Charlie Hebdo - Het gezicht van de profeet

In het oog van de beeldenstorm

De islam kent een verbod op het afbeelden van de profeet Mohammed. Afbeeldingen worden ervaren als beledigend. Maar het verbod is in de koran niet terug te vinden en vroeger was het geen probleem.

Medium profeet1

De jongen met de ontblote schouder glimlacht onbevangen en sensueel naar de camera. Of is het een meisje, het androgyne portret laat ruimte voor twijfel. Vrouwelijk en erotisch, het zijn nauwelijks voor de hand liggende kwalificaties wanneer wij aan de profeet Mohammed denken. Toch is dit hem, althans volgens de posters met zijn portret die in Iran worden verkocht. En de posters zijn populair, er wordt beweerd dat het de lievelingsafbeelding was van ayatollah Ruhollah Khomeini. Het origineel was een foto van een jongeman in Tunis uit het begin van de twintigste eeuw, gemaakt door de Boheemse oriëntalist Rudolph Franz Lehnert. In de jaren twintig werd de prent een populaire postkaart. De titel: simpelweg ‘Jeune Arabe’ of ‘Mohammed’, niet vanwege de profeet maar waarschijnlijk omdat dit de naam van het model was. Er bestond een hele serie: Mohammed, Ahmed en ook – naakte – meisjes. In de jaren zestig dook de afbeelding op in Iran, als poster met verschillende religieuze motieven. Hij zou de profeet afbeelden als twaalfjarige en het origineel zou zijn geschilderd door de christelijke monnik Bahira rond het jaar 580. Een andere versie toont de jonge Mohammed voor de ingang van een met een spinnenweb afgedekte grot, een bekende legende uit het leven van de profeet.

Niemand weet precies hoe de overgang van een oriëntalistische foto (gemaakt door een Europeaan met volgens sommigen pedofiele neigingen) naar een religieuze poster plaatsvond, wie ervoor verantwoordelijk is en waar dat gebeurde. Feit is dat de afbeelding vandaag de dag voor iedereen te koop is in de Grote Bazaar van Teheran en voor veel Iraniërs het gezicht van de jonge profeet is, zij het dat zijn schouder vaak is bedekt en zijn gezichtstrekken wat minder vrouwelijk en sensueel zijn gemaakt. Het gezicht van de profeet op een poster: voor veel moslims een schokkende gedachte. Want was het maken van afbeeldingen van mensen en dieren niet verboden binnen de islam? En was binnen de context van dit verbod het afbeelden van Mohammeds gezicht niet nog eens extra beledigend? Werd een deel van de woede over Kurt Westergaards cartoons, de gewelddadige protesten tegen de film Innocence of Muslims en de haatcampagne tegen Charlie Hebdo, culminerend in het bloedbad van afgelopen woensdag, niet juist verklaard door de islamitische afkeer van het tonen van het gelaat van hun profeet?

Zoals zo vaak in theologische kwesties hangt het er vanaf aan wie je deze vragen stelt. Binnen (en buiten) de moslimgemeenschap wordt er over het islamitische aniconisme verschillend gedacht. Soennieten en sjiieten houden er totaal verschillende opvattingen op na, net als gematigde en fundamentalistische moslims. Zeker is dat er voor een algemeen afbeeldingverbod in de koran nauwelijks een basis is te vinden. De enige relevante passage is Soera 5:90 waarin naast wijn en kansspel ook ansaab worden verboden. Nu bestaan er verschillende vertalingen voor dit Arabische woord – van offerstenen tot afgodsbeelden – maar afbeelding betekent het zeker niet. Verder zwijgt de koran over het maken en tonen van illustraties van mensen of dieren en over het specifieke afbeelden van de profeet wordt al helemaal niet gesproken.

