hij zeventien jaar in het eerste voetbalde en waar hij nu actief is als manusje-van-alles. VV Haren, opgericht in 1935, is ‘een plek waar iedereen welkom is’, zegt Biemolt. De club deelt het moderne sportcomplex met concurrent VV Gorecht. ‘Tot voor kort trainde FC Groningen hier tijdens de seizoensvoorbereiding’, zegt Biemolt. ‘We hebben onder meer het Spaanse Getafe op bezoek gehad voor een oefenwedstrijd.’

Op het trainingsveld moet Biemolt zijn best doen de dollende pubers bij de les te houden. Tijdens de pass-oefening vliegt er regelmatig een balletje uit koers. ‘We willen een laagdrempelige club zijn’, zegt Biemolt. ‘Het gaat er hier allemaal wat gemoedelijker aan toe dan in Hoogezand.’ Of zoals staat geschreven op de kleurrijke muur onder het cafetarialoket: ‘Plezier moet, scoren mag’. Een voetbalclub is de plek waar alle lagen van de bevolking samenkomen en dat is bij VV Haren niet anders. Al zijn er hier in vergelijking met VV Hoogezand meer spelers die voorbestemd lijken voor de universiteit, want een voetbalclub is ook een afspiegeling van de thuisplaats. En in Haren stroomde vorig jaar bijna driekwart van de groep-acht-leerlingen door naar de havo of het vwo. In Hoogezand was dat slechts 35 procent en ging veertig procent naar het speciaal of praktisch onderwijs.

De op omvallen staande boekhandel Boomker In Haren werd gered door zo’n honderd klanten die in no time 225.000 euro inzamelden

Op zo’n driehonderd meter van VV Hoogezand zijn in jongerencentrum A-Movement net niet te veel jongeren binnen om de coronaregels te breken. Terwijl buiten de regen met bakken uit de lucht valt, wordt op deze dinsdagmiddag een potje pool gespeeld, is een groepje aan het gamen, wordt de keuken in gereedheid gebracht voor een kookles en zitten her en der jongeren half onderuitgezakt met elkaar te kletsen.

‘Wij geven wel even een rondleiding’, zegt de dertienjarige Jennyfer. Samen met Thijs (15) en Larissa (18) laat ze eerst de kantoren van de jongerenwerkers zien, dan de ruimte waar een-op-eengesprekken worden gevoerd om vervolgens naar boven te gaan. Terwijl hij een deur ophoudt, zegt Thijs: ‘Dit is de ruimte die het meest gebruikt wordt.’ Het is een muziekstudio, die nu toevallig leeg is. ‘Dat is uitzonderlijk. Er worden elke dag nummers opgenomen, en dan met name rap. Sommigen zijn echt goed.’

Larissa kwam drie jaar geleden bij het jongerencentrum terecht via het Social Team. Omdat ze op school werd gepest en bedreigd, durfde ze anderhalf jaar lang de deur niet meer uit zonder haar ouders. Ze ging niet meer naar school, had geen contact met leeftijdsgenoten en was ‘erg eenzaam’. Ze liep bij ‘alle instanties’, tot ze werd gewezen op het jongerencentrum. En hoewel ze in het begin schroom voelde om hier te komen en de momenten uitzocht dat het er rustig was, hoort ze er nu helemaal bij en is ze hier zeer regelmatig. ‘Onlangs heb ik nog geholpen om een dag te organiseren voor kleine kinderen. Dat vind ik leuk om te doen.’ Ze is zelfs weer aan een mbo-opleiding begonnen en gaat het laatste jaar in van assistent dienstverlener en zorg niveau 1. ‘De school is in Veendam, met kleine klassen, dus dat gaat nog net. In Hoogezand durf ik nog steeds niet naar school.’

Deze jongeren zijn qua afkomst een goede afspiegeling van het multiculturele Hoogezand, zegt Patrick Folgerts. In de zeven jaar dat hij hier nu werkt als jongerenwerker, heeft hij veel verschillende tieners voorbij zien komen. ‘Er zijn hier veel sociaal-economische problemen en alles wat daarbij komt kijken.’ Veel jongeren kunnen aan de problemen thuis ontsnappen door naar het jongerencentrum te gaan, dus maakten ze zich bij A-Movement extra zorgen toen de deuren dicht moesten vanwege corona. ‘Er is al niet veel te doen in Hoogezand en tijdens de lockdown was het helemaal erg’, zegt Larissa.

