In het labyrint

Ik probeer altijd zo rationeel mogelijk te zijn.

Ik zou niets liever willen dan logisch redeneren. Ik wil alle problemen zien als een wiskundig vraagstuk. Zo probeer ik ook te leven.

Het vervelende is alleen dat je om logisch te redeneren daar niet alleen oefening in moet hebben, maar ook een zekere intelligentie. Ik ontbeer beide, vrees ik.

Ik besef dat ik een emotionele reflex heb. Laat mij twee vluchtelingen zien in verloederde staat en ik ben bereid alle grenzen open te gooien. Maar toon mij dezelfde vluchtelingen met een eigen iPhone die naar hun familie bellen dat ze Europa hebben bereikt en ik wil meteen een muur om ons land.

Tussen hart en hoofd zit bij mij een labyrint waar ik menigmaal in verdwaal.

Maar hoe dan te denken over grote maatschappelijke problemen?

Vroeger leerde ik dat je daarvoor instituties hebt die je opvattingen en je gevoelens ontwikkelden. De kerk, het communisme, het fascisme – ik noem maar wat.

Je zag iets wat volgens de leer onrecht was, en je werd zelf boos.

Het vervelende is dat je, als je afdwaalt van de leer, dan niet meteen je oude gevoelens verlaat, je oude angsten, je oude moraal.

Het erkennen van ‘een andere God’ is niet het probleem van de afvalligheid, het probleem is je onzekerheid over goed en kwaad.

Onzekerheid geeft angst. En een ethiek gebaseerd op angst wijs je a priori af. Maar toch blijf je die angst houden.

Een nieuwe ethiek is ook iets wat je je moet kunnen permitteren.

Stel dat ik opeens het fascisme omarm. Ik heb er veel over gelezen, heb het goed bestudeerd en heb geconcludeerd: ja, ze hebben gelijk. Dan moet ik dat kunnen uiten in een omgeving die mij dat laat zeggen en waarvan ik niet direct vijandschap heb te duchten. Ik moet mijn gebied heel voorzichtig aftasten. ‘Ik ben geen antisemiet hoor, maar joden…’ En: ‘Is het je ook opgevallen dat als het gaat om corrupte banken, dat dan de meeste CEO’s…’

Mijn nieuwe moraal moet bevestigd worden. Ik zoek erkenning.

Ik heb wel antwoorden, maar ­besef dat deze misschien dom zijn, of onmenselijk

Maar nu sta ik met mijn nieuwe manier van denken tegenover mijn nieuwe vijanden. Win ik dan een discussie met uitwisseling van argumenten? Ik geloof er niets van. Welk argument is dan het beste?

‘Het zou het beste zijn als er om heel Europa een muur zou staan.’

‘Dat vind ik walgelijk.’

‘In dat geval zou het beter zijn om iedereen binnen te laten.’

‘O ja? Dan zijn ze straks in die Afrikaanse landen rijk en zijn wij een ontwikkelingsland geworden.’

‘Dan stel ik voor dat we onze belastingen verhogen zodat de overheid meer geld heeft om vluchtelingen een goede toekomst te bieden.’

‘Ben je gek geworden. Ik betaal al 54 procent!’

Goede argumenten worden sneller vrienden met slechte dan goede mensen vrienden worden met slechte kameraden. Anders gezegd: er bestaan geen juiste en onjuiste argumenten.

Stel, dat door het opgaan van een grote groep vluchtelingen in onze samenleving het gemiddelde IQ daalt, moeten we dan vluchtelingen opnemen?

Stel, dat door een grote hoeveelheid vluchtelingen onze vrijheid en democratie op de tocht komen te staan, moeten we dan vluchtelingen opnemen?

Stel, dat door een grote hoeveelheid vluchtelingen de criminaliteit toeneemt, moeten we dan vluchtelingen opnemen?

Stel, dat doordat een grote hoeveelheid vluchtelingen wordt opgenomen het aantal erfelijke ziekten zal groeien, zodat onze zorgkosten nog meer toenemen, moeten we dan…

Ik kan zo nog vele pijnlijke vragen stellen.

Ik heb wel antwoorden – ik zou op alles graag ‘nee’ willen antwoorden – maar ik besef dan tegelijkertijd dat dit misschien dom is, of onmogelijk, onmenselijk misschien.

Vanuit een persoonlijke definitie van fatsoen doen wat je meent dat goed is voor volk en vaderland, lijkt me het beste. Tot het verkeerd uitpakt.