In de hadith (de handelingen en spreuken van de profeet) ligt dit anders. De negende-eeuwse Perzische islamgeleerde Mohammed al-Bukhari beschrijft hoe Aisha haar echtgenoot Mohammed een kussen toont waarop dieren zijn afgebeeld. Hierop ontsteekt de profeet in woede en zegt: ‘De makers zullen worden gestraft op de Dag des Oordeels. (…) Engelen betreden geen huizen waar afbeeldingen te zien zijn.’ In een ander geval zou Aisha gordijnen met mensen of dieren erop hebben opgehangen, waarop Mohammed zegt: ‘Zij die op de Dag des Oordeels het zwaarst zullen worden gestraft zijn zij die trachten een gelijkenis van Allah’s creaties te maken.’ Hoewel Bukhari deze anekdotes meer dan tweehonderd jaar na de dood van Mohammed heeft opgeschreven en ze zijn gebaseerd op een traditie van mondelinge overlevering worden ze binnen de islam als sahih, authentiek, beschouwd. Bukhari’s collectie van ahadith wordt zelfs gezien als het belangrijkste geschrift binnen de islam, uiteraard na de koran.

Tafsir (islamitische exegese) leidt dus tot een algemeen verbod op het afbeelden van mensen en dieren, gebaseerd op ondubbelzinnige uitspraken van de profeet zelf. Over de achtergrond van dit verbod bestaan verschillende theorieën. In de eerste plaats bestaat in de islam een sterke afkeer van het aanbidden van afgoden en de gedachte is dat antropomorfische afbeeldingen hiertoe kunnen leiden. In dit opzicht is het verbod weinig meer dan het joodse (en door christenen overgenomen) tweede gebod uit de Talmud. Maar volgens Silvia Naef, hoogleraar cultuurgeschiedenis van de Arabische wereld aan de Universiteit van Genève en auteur van het boek Afbeeldingen en afbeeldingenverbod in de islam, is het verbod meer dan dat. ‘In de periode dat de islam opkwam en botste met het christendom trokken de christenen zich weinig aan van het bijbelse gebod’, vertelt ze. ‘Met een absolute regel zetten de nieuwe moslimmachthebbers zich af tegen de in hun ogen dwalende christenen en lieten duidelijk zien dat er een nieuw geloof was met een eigen, sterk monotheïstische identiteit.’

Dat figuratieve kunst op het pre-islamitische Arabische Schiereiland toch al weinig voorkwam, maakte het voor de grondleggers van de nieuwe religie zelf gemakkelijk zich aan hun verbod te houden. Maar in de veroverde en bekeerde gebieden was het veel moeilijker het nieuwe aniconisme af te dwingen. In Perzië en Syrië bestond wél een traditie van figuratieve kunst en deze bleek lastig te onderdrukken. ‘Alleen in de religieuze kunst hield men zich aanvankelijk strikt aan het afbeeldingverbod’, zegt Naef. ‘Zo kennen wij geen voorbeelden van moskeeën die zijn gedecoreerd met schilderingen van mensen en dieren.’ Maar vanaf de dertiende eeuw duiken vooral in Perzië boekillustraties op van scènes uit het leven van de profeet, waarop Mohammeds gezicht gedetailleerd is te zien.

Medium profeet2
Vanaf de dertiende eeuw duiken vooral in Perzië boekillustraties op van scènes uit het leven van de profeet, met zijn gezicht

Een groter contrast tussen Rudolph Franz Lehnerts jonge Mohammed en het gezicht van Mullah Mohammed Omar is nauwelijks denkbaar. Het gelaat van de Afghaanse Taliban-leider lijkt alle westerse angstbeelden en stereotypen over de islam uit te drukken: intolerant en agressief, wreed, grimmig en humorloos. Als Lehnerts portret al het goede en deugdzame aan de profeet uitdrukt, zou je Mullah Omars gezicht kunnen zien als een boosaardige karikatuur, inclusief tulband, donkere baard en fonkelende ogen (of liever: een fonkelend oog, Mohammed Omar verloor in de jaren tachtig zijn rechteroog door een granaatscherf terwijl hij als mujahid tegen de Russen vocht).

