Kunst: Mythe en mythologisering van een kunstinstituut

In het huis van Gisèle

Na de onthulling van misbruik in het verleden hield Castrum Peregrini in 2019 op te bestaan. Onder de naam H401 moet de Amsterdamse culturele instelling met zichzelf in het reine zien te komen.

Gisèle van Waterschoot van der Gracht schildert een zelfportret, 1952 © Henk Hilterman / Spaarnestad

Het huis aan de Herengracht 401 in Amsterdam, op de hoek met de Beulingstraat, kent een geschiedenis die teruggaat tot de zeventiende eeuw. God mag weten wat er door de tijd heen plaatsvond, maar van ten minste één periode weten we het: in januari 1941 nam kunstenares Gisèle van Waterschoot van der Gracht haar intrek op de derde verdieping en in juli 1942 voegde de Duitse dichter Wolfgang Frommel zich bij haar, samen met de joodse onderduikers Adolf Friedrich Wongtschowski, bekend als Buri, en later ook Claus Bock. Tegen het einde van de oorlog bracht Frommel er nog enkele jongens in nood onder.

Ondanks de zware omstandigheden – Gisèle weigerde zich aan te sluiten bij de Kulturkammer, er was sprake van armoe, angst en kou – was de oorlog een tijd die Gisèle koesterde in haar leven. Op driehoog, weg van de oorlog en vrij van pottenkijkers, ontstond tussen de bewoners een innige vriendschap en kwamen vooraanstaande kunstenaars over de vloer, vaak vrienden van Frommel, onder wie Max Beckmann. Er werd gelezen, gedicht en vertaald. Mensenlevens werden gered en de kunst bloeide op.

Frommel bouwde ondertussen aan een fantasiewereld. De symbolistische dichter Stefan George werd door hem vereerd als een heilige en George’s praktijk van ‘pedagogische eros’ gold als mores voor de mannelijke huisgenoten. Jonge mannen konden onder leiding van een oudere vriend gevormd en opgeleid worden en moesten, eenmaal ingewijd, zelf ook een vriend werven. Erotiek maakte deel uit van die vriendschap, maar alleen om het hogere doel te bereiken. De buitenwereld was volgens Frommel volkomen oninteressant en binnen de kring gold een strikte geheimhouding. Onvoorwaardelijke vriendschap en onbegrensde vrijheid, daar ging het om op die etage aan de Herengracht.

De onderduikers overleefden de oorlog en het huis kwam bekend te staan onder de naam Castrum Peregrini, ‘de burcht van de pelgrim’. De vriendschap bleef intact en in de decennia die volgden breidde de kring van Frommel zich uit. De mannen brachten een intellectueel tijdschrift uit, Castrum Peregrini, en runden een gelijknamige uitgeverij die zich richtte op dichtkunst en exil-literatuur. Frommel stierf uiteindelijk in 1986 en twee van de Castrum-mannen bleven tot hun dood bij Gisèle in huis wonen. Zij overleed als laatste, in 2013.

Een nieuwe generatie gooide rond de eeuwwisseling het roer radicaal om. Zij maakte een einde aan de George-verheerlijking, brak met de Castrum-traditie en maakte van de Herengracht 401 een culturele instelling met een publieksprogramma stevig verankerd in de maatschappij. Maar op enig moment speelde de geschiedenis van het huis op. In juli 2017 verscheen in Vrij Nederland een artikel van voormalig Castrum-vriend Frank Ligtvoet. Hij deed een boekje open over de levenslange gevolgen van de pedagogische praktijk van de charismatische Frommel.

Op 6 mei 2019 verscheen toen in opdracht van de Stichting Castrum Peregrini het rapport ‘Misbruik Castrum Peregrini 1942-1986’. De onderzoekscommissie, onder voorzitterschap van oud-rechter Frans Bauduin, stelde vast dat Wolfgang Frommel (1902-1986) en enkele van zijn vrienden misbruik hebben gemaakt van jonge mannen en vrouwen. Zowel onder de vlag van Castrum Peregrini als daarbuiten, zowel aan de Herengracht 401 als op andere locaties. Er was sprake van omgang met minderjarigen, seks in elk geval vanaf de leeftijd van twaalf jaar. Er was de episode met Ahmed, een jongen die op elfjarige leeftijd door Frommel in Marrakesh ‘ontdekt’ werd en in 1960, op twaalfjarige leeftijd, de Herengracht 401 betrad. Maar het rapport ging ook in op de uitwerking van de pedagogische eros daar waar het (jong)volwassenen betrof, mannen en vrouwen wier eigen grenzen bezweken onder Frommels ‘morele overwicht’. Uit het rapport: ‘Daar komt nog bij dat in de beginjaren van Castrum Peregrini het voor de onderduikers niet mogelijk was om zich te onttrekken aan de dwangmatige aspecten van de kring van Wolfgang Frommel.’

Over Gisèle deed het rapport van de onderzoekscommissie geen harde uitspraken. Ze was de spil van Castrum Peregrini, degene die onderdak bood aan Frommel, de onderduikers en de vrienden, en toch ook weer niet, want als vrouw werd ze onherroepelijk buiten de kern van de mannengemeenschap gehouden. Ze moet van misstanden geweten hebben, tenminste in de onderduikperiode, maar haar positie was complex. De commissie maakt de volgende opmerking: ‘Een belangrijk aspect van misbruik is dat het mede kan bestaan bij de gratie van de (directe) omgeving die niet ziet, niet wil zien of niet wil/kan ingrijpen.’

Het heroïsche verhaal van de geschiedenis van Castrum Peregrini lag aan diggelen. Aan de Herengracht 401 waren, zo bleek nu, zowel mensenlevens gered als mensenlevens beschadigd. Hoe hebben goed en kwaad zo dicht bij elkaar kunnen staan?

Glas en kralen, touw en leer, aardewerk en porselein, hout en riet, textiel en veren. Foto’s, portretten, abstracten en reliëfs. Droogbloemen en drijfhout, tot leven gewekt in een tribale sculptuur. Botten en fossielen. Fazanten en kamelen. In het atelier van Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912-2013), die in de loop der jaren het hele pand aan de Herengracht 401 verwierf, is de wereld voorhanden. Zij was kunstenaar, van voornamelijk glas-in-loodwerk en schilderijen, en fervent verzamelaar van alles wat op haar pad kwam, schelpen en stenen en een arsenaal van vrienden. Niets wat ze weggooide, niemand met wie ze gedurende haar lange leven brak.

Op dit moment is het atelier ingericht met een deel van de tentoonstelling Shame! And Masculinity, samengesteld door Ernst van Alphen. De tentoonstelling verbindt schaamte aan mannelijkheid met kunstwerken die naaktheid en seksualiteit verbeelden, maar ook gaan over waardigheid, macht en onmacht. Links en rechts in het atelier staan sculpturen van Hans Hovy, gladde vormen gemaakt van speksteen, albast en ebbenhout verwikkeld in een hoogst sensueel spel. In het midden een opstelling met schilderijen van Ina van Zyl, waaronder een penis die haast een volledig doek beslaat. Enlarged (2017) is geschilderd in de typerende donkere kleuren van Van Zyl, sfeervol en gloomy tegelijk.

In het huis van Gisèle wonen vandaag drie mannen. Frans Damman en Lars Ebert ontvangen me onder een van de schuine glazen wanden van het atelier aan een ronde tafel, een tulband in ons midden. Michael Defuster praat op een laptop mee.

Een Nederlander, een Duitser en een Belg, samen verzorgden zij Gisèle in haar laatste jaren en samen vormen zij nu de directie van Stichting Herengracht 401, bekend als H401. Zij werden de hoeders van Gisèle’s verhaal en, daar onlosmakelijk mee verbonden, dat van Castrum Peregrini.

De geschiedenis zoals zij die leerden kennen was crystal clear. Defuster kwam in 1984 bij Castrum als architectuurstudent in Amsterdam. Hij ontmoette Frommel op zijn sterfbed en hoorde van de oude garde, van onderduiker Claus en van Manuel Goldschmidt, mannen die daar nog altijd woonden, en van Gisèle, het verhaal van de oorlog. Defuster: ‘De joodse geschiedenis en de onderduikperiode waren bepalend voor Castrum Peregrini en dwongen veel respect af. Wij als mensen van een andere generatie, die dat allemaal niet hadden meegemaakt, konden daar niet tegenop.’

