In het onbenoembare

De keramische beelden van Marien Schouten ontstaan doordat de kunstenaar zich laat meevoeren naar een onbewuste verbeelding. Voordat ze gemaakt waren, waren ze onvoorstelbaar.

DE KERAMISCHE SCULPTUREN waar Marien Schouten nu al een paar jaar aan knutselt zijn, merk ik, vrijwel onbeschrijfbaar. Dat is precies de bedoeling. Het eenvoudige en ronde woord beeld komt dichter in de buurt van hun merkwaardig plompe vorm, het blubberige karakter van die vorm. Sculptuur is voor deze gedrochten veel te sierlijk van klank. Bovendien gaat het daarbij, technisch, over kerven en snijden en hakken en ook over een andere snelheid. De nieuwe beelden van Schouten zijn met handen geboetseerd in weke klei en met spatels bijgewerkt. Sporen van hand en vingers zijn zichtbaar gebleven. Dat moest ook want de kunstenaar is aan zijn keramisch avontuur begonnen, in 2000, als alternatief eigenlijk voor het schilderen. Als je de tijd neemt aandachtig heen en weer te kijken tussen het beeld van 2008 en een schilderij uit 1999 is er in het stevige, agiele handschrift van beide kunstwerken zeker verwantschap te zien – en het is ook het handschrift, het geknutselde en impulsieve ervan, dat al bij de eerste aanblik van de werken visueel bepalend is, meer dan het ontwerp van de compositie.
Maar dan: in het schilderij zijn verschillende operaties, over elkaar heen schuivend, tegelijkertijd gaande. Eerst die roestig-bruine strakke zijwaartse uitstortingen, kordaat geschilderd met verf waarin zand vermengd is, dus ook stug. Links passeert een baan gelig groen kort over het roestbruin. Verder zweven die partijen groengeel wat onbestemd rond, als verwaaide wolken, horizontaal, maar hoe diep of ver weg in de labiele beeldruimte is onduidelijk. Nog andere passages en fragmenten van dubbelzinnige vorm en kleur (grijswit, donkergroen, oranje) spoken door het schilderij heen. Ook is nog zichtbaar een rest van een met potlood getekend rechthoekig raster waarmee schilderijen van Schouten vaak beginnen. Ik schat dat zo’n raster beschouwd kan worden als een plattegrond, een helder plan waarmee een schilderij op een ordelijke en overzichtelijke manier zou moeten beginnen. Alleen, het ondoorgrondelijke schilderen houdt zich niet aan enigerlei ideale orde, gaat dwarsliggen, vloeit naar alle kanten en overwoekert het raster. Dat is wat in de schilderijen van Schouten gebeurt: plan en orde lopen spaak, zoals ook in het schilderij van 1999 waar je ziet hoe vormen naar elkaar reiken maar onderweg blijven hangen, als brokstukken in een niet echt voltooide samenhang.
Schouten vindt dat er behalve Mondriaan in de Nederlandse traditie nog wel andere aanknopingspunten zijn: bij de symbolist Jan Toorop bijvoorbeeld of in de ornamentiek van de architect Berlage. Het laten overwoekeren van het raster betekent dat de nukkige schilder zich verzet tegen Mondriaan. Toen ontstonden de eerste keramische gewrochten die het geploeter met vorm/vormloos in de schilderijen op een geweldige manier op scherp zetten. Toen ik zo’n koboldachtige kop voor het eerst zag, moest ik denken aan een glibberige, glinsterende kikker. Maar het ding is veel gekker. Een schilderij is tweedimensionaal en vlak en daarom is wat er op dat oppervlak gebeurt nog betrekkelijk overzichtelijk. Het oppervlak van een beeld stulpt en zwelt op een onbeschrijflijke manier – en op dat ongrijpbare oppervlak ontplooit de schilder zijn kunsten. Het ding is niet bedoeld als een bepaalde vorm maar als een bijna rommelig volume dat dwars is, moeilijk, uitdagend en geheimzinnig. Op dat grillige oppervlak komen operaties van vormgeving en kleurstraling bijeen waarbij vergeleken die op een schilderij eerder zwak blijven. Dat wil zeggen, in Schoutens beleving van de vloeiende beweeglijkheid van het schilderen werd zo’n keramisch beeld de overtreffende trap van een schilderij – en voorgoed voorbij ook aan het paradigma Mondriaan.
De donkergroene kleur komt van koperoxide die bijgemengd werd in het glazuurpasta. Maar dat spul is dof en grijzig als je er met een kwast het beeld mee beschildert. Er is dus een grote mate van ongewisheid in hoe licht of donker of vlekkerig of glanzend het typische groen op de bobbels en hobbels van het beeld uit de oven te voorschijn zal komen. Het spannendste, meent Schouten, is het als je terechtkomt in het onbenoembare. Namen verdwijnen heet het schilderij van 1999. De dingen die je kent zijn weg, de kunstenaar laat zich meevoeren naar een ongekende, onbewuste verbeelding. Daarvan zijn de keramische beelden een eerste resultaat. Ze zijn inderdaad vreemd en voordat ze gemaakt waren, waren ze onvoorstelbaar. Aan die toverachtige metamorfose van schilderkunst in een andere gedaante, en de onvoorziene kwaliteiten, zullen we nu moeten gaan wennen.

Werk van Marien Schouten is tot 29 augustus te zien in Galerie Paul Andriesse