Waar de Iraanse populariteit van het Lehnert-portret een voorbeeld is van de minst strenge opvatting binnen de islam stonden Mullah Omar en zijn Taliban stevig aan de andere kant van het theologische spectrum. Tijdens het bewind van de extreem-fundamentalistische koranstudenten (van september 1996 tot november 2001) werd het eeuwenoude islamitische aniconisme tot absolute wet verheven. Afbeeldingen van mensen en dieren werden uit het dagelijks leven van de Afghanen verbannen, conform de ultraorthodoxe uitleg van de hadith. De Taliban sloten televisiestations en bioscopen en verboden het vervaardigen of tonen van beelden en schilderijen. Fotografie werd in haar geheel verboden – al hielden niet alle Taliban zelf zich aan dit verbod, getuige een serie portretten van hun leiders uit Kandahar. In 2001 vernielden zij met sloophamers de beeldhouwwerken en schilderijen in het Nationale Museum van Kabul. Maar het zou nog erger worden.

Bijna vijftien eeuwen stonden ‘Solsol’ en ‘Shahmama’ in hun nissen in de rotswand die boven de Bamiyanvallei, aan de Zijderoute 230 kilometer ten noordoosten van Kabul op 2500 meter hoogte, uittorent. Vanaf het begin waren de twee reusachtige boeddhabeelden (respectievelijk 53 en 35 meter hoog) een doorn in het oog van de Taliban, maar de nieuwe machthebbers waren niet de eerste islamitische zeloten die hun religieus geïnspireerde woede op de beelden loslieten. Al aan het einde van de zeventiende eeuw richtte Mogul-keizer Aurangzeb zijn kanonnen op de beelden en aan het einde van de negentiende eeuw vernielde de Afghaanse koning Abdur Rahman Khan de gezichten van de twee op dat moment grootste, staande boeddhabeelden op aarde.

Toch hoopte de internationale gemeenschap dat de boeddha’s de fundamentalistische furie zouden overleven. Mullah Omar had in 1999 persoonlijk ingegrepen toen een lokale Taliban-commandant was begonnen gaten in de beelden te boren om er springstofstaven in tot ontploffing te brengen. Weliswaar gaf Omar toe dat Solsol (schijnend licht) en Shahmama (koningsmoeder) afgodsbeelden waren, maar aangezien er in Afghanistan geen boeddhisten meer leefden, was het risico dat ze als zodanig zouden worden vereerd gering. Bovendien, voegde de Taliban-leider er pragmatisch aan toe: ‘Wij zien de beelden als een potentieel belangrijke bron van inkomsten van internationale bezoekers.’

Mullah Omar had blijkbaar niet gerekend op de felle reacties van de gemeenschap van Afghaanse geestelijken, de ulema. Een groep van vierhonderd van hen besloot simpelweg dat de beelden ‘tegen de islam’ waren en toch vernietigd moesten worden. Ondanks radeloze protesten uit de hele wereld (zelfs van de regeringen van Saoedi-Arabië en Pakistan, hoewel veel radicale imams uit deze landen de beslissing steunden) was het op 2 maart 2001 zo ver. Taliban-strijders openden het vuur op de boeddha’s met tanks, artillerie en raketwerpers. Solsol en Shahmama weerstonden het bombardement. Pas toen de Taliban antitankmijnen bij hun voeten plaatsten en aan touwen de rotswand afdaalden om dynamiet in de eerder geboorde gaten te plaatsen, gaven de boeddha’s hun doodsstrijd op en stortten ineen. Op 6 maart was het werk volbracht. Mullah Omar liet er geen twijfel over bestaan dat hij geen traan zou laten over het verlies van Afghanistans misschien wel meest iconische monumenten: ‘Moslims moeten trots zijn op het vernielen van afgodsbeelden. Wij hebben dit gedaan om Allah te prijzen.’