Eind jaren negentig kwamen Damman en Ebert stage lopen bij de uitgeverij. Ebert: ‘Een van de dingen die mij fascineerde, was de gekte van de plek. Er ging een fascinatie uit van de strijd binnen die oude-knarren-woongemeenschap. Er was sprake van een soort anachronisme: Gisèle was ouder dan die grumpy old men, maar je zag dat zij de boel wel levendig wilde houden, wel nieuwe mensen uitnodigde en wel er op uit trok. Dat wrong en daar haalden wij ook de motivatie vandaan om de strijd tegen de oude generatie te voeren. Niet vanuit het besef dat daar iets crimineels had plaatsgevonden, maar gewoon omdat het verroest was, een verstofte oude toestand.’ Defuster: ‘Een oud huwelijk.’ Ebert: ‘Dat echt niet meer leuk was, zelfs voor Gisèle was dat niet meer leuk.’

Een nieuwe generatie gooide het roer van Castrum Peregrini om. Maar de geschiedenis speelde op

Damman: ‘Van Frommel hebben wij nooit onder invloed gestaan. Geen van ons drieën heeft die man echt meegemaakt. Wij troffen hier een dame met wie we bevriend raakten. En we troffen elkaar en de potentie om iets met deze plek te doen.’

Castrum Peregrini van binnenuit veranderen was een lang en stroperig proces dat plaats had onder leiding van Defuster. De uitgeverij werd uiteindelijk in 2007 stopgezet en daarna konden Damman, Defuster en Ebert echt van start. Onder het motto ‘vrijheid, vriendschap en cultuur’ programmeerden ze tentoonstellingen, lezingen, symposia en debatten met wisselende thema’s. ‘Vriendschap’ en ‘vrijheid’ bijvoorbeeld, onderwerpen met een link naar de eigen geschiedenis en met een actuele sociale relevantie. Een van de eerste thema’s was ‘groepsfanatisme’ – daar kunnen ze nu om glimlachen.

Ze koesterden de derde etage, die decennialang nagenoeg onveranderd was. De boeken waar de onderduikers zich mee hadden verpoosd, de verbouwde pianola waar Buri zich bij onraad in kon verstoppen, het hele interieur was uniek erfgoed.

En niet Wolfgang Frommel maar Gisèle werd het middelpunt van hun verhaal. Jarenlang gemarginaliseerd als vrouw, haar kunst gekleineerd, werd ze nu erkend als founding mother van de plek. Bij de onthulling op 2 mei 2016 van een plaquette aan de voorgevel van het pand sprak Job Cohen: ‘Haar appartement op drie hoog werd een realiteitsbubbel die alle dreigingen van razzia’s trotseerde, waar ondanks kou en honger een groepje jongeren en hun helpers bij elkaar waren en zich verbonden voelden door hun noodlot én door de kunst die hen bezighield.’ En: ‘Het is nu aan haar erfgenamen, om deze kwetsbare parel te ontsluiten: het pand en de interieurs te conserveren en te restaureren en daarmee deze lieu de mémoir voor een breed publiek toegankelijk te maken.’

Identity Crisis: Men Confusing Art and Life van Marlene Dumas op de tentoonstelling Shame! And Masculinity in H401 © Maarten Nauw

Castrum Peregrini was een utopische schuilplek waar kunst, vrijheid en vriendschap samenvielen. Amie Dicke was een van de kunstenaars in residence, zij deed tussen 2009 en 2017 onderzoek in de diverse vertrekken. Voor een project nam ze een stoel van de onderduiketage en reed deze naar het Haus der Kunst in München, een kunstinstelling in een gebouw dat was ontworpen door architect Paul Ludwig Troost als een plek voor kunst die goed werd bevonden door het naziregime. Ze verruilde de stoel voor een stoel van Troost. De ‘onschuldige’ stoel liet ze achter in het hol van de leeuw, de ‘schuldige’ stond een tijd lang aan de Herengracht 401.

Bleek dat het allemaal veel diffuser was. Dicke laat weten dat ze destijds erg is geschrokken van de berichtgeving. Ze haalde de kunstwerken die ze bij Castrum gemaakt heeft van haar website en heeft er sindsdien niet meer gewerkt.

Ook voor Damman, Defuster en Ebert kwam de onthulling als een schok. De media doken op het verhaal, subsidiegevers eisten opheldering en er waren persoonlijke beschuldigingen aan het adres van het bestuur: zij hadden van het misbruik moeten weten.

