In het museum

Ik ben in het Stedelijk Museum. Ik tref een vrouw van 27 jaar die zeven jaar in Amsterdam woont, en dus nog nooit in het gebouw is geweest.

Ze kende alleen de befaamde trappen van films en foto’s, en eigenlijk was ze daar het meest nieuwsgierig naar.

Medium opheffer 40 2012 museum

Ze is beeldhouwster en verbaasd over mijn kennis over Nederlandse beeldhouwers. (Vijftien jaar met beeldhouwster geweest, vergeet ik per ongeluk te zeggen.)

Er raast een oude mannendroom door me heen. Zou zij… en ik… haar atelier… bij mij thuis… Ik bedoel… Ik ben niet meer jong en mooi, maar wel lelijk en wijs…

Onzin natuurlijk. Ik hijg niet meer van seksuele wellust, maar omdat ik haar niet kan bijhouden als ik de trap op loop.

En ze loopt zo snel dat ik haar uit het oog verlies.

Ik had in mijn jeugd de gewoonte aangenomen om in het restaurant van het Stedelijk mijn huiswerk te maken en later om er te studeren en om er te schrijven. Het museum bevond en bevindt zich namelijk honderd meter van mijn huis. Ik heb vele directeuren voorbij zien komen, van wie ik de namen destijds niet wist. Maar ook heb ik er tal van schrijvers zien eten en koffie drinken. Er was één schrijver die er met grote regelmaat werkte en die mijn grote voorbeeld was: Simon Carmiggelt. Ik weet nu dat Carmiggelt anders schreef dan ik. Ik zit achter een toetsenbord en heb een opvatting over stijl. Ik kan stijl kiezen. Nu eens maak ik gebeeldhouwde zinnen, dan weer schrijf ik zoals ik spreek. Meestal doe ik dat laatste, als leerling van Willem Wilmink en met in het achterhoofd Multatuli.

Carmiggelt – dat zag ik – had moeite met het schrijven. Hij werkte meer als een dichter. Soms zat ik vlak bij hem. Ook in de hoop dat hij over mij zou schrijven. Maar als ik dan de andere dag in Het Parool keek, dan speelde het verhaaltje zich nooit af in het museum, maar in Artis, of in een café of gewoon bij hem thuis. Hij gebruikte het museum als werkplek. Heel af en toe kon ik bijna in zijn schoolschriftje kijken. Dat was een geel schrift met ruitjespapier. Hij droeg dat in een ambtenarentas bij zich. Hij zag er trouwens altijd uit als een kantoorklerk die in zijn gereglementeerde pauze wat stilte voor zichzelf zocht. Hij was een zinnenpoetser, zag ik. Staren, een zin schrijven, staren, een zin doorstrepen. Ik kan hem nog steeds nadoen.

Jaren later – ik kende Carmiggelt reeds en we spraken vaak over schrijven – vertelde ik hem over zijn poetsarbeid. ‘Hoe weet je welke zin, welk woord je moet veranderen?’ vroeg ik.

‘Ik verander eigenlijk niets’, zei hij tegen mij. ‘Ik begin steeds opnieuw. Mooie zinnen komen vanzelf. Het gaat mij om het vervolg. Als ik een mooie zin heb, maar er volgt niets, geen verhaaltje, dan kan die zin wel mooi zijn, maar dan weet ik dat het te lang gaat duren. Dan maak ik liever een andere mooie beginzin, net zo lang tot het vanzelf gaat.’

Nu, na al die jaren, begrijp ik wat hij eigenlijk bedoelde. Je kunt een mooie zin schrijven als: ‘Wanneer ik foto’s uit mijn pubertijd bekijk, ben ik altijd blij dat ik mijn zoon niet ben’, maar er moet dan wel een verhaal komen. Komt dat er niet, dan moet je anders beginnen.

En daar was Carmiggelt naar op zoek. Hij moest voort.

In het nieuwe, ongezellige restaurant van het prachtige Stedelijk zag ik mijn beeldhouwster terug. Gebogen over een iPad. Ik dacht: wat heb ik eigenlijk aan die kennis over Carmiggelt? Wie wil dat horen, wie leest hem nog, wie wil er van hem leren? Wie heeft er iets aan mijn herinnering?