Medium profeet3

De populariteit in Iran van Lehnerts foto van de jonge Mohammed en Mullah Omars doodvonnis over de Bamiyan-boeddha’s zijn de twee uiteinden van een religieus continuüm dat al zo oud is als de islam zelf. Theologische en historische uitleg, technische ontwikkeling, beïnvloeding door verschillende culturen – al deze factoren leiden tot een zeer gevarieerd beeld wanneer je kijkt naar hoe er binnen de islamitische wereld wordt gekeken naar het afbeelden van mensen (en dieren). Deze variatie leidt ertoe dat een groep spelende kinderen in het noordelijke Rifgebergte van Marokko gillend uit elkaar zal stuiven als je een camera op hen richt, terwijl hun neefjes en nichtjes in Nederland hun Facebook-pagina’s verfraaien met dagelijks wisselende (zelf)portretten. Een absoluut afbeeldingverbod is vandaag de dag praktisch onmogelijk te handhaven, zoals men zelfs in het aartsconservatieve, salafistische Saoedi-Arabië kan zien. De introductie van staatstelevisie in 1965 leidde tot een opstand waarbij een neef van de koning werd gedood toen hij een aanval op de studio’s in Riyad leidde. Alleen een koninklijke belofte dat de televisie zou worden gebruikt voor koranlezingen bekoelde de gemoederen. Maar ook de Saoedi’s ontkwamen niet aan een fundamentele discussie over de praktische consequenties van het afbeeldingverbod. Mag je bijvoorbeeld foto’s maken voor paspoorten? In een hele reeks fatwa’s besloten de Saoedische islamgeleerden dat afbeeldingen verboden zijn tenzij er sprake is van darurah, noodzaak, zoals bij identiteitspapieren en – vreemd genoeg – bankbiljetten: blijkbaar wilden de imams geen last met het koningshuis, dat zich graag laat afbeelden op de riyal.

‘Moslims vragen zich af: waarom kan het Westen geen respect opbrengen? Daar moet dan wel iets boosaardigs achter zitten’

Deze nogal inconsequente houding tegenover wat een ondubbelzinnige regel van de profeet lijkt te zijn, zie je ook bij Nederlandse fundamentalisten. Ga naar alyaqeen.com, de website van de salafistische As-Soennah-moskee in Den Haag, vraag er of het is toegestaan foto’s te maken als herinnering en het antwoord laat aan duidelijkheid niet te wensen over: het mag niet, met verwijzing naar de anekdote uit de hadithverzameling van Bukhari. Maar op dezelfde website zijn wel de preken van As-Soennah-imam Rachid Nafi op video te bekijken. Mogelijk rechtvaardigen de salafisten deze paradox met de leer van de Soedanese islamgeleerde en politicus Hassan al-Turabi, een voormalig bondgenoot van Osama bin Laden, die pleit voor een rol van de beeldende kunst bij het verspreiden van islamitische propaganda. De ironie van Turabi’s denkwijze is evident: om het ware geloof te verspreiden is het toegestaan de regels ervan te overtreden.

‘Vroeger dacht men dat afbeelden een soort van scheppen was. Dus als ik iemand afbeeldde, deed ik het werk van Allah na, werd ik een schepper’, zegt Mohamed Ajouaou, theoloog aan de Vrije Universiteit. ‘Zelfs als deze uitleg van de koran en de traditie juist zou zijn, is het tegenwoordig ondenkbaar dat je zonder afbeeldingen door het leven kunt.’ En het ondubbelzinnige verbod van Bukhari dan? ‘99 procent van de moslims weet niets van de hadith. Maar de geest ervan is een algemeen goed dat in de cultuur is opgenomen. Daarom zul je in het huis van een moslim minder gauw familiefoto’s aan de muur zien’, aldus Ajouaou. Een absoluut afbeeldingverbod leeft dus buiten fundamentalistische kringen nauwelijks, eerder een soort algemene, haast onbewuste afkeer die in de praktijk van hedendaagse moslims het vervaardigen en gebruik van foto’s, kindertekeningen en poppen nauwelijks in de weg staat.

