IS-vrouwen zijn terug in Raqqa

‘In het kamp was ik steeds bang’

Vanuit het vluchtelingenkamp Al Hol zijn met hulp van stamleiders IS-vrouwen en hun kinderen teruggehaald naar de regio Raqqa. Hun vrees dat de gemeenschap ze zou afwijzen bleek ongegrond. ‘Onze vrouwen zijn hierin verzeild geraakt.’

Vrouwen van IS-strijders in het kamp Al Hol, juli, Noord-Oost Syrië © Delil Souleiman / AFP / ANP

De kinderen huilden vanwege de hitte, de busrit van vijf uur was oncomfortabel maar Fatma Ali Jasim (32) had het gevoel dat ze vloog. ‘Ik vergat de tijd en alle ellende die achter ons lag’, zegt ze met een heldere stem. Bijna drie jaar nadat ze samen met haar man Ahmed, die lid was van IS, Raqqa verliet, was ze op weg naar huis.

Daarmee liet ze Al Hol achter zich, het vluchtelingenkamp waar tienduizenden IS-vrouwen en hun kinderen, onder wie vrouwen uit Nederland, onder erbarmelijke omstandigheden worden vastgehouden. Daar zat ze in ‘sector 5’, in gezelschap van wat ze zelf ‘de meest extreme IS-vrouwen’ noemt.

Nu zit ze omringd door haar familie en een paar buren op de grond in de woonkamer in een westelijke wijk van Raqqa. Fatma Ali Jasim zegt: ‘Ik probeer de drie jaar dat ik weg was uit mijn geheugen te wissen.’

Een van de mannen in het gezelschap is sjeik Mohamed Tirki al-Soaan, leider van de Sabkastam. Hij bemoeit zich niet met het gesprek. Zijn taak zit erop. Hij is de man die ervoor heeft gezorgd dat Jasim weer thuis is. En niet alleen zij, maar ook 27 andere vrouwen met hun kinderen uit de regio Raqqa die in Al Hol terecht waren gekomen nadat IS verdreven was van het laatste stukje grondgebied dat ze nog in handen hadden, Baghouz in het oosten van Syrië, vlakbij de Iraakse grens. Dit was eind maart van dit jaar.

In het gemeentehuis in het kantoor van de afdeling die zich bezighoudt met Raqqanaren die willen terugkeren naar de stad, vertelt Al Soaan dat de maand na die laatste veldslag het gesprek begon over het terughalen van vrouwen uit de regio Raqqa: ‘In april was er een grote bijeenkomst van tribale leiders. We waren het er snel over eens dat we moesten proberen de IS-vrouwen en hun kinderen uit onze dorpen en steden terug te halen uit Al Hol.’ Als leider van een van de grote stammen – zo’n tachtigduizend mensen – was Al Soaan nauw bij de voorbereidingen betrokken. Hij zegt: ‘Alle stamleiders hebben in hun gemeenschappen de boodschap verspreid dat mensen aanvragen konden doen om hun dochters en kleinkinderen terug te halen. Intussen zijn wij met de autoriteiten gaan praten.’

De autoriteiten, dat zijn de Democratische Raad van Raqqa en de sdf (Syrian Democratic Forces). De sdf is de strijdgroep, bestaande uit Koerden en Arabieren, die IS in 2017 met hulp van Amerikaanse bombardementen Raqqa uit vocht. De stad was in 2014 uitgeroepen tot ‘hoofdstad’ van het ‘kalifaat’ en al tijdens de strijd zette de sdf een lokale raad op die Raqqa na IS moest gaan besturen. Die raad zetelt nu in een gebouw dat met geld van internationale donoren is neergezet.

Bij terugkeerders gaat het vooral om mensen die tijdens de slag om de stad moesten vertrekken om het aantal burgerdoden te beperken – desondanks kwamen er nog zo’n zestienhonderd om, becijferden Amnesty International en Airwars onlangs. Maar ook gezinnen die bij IS hoorden en Raqqa verlieten toen de grond ze te heet onder de voeten werd en die nu willen terugkeren, vallen onder de verantwoordelijkheid van het bureau. Preciezer: de vrouwen en kinderen. De mannen zijn een ander verhaal. Zij worden door de sdf vastgehouden en hun betrokkenheid bij de misdaden van IS wordt onderzocht.

