Is Lubbers afgeschreven?

In het pak genaaid

Lubbers lijkt afgeschreven. Maar is het zo eenvoudig? Want waarom is de aanklacht gelekt naar de Amerikaanse pers? Wie heeft daar belang bij? En welke regisseurs zitten achter deze stormloop?

In de Nederlandse pers wordt met veel leedvermaak geschreven over Ruud Lubbers als de hardleerse womanizer die nu tegen de lamp is gelopen. Terwijl Lubbers zelf stellig ontkent dat er sprake is geweest van seksuele intimidatie gaan veel journalisten alvast uit van zijn schuld. «Lubbers’ libido eindelijk in de krant» kopte de Volkskrant zaterdag. HP/De Tijd stelt onder de titel «De neergang» dat Lubbers dertig jaar dingen deed die niet door de beugel konden, maar waarmee hij in de vrije jaren zeventig altijd wegkwam. Ook meldt HP/De Tijd — foutief nota bene — dat er nog vier andere aanklachten lopen en «vijf zijn er wel wat erg veel». In NRC Handelsblad zegt Opzij-hoofdredactrice Ciska Dresselhuys dat, als blijkt dat handtastelijkheid een patroon is in zijn leven, «hij maar eens fijn met pensioen moet». De tendens van de publicaties is dat Lubbers, gelet op zijn aloude reputatie, te veel is beschadigd om zijn functie te blijven bekleden. De Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen verkeert volgens dit Hollandse perspectief aan de rand van de afgrond van zijn lange loopbaan.

Lubbers zelf heeft naar buiten toe consequent gezwegen. Volgende week woensdag zal hij minister Bot van Buitenlandse Zaken in Den Haag mogelijk uitsluitsel geven. Maar vlak voor Pinksteren heeft Lubbers in eigen kring wél voor een tegenaanval gekozen. In een brief aan de zesduizend medewerkers van de UNHCR schrijft hij vrijdag 28 mei dat de afhandeling van de klacht de toets der kritiek niet kan doorstaan. De uitslag van het onderzoek zou op maandag 24 mei aan de secretaris-generaal gepresenteerd worden. Dat is niet gebeurd. «Inmiddels zijn we bijna een week verder», aldus Lubbers in de brief, waarin hij diepe spijt betuigt dat zijn «vriendelijke en hartelijke gebaar is gevoeld als ongepast».

Maar hij haalt ook hard uit naar de interne onderzoekscommissie van zijn organisatie — Office of Internal Oversight Services (OIOS) — die de aanklacht in behandeling heeft. Lubbers vraagt zich af hoe het komt dat de aanklacht van 18 december 2003 niet zoals gebruikelijk integer en vertrouwelijk is behandeld door het interne rechtssysteem van de Verenigde Naties. «Het liep anders. OIOS gaf er de voorkeur aan om mij, als de persoon tegen wie de klacht is ingediend, niet te informeren. Ik kreeg ook geen afschrift van de aanklacht zoals wel is voorzien in de Administrative Instruction on Procedures for dealing with sexual harassment», aldus Lubbers. Waarop hij cryptisch schrijft: «OIOS zal zijn redenen wel gehad hebben om daarvan af te zien. En toen ging het fout, verschrikkelijk fout. De aanklacht (…) lekte uit naar de pers en werd publiekelijk bekend. Dat zorgde voor veel leed, gekwetstheid onder het personeel en van de organisatie.» Daardoor is volgens hem alle ruimte gegeven aan publieke aantijgingen en speculaties, wat de organisatie als geheel grote schade berokkent. Hij stelt — strategisch — dat dit bovendien een enorme last legt op de schouders van de medewerkster die de aanklacht indiende bij de OIOS, vertrouwend op integriteit en vertrouwelijkheid: «Zij moest nu ondervinden hoe haar klacht werd verdraaid en misbruikt, in strijd met haar bedoeling om alleen degenen die betrokken waren intern ter verantwoording te roepen. De medewerkster moet dit zeer betreuren. Dat doe ik ook en ik weet dat mijn zorgen en gevoelens door zeer, zeer velen worden gedeeld.»

Behalve dat Lubbers verbijsterd is dat de OIOS hem niet tijdig en correct heeft geïnformeerd, signaleert hij dat deze commissie zich bovendien niet beperkte tot de aanklacht zelf «maar een zoektocht startte om te zien of er wellicht nog andere vrouwen een enigszins vergelijkbare ervaring met mij hadden opgedaan».