veel minder omstreden binnen de oumma is het verbod de profeet Mohammed af te beelden, al is daar niet méér theologische basis voor te vinden in koran en hadith dan voor afbeeldingen in het algemeen. Er lijkt binnen de islam een soort rangorde te bestaan: God mag zeker niet worden afgebeeld (er zijn geen islamitische afbeeldingen van Allah bekend). Mohammed, zijn boodschapper – niet goddelijk, maar wel beschouwd als de perfecte mens – mag ook niet, al gebeurde dit regelmatig in de loop van de geschiedenis. Daarna komen profeten als Ibrahim/Abraham, Moussa/Mozes en Issa/Jezus en de eerste volgelingen van Mohammed. Hen afbeelden is verboden, maar minder erg, terwijl van wereldlijke heersers al vanaf de vroege ontstaansgeschiedenis van de islam afbeeldingen bekend zijn. Een veelgehoord argument is dat het risico van verering groter is naarmate een mens hoger in deze rangorde staat.

De paradox hierbij is dat Mohammed ondanks zijn menselijkheid in de praktijk niet minder wordt vereerd dan veel goden in andere religies. En het is dan misschien voor soennitische moslims niet toegestaan een afbeelding van de profeet in huis te hebben, maar hoeveel christenen laten hun baard staan, hun haren groeien en dragen gewaden uit de eerste eeuw omdat Jezus dat deed? Als Mohammed geen god is, waarom is dan de woede over afbeeldingen gemaakt door niet-moslims (die de regels van de islam niet in acht hoeven te nemen) zo groot? En ligt de oorzaak van deze woede in het afbeelden zelf of in de – al dan niet bedoelde – beledigende wijze waarop dit gebeurt?

‘Door Mohammed af te beelden, ben je aan het beledigen’, verwoordt Maurits Berger, die de leerstoel islam in het hedendaagse Westen bekleedt aan de Universiteit van Leiden, de denkwijze van islamitische demonstranten tijdens de affaires rond cartoons van Kurt Westergaard, Lars Vilks en Charlie Hebdo. ‘Jullie weten dat dit voor ons een probleem is en jullie gooien expres een hele pagina vol met cartoons, je maakt er een wedstrijd van. Rub it in, rub it in, nog meer zout in de wonden. Zo ga je niet om met religieuze symbolen, punt. Het gaat om de manier waarop in het Westen met religie wordt omgegaan, het is het bekende verhaal: geef ons nou eens respect.’ Beledigen door het simpele afbeelden dus. Bergers stelling wordt onderbouwd door de pogingen van islamitische organisaties in de VS om een afbeelding van de profeet in een uit 1935 stammend reliëf in het gebouw van het U.S. Supreme Court in Washington te laten verwijderen. Mohammed is hier te zien tussen belangrijke wetgevers als Mozes, Karel de Grote en Justitianus, en de afbeelding is allesbehalve cartoonesk.

Een soortgelijke controverse trof het Duitse opinieblad Der Spiegel in 1999 toen het een schilderij van Theodor Hosemann uit 1847, getiteld De roeping van Mohammed door de engel Gabriel afdrukte tussen afbeeldingen van andere ‘morele apostelen’ als Jezus, Confucius en Kant. De rel leidde ertoe dat Der Spiegel in 2001 hetzelfde schilderij nogmaals afdrukte, maar ditmaal met het gezicht van de profeet wit gemaakt, zoals de voorzitter van de Centrale Raad voor moslims in Duitsland, Nadeem Elyas, had voorgesteld, ‘om moslims niet opzettelijk te beledigen’. Elyas gaf toe dat de regels van de islam weliswaar niet gelden voor niet-moslims, maar zei dat moslims ‘verwachten dat in een multiculturele samenleving men weet wat de gevoelens van moslims krenkt en dat men daarmee rekening houdt’.

