De nieuwe strijd om de sekseverschillen

In het brein van het kind (m/v)

Verschillen tussen jongens en meisjes zijn veel kleiner dan wordt aangenomen. Volgens neurowetenschapper Lise Eliot zijn onderzoeken die wijzen op aangeboren verschillen ‘geplukt van onderzoek op knaagdieren’.

NA DE GEBOORTE van hun kinderen komen de meeste ouders tot de conclusie dat verschillen tussen jongens en meisjes aangeboren zijn. Jongens lijken simpelweg te zijn geprogrammeerd om te rennen, te vechten en met autootjes te spelen en meisjes willen nu eenmaal kleuren en poppen verzorgen. Progressieve ouders in het bijzonder zijn er in de regel van overtuigd dat zij hun kinderen zonder stereotypen opvoeden en hun de gelegenheid geven om zich in alle richtingen te ontplooien. ‘We hebben onze dochter zelfs een auto voor Sinterklaas gegeven!’ roepen ze uit, 'maar die ging ze toedekken en flesjes geven.’ Iedereen heeft wel een dergelijk hilarisch verhaal dat als bewijs dient van wat we eigenlijk wel wisten: het is allemaal biologie.
In de jaren zeventig probeerden feministes zich te verzetten tegen stereotypen in de opvoeding door meisjes naar timmerles te sturen en jongens naar ballet, maar inmiddels wordt er lacherig gedaan over dergelijke pogingen om de 'natuur te veranderen’. Mannen en vrouwen zijn verschillend, en dat vinden we leuk. Het is sexy om anders te zijn, romantischer dan hetzelfde in elk geval. Grappen over vrouwen die niet kunnen inparkeren en mannen die niets in de ijskast kunnen vinden - we krijgen er geen genoeg van. Geen wonder dat de boeken van John Gray over mannen die van Mars en vrouwen die van Venus komen zo goed verkopen.
De Britse psycholoog Simon Baron-Cohen is van dezelfde school als Gray en vertelt in zijn boek The Essential Difference: The Truth about the Male and Female Brain (2003) over de 'hersenscans die zijn huwelijk redden’. Op die scans zag hij hoe verschillend de hersenen van mannen en vrouwen zijn en dit inzicht bracht zijn vrouw en hem nader tot elkaar. Susan Pinker valt eveneens terug op de biologie als ze in haar boek De sekseparadox (2008) uitlegt waarom vrouwen nu eenmaal liever deeltijd werken: omdat ze van nature uitstekende multitaskers zijn. En neurowetenschapper Louann Brizzendine beschrijft in haar wereldwijde bestseller De vrouwelijke hersenen (2010) hoe het brein van mannen er van meet af aan op is ingesteld om problemen op te lossen en dat van vrouwen om gevoelens van anderen te herkennen.
Al deze boeken propageren een soort bevrijdingsideologie. De redenering gaat als volgt: het is misschien niet politiek correct om te zeggen, maar vrouwen hebben lang genoeg 'geleden’ onder de verplichting om dezelfde keuzes te maken als mannen. Daarmee wordt nu eindelijk korte metten gemaakt door de dappere ridders van de biologie, die simpelweg 'de feiten’ op tafel leggen. Uiteraard is de redenering niet helemaal zuiver, want de meeste mensen zijn het intuïtief al lang met de schrijvers eens. Er wordt dus grotendeels een schijngevecht geleverd met de 'politiek correcten’.
Daarnaast wordt de 'vrouwelijke manier’ vaak de hemel in geprezen, waardoor de schrijvers immuun lijken te worden voor welke beschuldiging van seksisme dan ook. De hele samenleving zou de 'vrouwelijke manier’ volgens hen juist recht moeten doen en ervan moeten leren. Met als gevolg dat het plotseling niet raar meer is om te zeggen dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat of zelfs de maatschappij aan het 'feminiseren’ is.