Zeventig jaar geschiedenis kwam op hun bord. Zij zegden toe de onderste steen boven te halen en dachten na over een manier om ook programmatisch met de nieuwe laag in de geschiedenis aan de slag te gaan. Een ‘dialogische’ aanpak met een publiek programma, workshops en artistic research kon mogelijk inzicht en verlichting bieden, een proces dat ze ‘working through’ noemden, het doorwerken van een trauma. Het stuitte op weerstand: de slachtoffers waren er niet mee geholpen en het was geen erkenning van hun trauma. Ebert schreef eens: ‘Het vraagstuk van schuld en gerechtigheid was niet opgelost.’

Maar ook nu dat wel is gebeurd, blijft het aan alle kanten een pijnlijk verhaal. Damman: ‘Bij een aantal personen zal de pijn blijven bestaan, ook al zijn er gesprekken gevoerd, ook al is er erkenning gekomen en een hulpaanbod gedaan. Het is een pijn die geassocieerd is met een verleden waar wij zelf geen relatie toe hebben, maar dat hebben wij wel tot de plek. Om dat goed tot ons door te laten dringen – daar is tijd overheen gegaan.’

Nee, ‘schaamte’ over de geschiedenis van Frommel kennen zij persoonlijk niet. Vanaf de dag dat het stuk in Vrij Nederland verscheen, hebben ze de opgedoken geschiedenis eenduidig veroordeeld. Naar eigen eer en geweten, leunend op expertise van buitenaf, hebben ze vervolgens gehandeld. Defuster: ‘Wij zouden niet weten waarvoor wij schaamte zouden moeten voelen. Maar je voelt je ergens wel betrapt. In de zin dat je in iets geloofd hebt wat later niet waar bleek te zijn. Of niet helemaal waar bleek te zijn.’

Annet Mooij, schrijver en voormalig hoofdredacteur van De Gids, deed op het moment van de aanklacht op uitnodiging van de stichting onderzoek naar het levensverhaal van Gisèle en haar betekenis voor Castrum. Voor haar kwam het verhaal niet uit de lucht vallen, vertelt ze. ‘Dat Castrum een vreemd gezelschap was, dat was mij van begin af aan duidelijk. Er gingen ook wel geruchten over wat er zoal had plaatsgevonden, maar niet zo expliciet dat ik verwachtte op een geschiedenis van misbruik te stuiten. Maar toen dat wel bleek, viel ik ook niet van mijn stoel van verbazing.’

Het dubbelzinnige van de geschiedenis vormt de rode draad in De eeuw van Gisèle: Mythe en werkelijkheid van een kunstenares (De Bezige Bij, 2018). Mooij: ‘De oorlog als motor van Castrum Peregrini, dat was in de beeldvorming een prachtige periode. Hoe met poëzie en vriendschappen de barbarij het hoofd was geboden. Het was voor mij interessant om te ontdekken hoe gestileerd en gemythologiseerd dat verhaal is geweest. Ik moest het deconstrueren zonder het helemaal af te breken. Want er zijn inderdaad levens gered en voor een aantal mensen die het hebben meegemaakt is Castrum een levenslange bron van inspiratie geweest. Maar ik moest ook laten zien hoe iemand als Frommel het huis gebruikt heeft voor zijn eigen mythologie en bepaalde aspecten systematisch heeft weggemoffeld.’

In 2017 was Mooij al aan het einde van het schrijfproces en ze hoefde niet eens veel toe te voegen: de geschiedenis van Frommel en ook de misstanden had ze al beschreven. Bronnen waren onder meer oude brieven, gesprekken en memoires van oud-Castrum-leden, er was het Duitstalige boekje van Joke Haverkorn van Rijsewijk, Entfernte Erinnerungen an W. (2013). Mooij: ‘Dat was een echte eyeopener. Haverkorn van Rijsewijk beschrijft erin hoe Frommel rare en verwarrende spelletjes met haar speelde en er plezier aan beleefde om haar in bedreigende situaties te brengen. Het is niet heel expliciet, maar wel verontrustend.’