Gekrenkt worden door een anderhalve eeuw oud schilderij dat in geen enkel opzicht beledigend is bedoeld: het lijkt een kwestie van lange tenen. Vooral als je bedenkt dat er zoveel prachtige afbeeldingen van de profeet uit de soennitisch-islamitische wereld zelf komen. Uit de veertiende en vijftiende eeuw is een groot aantal afbeeldingen van de profeet uit Perzië, Anatolië en Centraal-Azië bewaard gebleven. Vanaf de zestiende eeuw zetten de Ottomanen die traditie voort, zij het dat Mohammeds gezicht vaak met een sluier werd bedekt. Uit het begin van de negentiende eeuw is zelfs een Turkse koran bekend, geïllustreerd met prenten van verschillende profeten, waaronder Mohammed zelf. De bibliotheek van het Topkapi-paleis in Istanbul heeft een uitgebreide collectie afbeeldingen, maar niemand lijkt zich er druk om te maken, wellicht omdat de overgrote meerderheid van de moslims absoluut geen weet heeft van hun bestaan. Net zoals ze geen weet heeft van een houtgravure van Gustave Doré uit 1885.

De woede onder moslims zit ’m niet in het overtreden van het afbeelding­verbod an sich, maar in de ‘spottende toon’ ervan

Doré’s illustratie van Dante’s Inferno is in potentie vele malen beledigender voor moslims dan het onschuldige schilderij van Hosemann of zelfs de cartoons van Vilks en Westergaard. Op de afbeelding kijken Dante en Vergilius in de negende kuil van de achtste cirkel van de hel neer op Mohammed (en Ali). De profeet is naakt en zijn torso is van kin tot onderbuik opengesneden, waardoor zijn organen en ingewanden naar buiten komen. Elke avond sluit de wond zich om iedere morgen opnieuw geopend te worden – een straf die Dante blijkbaar gerechtvaardigd vond voor deze ‘zaaier van tweedracht’. En Doré is niet de enige kunstenaar die zich aan dit motief heeft gewaagd. De oudst bekende illustratie (maker onbekend) stamt uit de tweede helft van de veertiende eeuw, terwijl Botticelli in 1481 zijn versie tekende. Doré’s tijdgenoot Auguste Rodin maakte er rond 1880 een tekening van en ook moderne kunstenaars schuwden het thema niet: Dali schilderde de gemartelde Mohammed in 1959 en in 2002 illustreerde Miquel Barceló De goddelijke komedie met een aquarel van de profeet. Geen van deze afbeeldingen leidde tot al te veel beroering in de islamitische wereld, al rolde eveneens in 2002 (en in 2006 opnieuw) de Italiaanse politie een aan al-Qaeda gelieerde terreurcel op die het plan had opgevat de basiliek van San Petronio in Bologna op te blazen. De reden: een op Dante’s werk gebaseerde vijftiende-eeuwse fresco waarop Mohammed in de hel door demonen wordt gemarteld. Dit laatste incident kan misschien als waarschuwing dienen voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk in het Vlaamse Dendermonde, waar aan de basis van de houten, zeventiende-eeuwse preekstoel twee engelen lopen over een op de grond liggende Mohammed die de koran vasthoudt.