LISE ELIOT ERGERDE zich mateloos aan dergelijke boeken en hun in haar ogen 'ongefundeerde wetenschappelijke claims’, vertelt ze aan de telefoon. Ze is neurowetenschapper aan de Chicago Medical School van de Rosalind Franklin University of Medicine and Science en schreef vorig jaar het boek Pink Brain, Blue Brain. Hiervoor bestudeerde ze al het aanwezige onderzoek over sekseverschillen en ze vroeg zich af of de juiste conclusies zijn getrokken. Haar onderzoek nam meer dan vijf jaar in beslag, is zeer grondig en werd goed ontvangen, in het bijzonder in de wetenschappelijke wereld. Eliot zet zich af tegen schrijvers als Brizzendine en de inmiddels vrijwel algemeen aanvaarde dichotomie tussen Mars en Venus. 'Brizzendine’s boeken zien er zo verantwoord uit, maar het is gewoon slechte wetenschap. Dat was voor mij als neurowetenschapper zo frustrerend: om te weten dat iemand als Brizzendine mensen over de hele wereld enorm beïnvloedt’, aldus Eliot.
Eliot concludeerde dat de verschillen tussen jongens en meisjes veel kleiner zijn dan algemeen wordt aangenomen en in elk geval veel kleiner dan de verschillen tussen individuen onderling. 'Mannen komen van South-Dakota, vrouwen van North-Dakota’, zou een juistere typering zijn van het verschil dan de gebruikelijke Mars-Venus-tegenstelling, schrijft ze.
Haar belangrijkste bezwaar is dat er geen aandacht wordt besteed aan het begrip 'plasticiteit’, waarmee wordt bedoeld dat de hersenen veranderen na elke persoonlijke ervaring. De plasticiteit van de hersenen is het grootst in de kindertijd, wanneer kinderen zich allerlei kennis en vaardigheden eigen maken. Eliot ontdekte dat veel neurowetenschappelijk onderzoek naar sekseverschillen gaat over volwassen mannen en vrouwen en niet over kinderen, en dat de conclusies over volwassenen meestal kritiekloos worden doorgetrokken naar kinderen. Het feit dat volwassen mannen en vrouwen verschillende hersenen hebben, betekent echter niet dat deze verschillen per definitie zijn aangeboren. Jongens en meisjes groeien immers eveneens op in verschillende culturen: een jongens- en een meisjescultuur. Eliot vergelijkt het met het ondergedompeld worden in een taal. Een taal die je vanaf de geboorte leert spreken zal je altijd gemakkelijker afgaan dan een taal die je later moet leren. Volwassenen die op latere leeftijd een taal leren, gebruiken een ander deel van de hersenen dan kinderen, waardoor ze de taal nooit zo vloeiend zullen leren spreken.
De jongens- en meisjescultuur zitten uiteraard ingebakken in de media, reclames en de speelgoedindustrie die jongens en meisjes netjes leiden naar hun 'eigen’ voorkeuren en consumptieartikelen. Maar ook de meest vooruitstrevende ouders doen hier onbewust aan mee en behandelen jongens anders dan meisjes. Zo beschrijft Eliot een onderzoek van baby’s die een helling af kropen waarbij de ouders werd gevraagd om in te schatten hoe steil de helling zou zijn die hun baby nog af zou durven kruipen. Hoewel uit het onderzoek bleek dat er geen aangeboren verschil was tussen jongens en meisjes, en meisjesbaby’s in dit onderzoek zelfs van iets steilere hellingen af durfden dan jongensbaby’s, onderschatten ouders de moed van de meisjesbaby’s gemiddeld met een hoek van negen graden. Terwijl ze zelf niet het idee hadden dat ze de jongens- en de meisjesbaby’s anders behandelden. Ouders van meisjes zouden dit gegeven volgens Eliot kunnen gebruiken om hun dochters bewust fysiek te stimuleren in plaats van ze onbewust in te tomen. Immers: de ervaring van fysieke activiteit wordt opgeslagen in de hersenen, 'eigen gemaakt’, en daarmee onderdeel van het scala aan vaardigheden dat het kind later in zijn leven tot zijn beschikking heeft. In de praktijk gebeurt echter juist het omgekeerde. Het stereotiepe beeld van jongens die nu eenmaal meer willen bewegen wordt bevestigd en tegen de tijd dat ze volwassen zijn is het een self-fulfilling prophecy geworden.
In een ander onderzoek werd volwassenen het verkeerde geslacht van een sekseneutraal geklede baby ingefluisterd. Deze volwassenen beschreven de jongens (dus eigenlijk de meisjes) vaker als boos of gestresst en de meisjes (eigenlijk de jongens) vaker als gelukkig en sociaal. Talloze van dergelijke onderzoeken tonen aan hoe we als volwassenen maar moeilijk afstand kunnen doen van onze eigen stereotiepe beelden van jongens en meisjes.