Een ‘veilige’ plek midden in Amsterdam, zo wordt het huis in het begin van de documentaire genoemd

Over het feit dat Gisèle onder de nieuwe leiding het hart van het nieuwe Castrum-verhaal vormde, staat in de biografie het volgende: ‘Die voorstelling van zaken had haar vast plezier gedaan, menselijk en pr-technisch gezien is ze ook goed te begrijpen, maar historisch gezien is ze problematisch.’ En: ‘In deze omkering kwam een visie op de geschiedenis tot uitdrukking waarin voor grote delen van het verleden van Castrum geen plaats was. Die bleven aan het zicht onttrokken.’ Zo ziet Mooij dat nog steeds: ‘Gisèle was in de officiële geschiedschrijving van Castrum volkomen gemarginaliseerd. Nu werd ze teruggehaald en opeens tot de spil van de vriendengemeenschap gemaakt. Ze werd het boegbeeld waar de nieuwe leiding zich naar richtte en ik kan me dat goed voorstellen.’

De eeuw van Gisèle is zojuist verschenen in het Duits, het is wachten op reacties.

De misstanden maakten altijd al deel uit van de geschiedenis van Herengracht 401. Maar wie herinnert zich wat, en wie verkeert in de positie om herinneringen te delen? Hebben Damman, Defuster en Ebert nooit getwijfeld aan de feilbaarheid van het Castrum-verhaal?

Ebert: ‘We hebben geschiedenis als trigger genomen om maatschappelijke problemen van nu te zien. Maar we zijn zelf geen historici. Geschiedschrijving an sich hebben we als het terrein van historici gezien.’ Damman benadrukt de kritische houding die hen altijd eigen was: een kritische benadering van de thema’s, kritische bijeenkomsten bij de verschijning van de Stefan George-biografie en het boek van Joke Haverkorn van Rijsewijk. En ze kenden de geruchten, maar echte beschuldigingen bleven impliciet, of, zoals Damman het verwoordt: ‘Niemand heeft ooit gezegd: ik ben door Frommel misbruikt. Het bleef altijd een beetje sjiek.’ En daarbij: zij hadden al afscheid genomen van het oude Castrum, hun focus lag bij Gisèle.

De blinde vlek is opmerkelijk te noemen voor een plek die jarenlang academisch en artistiek onderzoek faciliteerde, voor een plek die zich zo bewust toont van het bestaan van zwakke plekken in de geschiedenis en de doorwerking daarvan in het heden. Neem het thema in 2017, ‘Memory machine: We are what we remember’. Uit de introducerende tekst: ‘(…) Castrum Peregrini ziet herinnering niet als statisch en dood, maar als levende en vruchtbare materie die constante ontdekking behoeft.’ Er was bij het bestuur wel het beséf van een blinde vlek, van een verleden van stilering en mythologisering, vandaar ook de opdracht tot een biografie van Gisèle. Onderzoek was nodig, maar de uitkomst was verrassend.

Voor de oplettende onderzoeker lag een verhaal voor het oprapen. In 2016 bijvoorbeeld verscheen van Janina Pigaht de documentaire Herengracht 401. Een ‘veilige’ plek midden in Amsterdam, zo noemt Pigaht het huis aan het begin van de film. Maar tegen het einde laat Pigaht een aantal oud-bewoners aan het woord en dan slaat dat gevoel om.

Christiane Kuby is een van hen. Op de vraag van Pigaht wat er in het verhaal over Castrum niet mag ontbreken, antwoordt zij aarzelend: ‘Daar is maar één antwoord op. Daar mag de erotiek niet in ontbreken. Omdat het een cruciale rol speelde. Maar dat is een moeilijk punt om over te praten. En ik weet niet hoe ik dat nu moet doen.’ Pigaht helpt haar op weg: erotiek vanwege de manier waarop die werd ingezet? Kuby: ‘Er was één iemand, die kon zich alles permitteren. En die was ook een enorm erotisch mens. Die op een erotische manier met andere mensen omging. Maar die zijn daardoor verworven macht ook inzette. Zo heb ik het ervaren. En anderen denk ik ook. Je kon dichtbij komen, het was een genot ook, het was fijn om met hem te zijn. Omdat hij sprankelend was en de liefde heel veel gezichten had, in woord en daad. Maar vervolgens kon je niet meer wegkomen.’ Joke Haverkorn van Rijsewijk omschrijft het gevoel als dat je, op Gisèle’s vertrekken na, in het huis niet helemaal ‘safe’ was.