Medium profeet4

‘Typisch religieus-islamitische regels zijn for moslims only, maar waar het om gaat is respect voor religie’, legt Maurits Berger uit. ‘In landen waar de islam de meerderheidsreligie is, wordt dat afgedwongen. In het Westen vragen moslims zich af: waarom kunnen jullie dat respect niet opbrengen? Daar moet dan wel iets boosaardigs achter zitten.’ Waar het bespottelijk is het Amerikaanse Hooggerechtshof en Der Spiegel van respectloze boosaardigheid ten opzichte van religieuze gevoelens te beschuldigen, lijkt hiervan bij de _Innocence of Muslims-_affaire wel degelijk sprake. De motieven van filmmaker Sam Bacile, een pseudoniem voor de Egyptische christen Nakoula Basseley Nakoula, waren duidelijk toen hij in de zomer van 2012 zijn C-film op het internet zette: zo veel mogelijk publiciteit vergaren door het uitlokken van woedende reacties onder moslims. Bacile werd op zijn wenken bediend: de lachwekkend slechte productie over het leven van Mohammed leidde tot protesten in de hele islamitische wereld waarbij minstens vijftig mensen om het leven kwamen.

Overigens is een gebrek aan ‘boosaardigheid’ en zelfs strikte gehoorzaamheid aan islamitische regels geen garantie voor succes wanneer een filmmaker de profeet als onderwerp kiest. Hoewel regisseur Moustapha Akkad zich hield aan een Egyptische wet uit 1947 die het afbeelden van de profeet (en dat van zijn vrouwen, familielieden en naaste volgers) verbiedt, werd zijn Mohammad, Messenger of God (1976) in Caïro verboden. De pogingen van Akkad om rekening te houden met de gevoeligheden van conservatieve moslims werden beloond met bloedige ironie: op 9 november 2005 kwamen de filmmaker en zijn dochter om het leven toen een zelfmoordterrorist in de lobby van het Grand Hyatt Hotel in Amman zijn bomgordel tot ontploffing bracht.

Kunstenaars Kurt Westergaard en Lars Vilks hebben het lot van Akkad tot nu toe weten te ontlopen, ondanks de golf bedreigingen en (bijna-)aanslagen die hun spotprenten teweegbrachten – Westergaard tekende Mohammed in 2005 met een bom in zijn tulband en Vilks portretteerde de profeet in 2007 als een blaffende hond. De redactie van Charlie Hebdo werd in november 2011 verwoest met een brandbom nadat ze een speciale editie, getiteld Charia Hebdo, had uitgebracht waarbij de profeet als ‘hoofdredacteur’ op de voorpagina prijkte. De woede onder moslims over deze incidenten zit ’m niet in het overtreden van het afbeeldingverbod an sich, maar in de ‘spottende toon’ ervan, legde Mohammed Moussaoui, voorzitter van de Franse Raad van het Moslim Geloof, na de eerste aanslag op Charlie Hebdo uit. Natuurlijk bond de redactie niet in, wat leidde tot de publicatie van La vie de Mahomet in september 2012, waarschijnlijk de aanleiding voor de slachtpartij van vorige week.

Dat de woede over afbeeldingen van de profeet echt niet alleen bij gewelddadige extremisten diepgeworteld zit, schetst Maurits Berger met een vergelijking: ‘Kun je begrijpen hoe dat zit, gevoelsmatig? Ons icoon is Anne Frank, dat is een icoon, want als je dat terugbrengt tot logica is het drie keer niets. Maar dat is de gevoelswaarde die het heeft.’ Diezelfde vergelijking trok de Arab European League (ael), toen de organisatie in reactie op Westergaards cartoon een tekening van Anne Frank in bed met Adolf Hitler op haar website publiceerde, naast spotprenten die de holocaust bagatelliseerden. De bedoeling van de ael was ‘Europa te confronteren met haar eigen hypocrisie bij het gebruik van sarcasme en spotprenten’. Maar is die vergelijking terecht, bestaat die hypocrisie? De cartoons van de ael leidden – in tegenstelling tot de Mohammed-cartoons – niet tot demonstraties, rellen of aanslagen. Blijkbaar ligt zelfs het bespotten van ‘icoon’ Anne Frank en de holocaust in Europa een stuk minder gevoelig dan het beledigend afbeelden van de profeet in de islamitische wereld. Overigens zijn Europese spotprenten over Mohammed niets nieuws, er zijn door de eeuwen heen tientallen voorbeelden van bekend. De eerste, ‘Mahumeth’ afgebeeld als een visje in de marge van een Latijnse vertaling van de koran, stamt uit 1176 en is de oudst bekende afbeelding van de profeet.