Het zijn vooral de kinderen uit ‘kansarme milieus’ die harder werden getroffen door de coronacrisis, waarschuwde de Onderwijsraad vorig jaar in het rapport Vooruitzien voor jonge generaties. ‘Kinderen met hoogopgeleide ouders krijgen thuis meestal veel ondersteuning en stimulans’, schrijft de raad, terwijl ‘laagopgeleide ouders vaak minder goed in staat zijn hun kinderen te helpen bij schoolwerk. (…) In hun thuissituatie ontbreekt sociaal-cultureel kapitaal, een rijke taalomgeving of intellectuele uitdaging.’ Het kan verklaren waarom de deelname aan afstandsonderwijs in het praktijkonderwijs en op het vmbo lager was dan op de havo en het vwo.

‘Laagopgeleiden zijn doorgaans kwetsbaarder’, zegt Herman van de Werfhorst. ‘Dat zie je tijdens de coronacrisis ook. Het zijn de uitzendkrachten die als eersten hun baan verliezen en waar universitaire studenten vrij gemakkelijk thuisonderwijs kunnen volgen, lopen veel mbo’ers vertraging op doordat hun stages in keukens of bij fabrieken wegvallen. Vooral niveau 1 en 2 hebben daar veel last van gehad. Terwijl het voor een land ontzettend belangrijk is om goed beroepsonderwijs te hebben. We moeten de praktisch geschoolden koesteren.’

Evelien Tonkens is daarom voorstander van een basisbaan voor de mensen die nu geen kansen hebben op een stabiele betrekking. ‘Er is voor hen best veel werk te doen. Je zou kunnen denken aan een assistent-conciërge, mensen die assisteren in het onderwijs of bij veiligheid, of die openbare ruimtes mooier maken. Behalve de overheid is er alleen geen partij die daarvoor zou willen betalen.’

Volgens Tonkens moeten we uiteindelijk toe naar een samenleving waarin iedereen toegang heeft tot bronnen van zelfrespect. In die respectmaatschappij draait het niet alleen om cognitieve vaardigheden en een hoge Cito-score, maar wordt ook gekeken naar bijvoorbeeld praktische, kunstzinnige en sociale vaardigheden. ‘Natuurlijk komen mensen verschillend terecht, en dat is maar goed ook’, zegt Tonkens. ‘Want we hebben verschillende mensen nodig. Maar ze moeten daar geen gevoelens van vernedering en achterstelling aan overhouden.’

‘Ik wil automonteur worden’, zegt Jennyfer vanaf een tafel in het jongerencentrum. Ze kwam een jaar geleden binnen via Humanitas, omdat ze een jonge mantelzorger is voor haar moeder die last heeft van een buikwandpijnsyndroom. En terwijl iedereen haar met enig ongeloof aankijkt, haalt ze haar schouders op. ‘Ja, net als mijn vader. Als er een auto stuk is, mag ik soms al helpen. Dat vind ik echt leuk en wil ik later ook doen.’

De jongeren denken er niet aan te verhuizen uit Hoogezand, of het moet voor een opleiding zijn. Naar Haren? Nee, dat is echt een kakkerdorp, vindt Thijs. En Larissa zegt: ‘Wat moet ik in Haren? Daar kom ik alleen langs als ik naar het ziekenhuis moet.’

De terminologie

‘Eigenlijk begint het al met de terminologie’, zegt hoogleraar burgerschap Evelien Tonkens, ‘door het te hebben over hoog- en laagopgeleid breng je een hiërarchie aan.’ Daar ontkomen wij in dit artikel ook niet aan. Omdat we ons baseren op cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, nemen we hun categorisering van opleidingsniveaus over. Onder laagopgeleiden vallen mensen met als hoogst afgeronde opleiding het basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo, of mbo-1. Middelbaar omvat de bovenbouw van havo/vwo en mbo-2 t/m 4. Hoogopgeleiden zijn mensen met een hbo- of wo-diploma. Als alternatief gebruiken we af en toe het onderscheid tussen praktisch en theoretisch geschoolden. ‘Dat vind ik op zich mooie termen, maar die tweedeling is ook niet perfect’, zegt onderwijssocioloog Herman van de Werfhorst. ‘Want hoe praktisch geschoold is iemand die alleen vmbo-tl heeft afgerond? Ik geloof ook niet dat het gebruik van de taal een oorzaak is van het probleem. Het is eerder een gevolg.’