Eliot kiest frontaal de aanval als ze het wetenschappelijk onderzoek op dit terrein beschrijft als 'cherry picking’, 'schaamteloos onjuist’ of 'geplukt van onderzoek op knaag-dieren zonder dat de resultaten ooit zijn bevestigd in mensen’. Ze ontkent niet dat er enkele aangeboren verschillen tussen jongens en meisjes zijn: 'Deze verschillen zijn klein bij de geboorte, maar groeien significant tijdens de jeugd.’
Zo zijn meisjes inderdaad iets meer empathisch dan jongens. De kans is groot dat dit verschil kan worden verklaard doordat meisjes in het algemeen sneller uitgroeien dan jongens en dat jongens dus simpelweg nog 'achterlopen’ als het onderzoek wordt gedaan. 'Een paar weken verschil in neurologische rijping - niet bepaald iets om je opvoedingsstrategie op aan te passen’, aldus Eliot. Brizzendine schrijft hierover echter in De vrouwelijke hersenen: 'Iedereen die jongens en meisjes heeft zien opgroeien kan zien dat ze zich verschillend ontwikkelen, vooral dat babymeisjes op zoek gaan naar emotioneel contact terwijl babyjongens dit niet doen.’ Eliot legt de cijfers ernaast en concludeert dat dit niet alleen onjuist is, maar eveneens hoe subversief een dergelijke stelling is: 'Stel je voor dat ouders van een pasgeboren babyjongen verwachten dat ze niet emotioneel kunnen “bonden” met hun zoon! Jongens krijgen zo geen kans.’

DE AUSTRALISCHE PSYCHOLOGE Cordelia Fine gaat nog een stap verder dan Eliot en gelooft dat in feite alle verschillen tussen de seksen worden veroorzaakt door de omgeving. Haar boek Delusions of Gender (2010) kreeg nog meer aandacht dan dat van Eliot en komt in april in Nederland uit onder de titel Waarom we allemaal van Mars komen (Lannoo). Fine bespreekt in haar boek talloze onderzoeken naar de werking van 'stereotiepe dreiging’ en laat zien dat bij elk willekeurig sekseverschil het wegnemen van de stereotiepe dreiging leidt tot volledig andere resultaten: 'Het is een soort magie: je neemt de stereotiepe dreiging weg, en “poef”, het sekseverschil is verdwenen.’
Zo bespreekt ze de mentale rotatietest, waarbij wordt gevraagd om objecten in de ruimte te draaien en uit te vinden welke objecten hetzelfde zijn. Een standaardtest voor ruimtelijk inzicht, en het 'pièce de résistance van de sekseverschillen’, aldus Fine, omdat mannen er systematisch beter op scoren dan vrouwen. Nu echter werd de sociale context dusdanig gemanipuleerd dat het de instelling veranderde van degene die de test uitvoerde. In het ene geval werd de proefpersonen verteld dat deze test gelinkt was aan succes in 'vliegtuig-mechanica, nucleaire engineering, navigatie’. De mannen scoorden veruit het best. In het andere geval werd verteld dat de test een marker was voor succes in 'kledingontwerp, interieurdesign, decoratief en creatief haken, naaien en breien, bloemschikken’. De laatste omschrijving haalde de mannelijke scores significant omlaag.
In een ander onderzoek werd een wiskundetest gedaan, waarbij vrouwen van tevoren werd verteld dat mannen en vrouwen in het algemeen even goed scoren op deze test. De vrouwen bleken significant betere scores te halen dan wanneer ze deze informatie niet vooraf hadden gekregen. 'Het wegnemen van de wolk van de “stereotiepe dreiging” ontlokt dus wiskundig potentieel in vrouwen’, aldus Fine.
Fine legt uit dat beelden die andere mensen van je hebben kunnen doordringen in het eigen zelfconcept. Of liever: de beelden die je denkt dat anderen van je hebben. Psychologe aan Princeton University Stacey Sinclair toonde bijvoorbeeld in een serie experimenten aan dat mensen hun zelfevaluaties 'sociaal afstemmen’ op het beeld dat anderen van hen hebben. Zo werd een groep vrouwen verteld dat zij wat tijd gingen doorbrengen met een 'charmante seksist’ (geen vrouwenhater, maar iemand die vindt dat vrouwen moeten worden 'gekoesterd en beschermd’). De vrouwen veranderden vervolgens hun zelfbeeld in dat van een meer feminiene vrouw om beter afgestemd te zijn op de traditionele visie van de charmante seksist. Ze deden dit significant meer dan een controlegroep die zich voorbereidde op een ontmoeting met een man met een moderner idee van vrouwen.