Mohammed Ajouaou vindt een vergelijking tussen hoe er in het Westen wordt gereageerd op het bespotten van de holocaust en de islamitische reacties op de cartoonaffaires ‘ongepast’. De Amsterdamse theoloog komt met een andere, vaak door moslims zelf gebruikte metafoor: hoe zou je reageren als iemand je ouders belachelijk maakt? De koran draagt gelovigen nadrukkelijk op Allah en zijn profeet meer lief te hebben dan ‘jullie vaders en jullie zonen en jullie broeders en jullie echtgenoten en jullie familie…’ En volgens de hadith van Bukhari doet Mohammed hetzelfde als hij zegt: ‘Niemand zal (waarachtig) geloven tot ik hem dierbaarder ben dan zijn ouders, kinderen en alle mensen samen.’ Misschien ligt daar de verklaring voor die diepgewortelde woede, die in onze westerse ogen zo overdreven gekrenktheid: een door God zelf opgedragen innige, persoonlijke relatie van de gelovige met zijn profeet, van wie hij meer houdt dan van zijn ouders. Of toch minstens evenveel. Niemand laat graag zijn ouders beledigen en zeker niet door een buitenstaander.

Het is anno 2014 onmogelijk het gezicht van de profeet te tonen, de oudste illustratie uit het Midden-Oosten stamt van bijna zevenhonderd jaar na zijn dood. En hoe Mohammed wordt afgebeeld hangt af van door wie, waar, wanneer en waarom het portret is gemaakt. Hoe verder oostelijk de herkomst van de afbeelding, hoe Aziatischer het gezicht van de profeet wordt. Lehnert fotografeerde zijn niet-profetische Mohammed zoals hij jongens graag zag, Doré maakte zijn Mohammed naakt en baardloos, Westergaard tekende de profeet als kwaadaardig en Sam Bacile verfilmde hem als lachwekkend. Voor moslims is hij echter de perfecte man, zowel moreel als fysiek, iets wat wij terugvinden in de beschrijvingen die worden toegedicht aan zijn eerste volgelingen. ‘Ik zag nooit een man zoals hij’, zou zijn neef, schoonzoon en opvolger Ali over de profeet hebben gezegd. ‘Hij was te lang noch te kort maar van gemiddelde lengte. Zijn haar was krullend noch recht maar er tussenin (golvend). Hij was niet dik noch was zijn gezicht te gerond met grote wangen, lichtgevuld, wat aan de lange kant en met een rozige gelaatskleur. Zijn ogen waren diepzwart met lange wimpers. Hij had weinig lichaamshaar dat van het midden van zijn borst tot boven aan zijn buik groeide. Zijn handen waren vol en zijn vingers ook, toch waren zij zacht bij aanraking. Zijn tred was vlug en verraadde besluitvaardigheid. (…) Op zijn rug, tussen zijn schouderbladen was de ring van het profeetschap, een kleine rode vlek ter grootte van een duivenei, een teken dat het Volk van het Boek had herkend, want hij was de laatste der profeten.’


Beeld: (1) De eerste karikatuur en wellicht de oudste nog bestaande afbeelding van de profeet Mohammed, getekend in de marge van een Latijnse vertaling van de koran, 1162. (2) Deze foto van een Arabische jongen uit ca. 1905 verbeeldt voor miljoenen sjiitische moslims hét gezicht van de profeet. (3) Mohammed berijdt het mythologische paard Buraq, achttiende eeuw, India. Gouache, bladgoud op papier, 17,7x10,9x6,6cm (Art Gallery of South Australia). (4) Dante en Vergilius kijken in de hel neer op Mohammeds straf in Gustave Doré’s illustratie van Dante’s Inferno, 1860.