Dubbel fiasco: Paul Wolfowitz en de Wereldbank

In het eigen mes

De dagen lijken geteld voor de man die van president Bush de bijnaam ‘Wolfie’ kreeg. Zijn gezag wankelt, net als dat van zijn instelling.

In de jaren negentig zag het er allemaal zo anders uit. Het grote experiment van de centraal geleide economie was door de hoeven gezakt. Daardoor kwam er ruimte voor imf en Wereldbank, ’s werelds meest roemruchte internationaal georganiseerde publiek-private samenwerkingsverbanden, om de gehele Derde Wereld eens stevig onder handen te nemen. Het devies was helder: privatiseren, liberaliseren en monetair stabiliseren. Het beeld dat critici – en een spijtoptant als Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz – van die jaren schetsten, laat zelfverzekerde woestelingen zien die, in krijtstreep, de wereld rondreizen met telkens dezelfde hamer in de hand. Alles wat zij tegenkwamen leek op een spijker die op de kop moest worden geslagen. Vooral onder president Clinton schaarde ook het Witte Huis zich enthousiast achter beide instellingen. Omdat de hoofdkantoren even verderop in de straat liggen, werd trots gesproken van een ‘Washington-consensus’.

Maar de resultaten van die Washington-consensus vielen tegen. Juist de landen waarover beide instellingen zich actief ontfermden bleven qua welvaartsgroei achter bij landen die zich slechts schoorvoetend en voorzichtig inlieten met leningen, raad en advies van imf en Wereldbank. Na enkele diepe crises besloten grote economieën als Argentinië en Brazilië om hun schulden aan het imf versneld af te betalen. Niet omdat de rentelasten zo hoog waren, maar om af te zijn van de voorwaarden en voortdurende bemoeienissen uit Washington. Aziatische landen bouwden op hun beurt enorme financiële reserves op om niet meer afhankelijk te zijn van het mondiale monetaire fonds. En op 1 mei van dit jaar maakte de president van Venezuela, Hugo Chávez, met veel bombarie bekend zich volledig terug te trekken uit zowel imf als Wereldbank. Een week daarvoor had hij in één keer de 3,3 miljard schuld aan het imf afbetaald.

‘El presidente’ Chávez kletst niet uit zijn nek als hij brult dat het imf ‘zelfs de salarissen van de eigen mensen niet meer kan betalen’, zoals hij afgelopen week deed. Als landen niet meer aankloppen bij het fonds kan dit een indicatie zijn van een gezonde wereldeconomie, maar het betekent tegelijk dat het niet goed gaat met het imf. Met de schaarse leningen die nog uitstaan genereert het fonds niet genoeg inkomsten om de vaste lasten van rond de 750 miljoen euro te betalen.

Twee weken geleden was ook de Wereldbank aan de beurt. Ecuador zette haar vertegenwoordiger het land uit omdat die ‘de regering chanteerde’. Een eerder toegezegde lening van zo’n honderd miljoen dollar ging niet door omdat president Rafael Correa van Ecuador bepaalde dat een groter deel van ’s lands olieopbrengsten naar eigen, sociale projecten moest gaan dan aanvankelijk was afgesproken. Chantage klinkt anders dan ‘conditionele hulp’, een zonde in de ogen van Correa waar geen westers land ooit serieus bezwaar tegen heeft gemaakt. Sterker, de antiglobalisten vroegen van de bank juist om meer eisen te stellen aan het verstrekken van leningen, vooral op het gebied van natuurbescherming.

Tragisch is dat de openlijke rebellie pas komt nadat de put al grotendeels is gedempt. De Wereldbank is niet meer de zelfverzekerde instelling van tien of vijftien jaar geleden, vol ‘marktfundamentalisten’ (een woord van Stiglitz) die iedere regering dwingen de collectieve sector in één vingerknip de nek om te draaien.

Tegelijk is de huidige tegenbeweging begrijpelijk, want de ommekeer kwam laat. Te laat. Een topeconoom bij de bank, de Nederlander Willem van Eeghen, die er al twintig jaar werkt, vertelde vorig jaar in de lobby van het hoofdkantoor aan Pennsylvania Avenue: ‘Natuurlijk is de macht die je als Wereldbank-econoom hebt soms verleidelijk.’ Hij reageerde daarmee op de kritiek van veel andersglobalisten – ‘globofoben’ in het jargon van de Wereldbank-medewerkers – dat de bank de facto de complete huishouding van soevereine staten overneemt, zonder democratische legitimatie. Van Eeghen was niet onder de indruk, maar hij gaf toe dat er soms ‘ongezonde situaties’ ontstonden: ‘Ik had Madagaskar, de Seychellen, Mauritius en de Comoren in mijn pakket. Vooral de president van Madagaskar toonde zich jarenlang bijzonder dankbaar voor onze adviezen en hulp. Begrijpelijk, want de capaciteit van zijn eigen overheid stelde weinig voor. Hij vroeg ons advies over van alles en nog wat. Zo heeft hij mij wel eens gebeld met de vraag of hij zijn minister van Economische Zaken moest ontslaan. Als ik ja zei, deed hij dat. Of hij stuurde ’s morgens een speech per fax en vroeg of een medewerker van mij daar even overheen wilde gaan.’

Onder Wolfowitz’ voorganger Wolfensohn – een Amerikaanse cabaretier suggereerde dat Bush bij een opvolger gewoon het alfabet afging – kwam een einde aan de grootste arrogantie van Wereldbank-economen. Het begrip ‘ownership’ deed opgang: een land moest de capaciteit opbouwen om ontwikkelingen zelf over te nemen. Bovendien had Wolfensohn veel critici binnen de organisatie. En hij begon corruptiebestrijding meer aandacht te geven.