Interessant is dat dit sociaal afstemmen alleen gebeurt als er een motivatie bestaat voor een goede relatie. 'Nabije personen of mensen met macht in iemands leven zullen dus vooral functioneren als spiegels waardoor je je eigen kwaliteiten ziet’, schrijft Fine. Niet alleen verandert het zelfbeeld door sociaal afstemmen, ook het gedrag zelf verandert. De vrouwen in het onderzoek van Sinclair gingen zich dus ook daadwerkelijk meer stereotiep vrouwelijk gedragen toen ze de charmante seksist eenmaal ontmoetten. Volgens Fine toont dit aan hoe makkelijk de hersenen en daardoor ook het gedrag zich laten vormen door de sociaal-culturele context waarin we opereren.
Auteurs als Brizzendine en Gray hebben vooralsnog niet willen reageren op de baanbrekende boeken van Eliot en Fine. 'Dat hoeft iemand als Brizzendine ook niet; die verkoopt zo al genoeg boeken’, zegt Eliot. Psycholoog Simon Baron-Cohen schreef echter wel een recensie over Delusions of Gender in het Britse tijdschrift The Psychologist. Hierin verzette hij zich tegen de 'strijdlustige en extreme ontkenning van alle biologische sekseverschillen’. Hij wordt niet overtuigd door de door Fine genoemde onderzoeken die volgens hem 'gezond-verstand-demonstraties’ zijn van het feit dat 'vertrouwen en verwachtingen prestaties beïnvloeden’. Hij bekritiseert het introduceren van sociale manipulaties, zoals het vertellen dat mannen en vrouwen even goed op een test scoren, terwijl dit niet waar is. 'Dat zijn vormen van interventies, en we moeten niet ten prooi vallen aan de oude fout om aan te nemen dat de afwezigheid van de behandeling de reden voor de ziekte is. Aspirine kan hoofdpijn doen verdwijnen, maar dat betekent niet dat de hoofdpijn werd veroorzaakt door de afwezigheid van aspirine.’
In Fine’s weerwoord in hetzelfde tijdschrift stelde ze dat het opvallend is dat de opmerking dat mannen en vrouwen even goed scoren op een test moet worden gezien als een 'interventie’, omdat het prestaties en interesses significant beïnvloedt, terwijl de stereotiepe beelden van mannen en vrouwen die diep zijn ingebed in onze cultuur volgens Baron-Cohen blijkbaar geen sporen achterlaten in de hersenen.

ELIOT GAAT niet in alles met Fine mee. Zo denkt ze dat er wel degelijk een duidelijk verband is aangetoond tussen foetaal testosteron en bepaalde mannelijke karaktereigenschappen (zoals voorkeur voor spelen met trucks en ballen) en dat dit moeilijk kan worden geweten aan de omgeving. Ze verwijst naar onderzoek onder meisjes met cah (Congenital Adrenal Hyperplasia, een afwijking waarbij een meisjesfoetus wordt blootgesteld aan ongebruikelijk hoge niveaus testosteron in de baarmoeder) waaruit blijkt dat deze meisjes wel duidelijk meer zijn aangetrokken tot 'jongensspeelgoed’. Fine meent dat ook hier de rol van de omgeving het belangrijkst is, maar volgens Eliot 'is daar gewoon geen bewijs voor’. De ervaring bij cah-meisjes is volgens haar juist dat ouders eerder proberen om hen meer meisjesachtig op te voeden dan andersom. Maar het feit dat bepaalde sekseverschillen wel zijn aangeboren, betekent natuurlijk niet dat je vervolgens niets meer kunt doen aan het sturen van de ontwikkeling.
Carol Martin en collega Fabin Gabes zijn co-directeuren van het Sanford Harmony Program, een particulier ondersteund onderzoeksinitiatief dat als doel heeft om de manier waarop jongens en meisjes over elkaar denken en elkaar behandelen in de klas, de speeltuin en daarbuiten, te verbeteren. Op basis van urenlange observaties van de kinderen proberen de onderzoekers bewust om spelen tussen kinderen van verschillende seksen te stimuleren.
Martin is ervan overtuigd dat zelf-segregatie van jongens en meisjes, net zoals de speelgoedvoorkeur, iets is wat is aangeboren. 'We zien dit fenomeen terug in vrijwel alle culturen en ook in sommige dieren, wat meestal de reden is dat we aannemen dat het aangeboren is’, schrijft hij in een e-mail. Meestal beginnen de meisjes zich af te zonderen vanaf een jaar of tweeënhalf. Kort daarna volgen de jongens, die vervolgens vaak nog strikter worden dan de meisjes. Tegen de tijd dat kinderen zes jaar zijn, spelen ze vrijwel uitsluitend nog met kinderen van de eigen sekse. Vriendschappen met kinderen van de andere sekse bestaan dan nog wel, maar gaan meestal 'ondergronds’, legt Gabes uit.
Hoewel de neiging dus waarschijnlijk is aangeboren, is dit nog geen goede verklaring voor het feit dat het gedrag steeds sterker wordt in de jeugd en zelfs aanhoudt onder volwassenen. Zo blijkt dat kinderen eerder met kinderen van de andere sekse zullen spelen en zelfs met speelgoed van de andere sekse wanneer ze denken alleen te zijn en onbespied door volwassenen. Hierin is een duidelijk element te zien van sociale druk van de omgeving. Martin en Gabes proberen geen jaren-zeventigstijl sekseneutraliteit te bewerkstelligen, maar ze willen stimuleren dat kinderen zich zo breed mogelijk ontwikkelen en daarbij speelt het spelen met de andere sekse een belangrijke rol. Eliot concludeerde al dat de verschillen tussen kinderen van dezelfde sekse onderling veel groter zijn dan de verschillen tussen jongens en meisjes in het algemeen.
In het Sanford Harmony Program wordt gepoogd de grote overeenkomsten tussen jongens en meisjes te benadrukken in plaats van de kleine verschillen. Hierdoor zullen zowel de jongens als de meisjes zich veel breder kunnen ontwikkelen, denkt Gabes. Uitsluitend gescheiden peergroepen bevestigen stereotypen en dat verandert de hersenen en bemoeilijkt communicatie tussen de seksen. Uiteindelijk heeft dit verstrekkende consequenties. Gabes: 'Dit is een kwestie van nationale gezondheid. Onze hoge echtscheidingscijfers hebben deels te maken met een gebrekkig vermogen tot communicatie tussen mannen en vrouwen.’ Jonge kinderen die vrienden hebben van de andere sekse blijken bijvoorbeeld een meer positieve overgang te hebben naar de puberteit en onderhouden hun romantische relaties beter. Gabes ziet hun initiatief dan ook in veel opzichten als een soort 'vaccinatieprogramma’: 'We vaccineren kinderen vroeg in de ontwikkeling tegen de verschillende geestelijke gezondheidsrisico’s die te maken hebben met slechte man-vrouwrelaties.’
Mensen als Fine, Eliot, Martin en Gabes werpen belangrijk nieuw licht op de wetenschap en de sociale consequenties van sekse-verschillen en tonen aan dat ouders, scholen en de maatschappij veel meer kunnen doen dan bij de 'biologische’ pakken te gaan neerzitten, de bestaande stereotypen verder uit te diepen en de segregatie van jongens en meisjes te faciliteren. Dit alles zorgt ervoor dat op dit moment zowel jongens als meisjes te kort worden gedaan. Net zoals het mogelijk is dat kinderen tweetalig kunnen worden opgevoed en daardoor vloeiend beide talen kunnen spreken, zo is het ook mogelijk om te compenseren voor de kleine verschillen en kinderen vloeiend te laten zijn in zowel een 'meisjestaal’ als een 'jongenstaal’. Uiteraard is de buitenwereld met het bombardement van stereotiepe beelden niet direct buiten de deur te houden, maar in elk geval kunnen ouders en leraren zich bewust worden van hun eigen gedrag. Door die bewustwording kunnen ze misschien besluiten juist meer aandacht te besteden aan het praten over gevoelens met dat schuchtere jongetje. Stimuleren dat hij eens met dat leuke meisje speelt, al was het maar 'ondergronds’. En die timmerles voor meisjes uit de jaren zeventig: dat was wellicht nog niet eens zo'n slecht idee.