De man van Fatma Ali Jasim kwam om tijdens een bombardement, drieënhalve maand geleden. Het is de reden dat Jasim helemaal in het zwart gehuld is en ook haar ogen onzichtbaar zijn. Over twee weken is de officiële rouwperiode voorbij en wordt ze zichtbaarder. Dan kan ze ook de deur uit, de buurt in om te kijken hoe die erbij ligt en op bezoek bij vrouwen die ze nog kent van voor haar vertrek. Ze zegt: ‘Mijn man was elektricien in een ziekenhuis. We wilden ontsnappen aan IS toen de oorlog hier begon, maar het lukte niet.’ Te verifiëren valt het niet.

De buurt waar Jasim met haar familie woont, doet aan als een dorp. Stoffige, deels ongeasfalteerde straten, lage huizen met binnenplaatsen. De directe buren hebben een winkeltje en er hangen reclameborden voor sigaretten aan de gevel – ondenkbaar onder IS. In de woonkamer is het vol. Jasims vader zit een eindje naast zijn dochter en kijkt glimlachend naar haar. Jasims oudste, Oseyd van bijna vijf, speelt rustig, de jongste, Aws van twee, hangt tegen zijn moeder aan. ‘Ik was steeds bang in het kamp’, zegt ze. ‘Ik belde vaak naar huis en ik wist dat ze werkten aan mijn terugkeer, maar ik dacht dat de buren slecht over me zouden denken. Ze zouden me niets aandoen, dat niet, maar misschien wilden ze niets met me te maken hebben. Aan de andere kant wist ik dat de gemeenschap mijn familie kent en daardoor wisten dat ik niet vrijwillig bij IS was.’

‘Waar brengen jullie ons naartoe?’ ‘Nergens naartoe. Jullie zijn thuis’

Omdat ze veel contact had met thuis, wist ze dat ze weer door haar familie opgenomen zou worden. Voor veel andere vrouwen die met dezelfde bussen mee zouden gaan, was de onzekerheid groter. Sjeik Al Soaan herinnert zich veel huilende vrouwen toen ze met de bussen aankwamen bij het kamp. ‘Sommigen verzetten zich zelfs tegen terugkeer’, zegt hij. ‘Het bleek dat IS ze had wijsgemaakt dat de sdf ze zou uitleveren aan het regime van Assad en ze in een regeringsgevangenis terecht zouden komen.’ Die staan bekend om systematische marteling en moord.

Bij aankomst in het gebouw van de raad, waar ze welkom werden geheten, vroegen sommigen angstig: ‘Waar brengen jullie ons nu naartoe?’ Sjeik Al Soaan: ‘We zeiden: “Nergens naartoe. Jullie zijn thuis.”’ Het was begin juni, net na de Ramadan en tijdens Eid al-Fitr.

Toestemming om vrouwen en kinderen op te halen is snel gegeven. Het kamp Al Hol is overvol en iedere vrouw die er vertrekt, verlicht de last voor de sdf. De vrouwen maken echter alleen kans het kamp te verlaten als ze iemand hebben die hen ophaalt. Sporadisch halen Europese regeringen vrouwen en kinderen terug. Zo werden in juni twee Nederlandse weeskinderen opgehaald uit een ander kamp dat door de sdf wordt bewaakt, bij de stad Ain Issa. Oostenrijk staat op het punt twee wezen op te halen, Frankrijk haalde er in het voorjaar al vijf terug, net als Duitsland.

Volgens de laatste cijfers van de aivd, van 1 augustus, zitten er nog veertig Nederlandse vrouwen in verschillende door Koerden bewaakte kampen, en 85 kinderen. Vijftien Nederlandse mannen zitten vast in Koerdische gevangenissen. Vrouwen terughalen lijkt vooral politiek onmogelijk: de herhaalde verklaring van minister Grapperhaus van Veiligheid en Justitie dat het noorden van Syrië te gevaarlijk zou zijn voor de Nederlandse autoriteiten is al lang door de werkelijkheid ingehaald. In mei kwam het plan om de vrouwen eventueel vrije doorgang te verlenen naar Erbil in de Koerdische Autonome Regio in Irak, waar een Nederlands consulaat zit. Van daaruit zouden de vrouwen naar Nederland kunnen om te worden berecht. Of er schot in die zaak zit, is onduidelijk.