Wolfowitz maakte direct bij zijn aantreden duidelijk dat hij, de neocon, vooral die nadruk op corruptie wilde vergroten. Ook binnen de bank. Juist daarom is de huidige affaire zo pijnlijk. Centraal daarin staan zijn bemoeienissen met de nieuwe baan van zijn vriendin. Voor de goede orde: neoconservatisme is een theorie over macht, niet over christelijke moraal of liefde zonder trouwring. Volgens de regels van de Wereldbank moest de Arabische feministe wijken bij het aantreden van haar vriend. Vervolgens zou Wolfowitz, al dan niet met toestemming van de ethische commissie, zelf een baan voor haar hebben geregeld buiten de bank, en tevens een aanzienlijke salarisverhoging.

Het was niet de eerste keer dat Wolfowitz van vriendjespolitiek werd beschuldigd. Direct bij zijn aantreden nam hij enkele getrouwen met zich mee. Een daarvan was zijn jarenlange politiek adviseur Robin Cleveland, die hij zelfs opnam in de directie. Dat was tot dan toe ongekend. Want al gaat de gewezen hoogleraar Wolfowitz door voor een man met academische prestaties, Cleveland schopte het nooit verder dan een BA, oftewel een ‘undergraduate’-opleiding.

Oud-Wereldbank-econoom Jo Ritzen schreef in zijn boek A Chance for The World Bank (2005) nog trots dat het bij de organisatie ‘nagenoeg onmogelijk is promotie te maken zónder doctorstitel en regelmatige publicaties in academische bladen’. Wolfowitz’ bewering dat Cleveland volgens de geëigende sollicitatierondes was aangenomen, geloofde daarom niemand. ‘Niemand met zo weinig opleiding had ooit tot zo’n positie weten op te klimmen zonder de ongeoorloofde steun van de directeur’, aldus een verontwaardigde Nederlandse bankmedewerker. Het ontging hem en zijn collega’s ook niet dat Cleveland eerder in haar carrière al in opspraak raakte: als medewerker van het Witte Huis probeerde ze haar broer een baan te bezorgen bij het bedrijf Northrop Grumman, waarmee ze gelijktijdig onderhandelingen voerde namens de Amerikaanse regering. Ook de hoogte van Clevelands salaris en haar sociale vaardigheden verbaasden. Kort na haar aantreden noemde Van Eeghen haar al ‘een takkewijf’.

Dit waren kleinigheden geweest als niet juist Wolfowitz van transparantie en anticorruptie zulke grote punten had gemaakt. ‘We have to practice what we preach’, zei hij in zijn eerste dagen als bankpresident. Sindsdien loopt Wolfowitz voortdurend in zijn eigen mes. Toen hij een interne kliklijn instelde om de corruptie binnen de organisatie tegen te gaan, werd de eerste serieuze aanklacht ingediend tegen hemzelf.

Jo Ritzen hoorde enkele maanden later van oud-collega’s dat er onder de nieuwe president een ‘McCarthy-achtige sfeer’ was ontstaan. ‘Vanaf de eerste dag dat hij hier binnentrad was hij bang voor een mes in de rug’, vertelt een Nederlandse juridisch medewerker van de bank. ‘Ik geef hem geen ongelijk. Toen duidelijk werd dat hij de nieuwe directeur zou worden, is er dagen gerouwd en geklaagd. De Wereldbank is in dit opzicht niet anders dan een gewone ontwikkelingsorganisatie: niemand houdt hier van Bush. Laat staan dat ze zijn beruchtste oorlogshitser omarmen. Ik heb tot twintig keer toe via de interne mail het filmpje toegestuurd gekregen waarin je Wolfowitz met droge ogen tegenover de senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken hoort beweren dat de oorlog in Irak de Amerikaanse belastingbetaler niets zal kosten vanwege de hoge toekomstige olie-inkomsten.’

Door die tegenstand onder het personeel kan Wolfowitz bij het ter perse gaan van deze editie van De Groene Amsterdammer nog altijd op de steun van het Witte Huis rekenen. Toch wordt iedere dag dat Wolfowitz nog niet is vertrokken de legitimiteitscrisis van de instelling groter.

Bij zijn benoeming werd in Europese kring en binnen de Amerikaanse Democratische Partij geopperd dat het Witte Huis bewust enkele haviken naar internationale instellingen stuurde waar het toch niet in geloofde, om de macht van die organisaties uit te hollen. Wat Bolton en de VN betreft zou dit de bedoeling geweest kunnen zijn. Niet bij Wolfowitz. Hij benadrukte bij zijn aantreden eindeloos, tot vervelens toe, dat hij volledig achter de missie van de bank stond: armoede bestrijden. En voor Wolfowitz ligt welvaartsvergroting inderdaad in het verlengde van de strijd tegen dictators als Hoessein. Wolfowitz zei zichzelf voortaan zelfs te zien als ‘een internationale ambtenaar’, een woord waar Cheney, Bolton en andere hardliners van walgen.

Maar hij noemde zichzelf ook een ‘pragmatisch idealist’. Bij gebrek aan de eerste brengt hij momenteel de tweede kwalificatie in gevaar. Want Wolfowitz verliest dezer dagen wat hij na de grote mislukking van de Irakoorlog nog had: zijn goede intenties. Door niet op te stappen toont hij dat hij het ideaal uiteindelijk van minder belang acht dan zijn eigen eer.

Of Wolfowitz nu goed of fout is geweest in de zaak-Reza (de ethische commissie van de bank meent: fout), de Wereldbank zakt steeds dieper weg in haar legitimiteitscrisis. Wolfowitz’ halsstarrigheid is een onbedoelde zelfmoordaanslag. Hij neemt vriend en vijand mee de lucht in. Chávez en de zijnen hoefden niet eens de munitie te kopen.