Herengracht 401 verscheen in 2016, Damman, Defuster en Ebert spelen zelf in de documentaire mee, Ebert gaf me de dvd zonder enige aarzeling te leen. Misschien waren we tot voor kort minder gevoelig voor misstanden van dit soort. Of misschien is het huis waar je woont van binnenuit nooit helemaal te overzien.

De onderzoekscommissie deed ten slotte een tiental aanbevelingen. De eerste betrof een wijziging van de naam. Dat was al langer een wens van het bestuur en ze kozen voor H401. Damman: ‘We wilden een naam die nadrukkelijk niet wegloopt van de plek. Het mocht op geen enkele manier zo zijn dat we iets onder het kleed schoven. H401 staat voor Herengracht 401, dat is heel duidelijk.’

Een andere aanbeveling betrof de derde etage, die grondig zou moeten worden vernieuwd. Uit het rapport: ‘Deze verdieping bevindt zich in de oorspronkelijke staat, en wel in zo’n staat dat het erop lijkt dat Wolfgang Frommel elk moment weer in zijn vertrouwde omgeving kan terugkeren. Wie aan het duistere verleden van seksueel misbruik een einde wil maken, wil niets meer te maken hebben met tastbare herinneringen daaraan.’

Deze aanbeveling legde het bestuur, na consultatie en bevestiging van experts op het gebied van erfgoed en herinneringscultuur, naast zich neer. Damman: ‘Zo ga je niet met erfgoed om. Je kunt niet een Airbnb-appartement van de etage maken en dan niet meer “herinnerd” worden aan het negatieve dat er plaatsvond. Nee, door het te tonen en door het verhaal te vertellen, kun je het ook gebruiken als waarschuwing of als discussiestuk.’ Bovendien zijn het Gisèle’s meubels die daar staan. ‘Het was Gisèle’s eerste woning waar zij in 1942 de deur opent voor Frommel, Buri en later ook voor Claus, en waar Frommel later naar terugkeert. Die laag verdwijnt met deze aanbeveling wel heel gemakkelijk.’

Defuster: ‘Die dubbelheid, daar gaat het juist om.’

Het heroïsche verhaal, dat zo lang leidend was, is aangepast. Misbruik maakt officieel deel uit van de geschiedenis van het huis, rondleidingen op de derde etage vertellen nu het héle verhaal, voorzover bekend. De dialogische aanpak van Damman, Defuster en Ebert kwam ook op stoom. Ze organiseerden onder meer workshops en rondetafelgesprekken. Binnen het project ‘Heritage Contact Zone’ ontwikkelden ze, samen met Europese partners, een ‘toolkit’ voor het werken met contested heritage, omstreden erfgoed. De nieuwe focus ligt meer dan ooit op het onderzoeken van de condition humaine. Goed en kwaad als twee kanten van dezelfde medaille, hoe hebben ze samen kunnen gaan aan de Herengracht 401? En wat zegt dat over ons, de menselijke natuur?

Op een wrange manier past het schaduwverhaal van Frommel en zijn kring daarmee precies bij de plek. Een geschiedenis als katalysator voor maatschappelijke problemen in het heden, here you go. Aan de vooravond van MeToo aangereikt op een presenteerblaadje.

Kunst was de mediator van Castrum Peregrini en is dat gebleven. Ebert wijst op een aquarel van Marlene Dumas, onderdeel van Shame! And Masculinity. Het werk Identity Crisis: Men Confusing Art and Life (1993) toont een zittend naakt dat omlaag kijkt naar zijn erectie. Ebert: ‘Dat is in feite wat in die woongroep is misgegaan. De bewoners creëerden een soort Gesamtkunstwerk: kunst is leven en leven is kunst. Dat is utopisch te noemen, maar het kan ook tot verwarring leiden, al dan niet tot een ongezonde of toxic verwarring.’ Dat zag hij plots in dat werk van Dumas. ‘Zo’n kunstwerk is iets wat buiten jezelf staat, buiten je eigen geschiedenis, waardoor die plots bespreekbaar wordt. Zonder dat je bevooroordeeld bent. Dat is nu eindelijk mogelijk.’


Shame! And Masculinity is momenteel gesloten maar nog t/m 28 februari te bezoeken, in lijn met de voorschriften van het RIVM. h401.org_