In Nederland heerst angst voor het mogelijk nog altijd radicale gedachtegoed van de vrouwen. In Raqqa speelde diezelfde angst, vertelt sjeik Al Soaan: ‘We kregen snel toestemming om de vrouwen op te halen omdat ze in het kamp verder zouden radicaliseren.’ Intussen werden de dorpen en buurten waar de vrouwen naar zouden terugkeren, voorbereid op hun komst. Al Soaan: ‘Elk dorp en elke buurt heeft een school, waar we bijeenkomsten wilden organiseren met de vrouwen, zodat ze herinnerd zouden worden aan de gemeenschap waarin ze altijd hebben geleefd. Daarmee zouden we de angst van de vrouwen én eventuele angst in de dorpen wegnemen.’

Die bijeenkomsten bleken niet nodig. De vrees van de vrouwen dat de gemeenschap hen zou afwijzen, smolt snel weg. De verschillende tribale leiders hadden de leden van hun stam op het hart gedrukt de vrouwen niet af te wijzen maar juist op te nemen. Sjeik Al Soaan: ‘Onze mensen zijn plattelanders en niet erg geschoold. Je kunt ze makkelijk iets geks laten geloven, zoals IS heeft gedaan, maar als ze terugkomen zijn ze weer thuis.’ Sommige vrouwen bleven eerst een paar dagen binnen, anderen gingen meteen bij een vroegere vriendin of bij de buren op bezoek om thee te drinken. Alsof er nooit iets was gebeurd. Al Soaan: ‘Ik denk dat dat bij westerse vrouwen wel anders is. Die hebben een betere opleiding en hebben er denk ik bewuster voor gekozen om naar een IS-gebied te komen. Onze vrouwen zijn erin verzeild geraakt.’

Na het interview met Jasim komt haar nicht Noora Khlef (32) binnen. De nichten zaten allebei in Al Hol en praatten daar vaak over terugkeer naar huis. Khlef: ‘Het was een droom waarvan we niet wisten of die werkelijkheid zou worden.’ Ook zij is zonder haar echtgenoot teruggekeerd, mét twee kinderen. ‘Vóór IS werkte ik in een naaiatelier. Toen IS de stad overnam, hoorde ik van collega’s dat er een goede Saoedische man was die een echtgenote zocht. Het werk in het atelier hield op, daarna ben ik met hem getrouwd.’

Dat was in 2014. Haar echtgenoot was toen al boven de vijftig. Khlef: ‘Hij was geen slechte man. In het begin hadden we ook nog niet door hoe slecht IS was. Ik vond het fijn dat hij vanwege zijn leeftijd niet hoefde te vechten. Hij was imam.’ Of dat waar is, weet ze niet zeker. Het gezin bleef tot het allerlaatst bij elkaar, en werd van elkaar gescheiden nadat de sdf eerder dit jaar IS van zijn laatste restje territorium verjoeg. Khlef: ‘Hij zit nu in de gevangenis. Er wordt onderzocht wat zijn rol precies was.’

Haar twee kinderen zijn drie en één. De oudste is een meisje, Shayma, haar zoontje heet Hussein. Aanvankelijk geeft ze voor hem een andere naam op, Daygham. ‘Dat was zijn naam tijdens IS, maar het is een vreemde naam in onze cultuur. Overduidelijk een IS-naam. Die heb ik dus veranderd toen ik thuiskwam. “Daygham” zou hem schaden als hij opgroeit.’

Of ze met haar man herenigd wordt, weet ze niet. Misschien wil hij terug naar Saoedi-Arabië als hij vrij is, maar misschien wordt hij daar geweigerd en wil hij liever naar Raqqa komen. Ze kan er niets over zeggen. Wil ze hem nog als echtgenoot? ‘Voor de kinderen zou het goed zijn om een vader te hebben. Maar ik kan hem alleen accepteren als hij me niet behandelt zoals vrouwen in Saoedi-Arabië. Ik ben een Syrische vrouw en verwacht een zachte behandeling.’


Dit is het tweede deel van de Raqqa-reportage die mogelijk gemaakt is door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten