In het licht van later

De mislukking van Hans Kellers film Hotel Atonaal - de laatste en verprutste kans om de belangrijkste nog levende vijftigers samen in de zon te zetten - is te wijten aan het historisch en nostalgisch perspectief van de maker. Alsof het niet gaat om de oeuvres die uit min of meer onbezonnen baanbreuken veelbelovend zouden ontstaan en worden waargemaakt.

Professor-dichter Donkersloot hield in 1950 zijn eerstejaars voor dat het Gebed bij de harde dood (Du Perron) eigenlijk geen poe"zie was want te realistisch, maar dat de experimentelen helemaal geen, of een misplaatst want onwerkelijk idee van poezie hadden. Wie nog van niets wist wou dat niet geloven, schreef een briefje aan Simon Vinkenoog in Parijs, kreeg gratis Blurb toegestuurd en kocht vervolgens een Braak. Nummer drie, en daar begon het te dagen.
Een grimmige omslag met harige, lijfelijke letters, voorzien van en doorschoten met uitwassen, pijltjes, poliepjes, beestjes, lachte mij zwart maar goedgebekt toe. Op de eerste bladzij keek een los oog mij recht in het gezicht. Dat smaakte naar meer. Overal in het nummer bleek iemand aan de tekst te hebben geknoeid: in het woord schizofrene was de i veranderd in een asterix-spinnetje, een gedicht van Picabia, Dans une Eglise, was overgeschreven in vettige letters en herplaatst in het raamwerk van een bouwvallige kerk met handen en voeten.
Getroffen door het alziend oog begon ik het eerste artikel, geschreven door bemoeial Lucebert, te lezen:
DE NEDERLANDSE LITERATUUR IS DOOD? LANG LEVE DE NEDERLANDSE LITERACTEUR.
De keizer is dood, leve de keizer.
Bij de eerste zin schoot ik onbedaarlijk in de lach: ‘Lieden die nog nooit het gebrul van de nachtegaal hoorden hebben een niet te bevredigen behoefte aan nieuwe geluiden, jagen - zonder zich ooit door het oorspronkelijke te laten verrassen - achter alles aan wat zich maar even als een sensatie schijnt voor te doen.’
Levenslang brullen om die nachtegaal, die meedogenloze schoonheid (zou ik later lezen), zich steeds weer laten verrassen door het oorspronkelijke, dat was het appel waarvoor je in het geweer moest komen, telkens zodra de tijd daarvoor zou aanbreken. Jetzt, komme Feuer (Holderlin), Nu, kom vuur!
Blijve dat ons bij, als wij ontboden worden van boven ons dak, als het onweer in een stralende lucht.
De voltreffer moest nog komen: bovenaan bladzij 51 van Braak 3 (het tijdschrift dat van meet af aan doornummerde tot het bittere einde) staat de zin waarom het voortaan ook zal moeten gaan. En hier te lande zegeviert de doofpot steeds over het open vuur…
Geen aanhalingstekens: zo'n zin moet men zich voor altijd eigen maken.