Uit zijn weerwoord valt een harde conclusie te trekken. De OIOS heeft zich niet willen houden aan de Administratieve Richtlijn, waarbij een zaak in veel gevallen informeel achter gesloten deuren wordt opgelost. Nog opvallender is dat de uitslag van het onderzoek is uitgesteld, zodat de speculaties over wat er precies is voorgevallen op 18 december in Lubbers’ werkkamer in Genève volop kunnen doorgaan. Kortom, Lubbers heeft kennelijk aanwijzingen dat de OIOS zich door andere agenda’s laat leiden dan louter die van de interne reglementen.

Een aantal vragen rijst op uit deze procedurele rommeligheid. Is er inderdaad sprake van knijpen in billen en is dit een patroon van grensoverschrijdend fysiek gedrag waardoor vrouwen zich belaagd voelen? Is Lubbers met zijn vriendschappelijke omgang met zowel mannen als vrouwen gewoon een slachtoffer van een preutse gereglementeerde Amerikaanse gender-cultuur? Of is er sprake van een bewuste timing van de aanklacht — vijf maanden na dato en vooralsnog redelijk onschuldig — in een poging Lubbers te wippen? Zo ja, door wie?

Deze vragen houden de diplomatieke wereld in Genève bezig sinds de primeur in The New York Times op 18 mei. Lubbers’ medewerkers op het hoofdkantoor geloven in zijn onschuld en zijn verbijsterd over de eenzijdige benadering in met name de Nederlandse pers. Gelaten wachten ze de — vooruitgeschoven — uitslag van het onderzoek af.

Anne-Willem Bijleveld, directeur Extern en al 29 jaar werkzaam bij de UNHCR, heeft dagelijks met Lubbers te maken: «Als hij een kamer binnenkomt, slaat hij de arm om iedereen heen. Zo is hij nou eenmaal. Hij heeft lak aan de Geneefse gedragsregels en het diplomatieke protocol. Dat siert hem. Dat hij wel eens op gevoelige tenen trapt, wat al te familiair vrouwen bejegent, ach, daar steekt niks kwaads achter.»

Andere bronnen schetsen een beeld van een keiharde werker, die dag en nacht bezig is en veel eist van zijn omgeving. Zijn naaste medewerkers kunnen zijn werktempo nauwelijks bijbenen. Lubbers reist tegen de tijdzones in de wereld rond om zelf op locatie te kijken. Zoals veel mensen zeggen: hij kwam binnen als zakenman en als pragmatisch politicus maar is allengs emotioneel geïmponeerd geraakt door de omstandigheden waarin vluchtelingen verkeren en steeds meer bevlogen geworden voor de humanitaire zaak die hij nu op de hoogste niveaus bepleit.

Lubbers werd in 2000 binnengehaald om als fundraiser de UNHCR financieel uit het slop te trekken. Niet Jan Pronk werd door VN-secretaris-generaal Kofi Annan aangewezen voor deze hoge functie maar Ruud Lubbers. Annan zocht iemand met een achtergrond als zakenman, een bestuurlijke manager met een enorm internationaal netwerk. Hij heeft dat goed gedaan. «Overal weet hij potjes aan te boren of belt hij direct met een regeringshoofd van een donorland waar het geld blijft», valt in Genève te horen.

Lubbers’ reputatie is binnen de VN-vluchtelingenorganisatie goed. Het wil er bij niemand in dat hij in een politieke valstrik kon vallen, zoals de Zwitser Jean-Pierre Hocké in de jaren tachtig. Hocké moest in 1987 al na drie jaar opstappen als Hoge Commissaris nadat zijn naaste staf naar de pers lekte hoe hij op kosten van de UNHCR met zijn echtgenote eerste klas vloog om onder meer naar de Salzburger Festspiele te reizen. Vergoeding achteraf van die tickets kon hem niet meer redden. Anne-Willem Bijleveld: «Negentig procent van het personeel wilde van hem af. Negentig procent van de donorgemeenschappen eveneens.» Het personeel spande, met andere woorden, tegen de onpopulaire baas samen om hem te laten vallen. «Daar is dan geen houden meer aan. Bij Lubbers is het tegendeel aan de hand. Hij wordt op handen gedragen.»

Onder Nederlandse diplomaten is desondanks bijna niemand te vinden die niet meent dat «Barbertje moet hangen». Iedereen is het erover eens: Lubbers gaat het niet redden, ondanks zijn eigen optimisme dat spreekt uit de interne brief aan de medewerkers, die hij eindigt met de woorden: «Wees ervan verzekerd dat ik, mijn verontschuldigingen, spijt en vooral woede voorbij, een Hoge Commissaris zal blijven die vrij toegankelijk is voor alle medewerkers.» Een Noorse veldmedewerkster: «Ik hoop tegen beter weten in dat het uiteindelijk toch informeel kan worden opgelost. Je moet hier bij de VN onderhand zo schoon zijn als Sneeuwwitje.»

«Je reinste karaktermoord», zoals er wordt gezegd?

Het blijft hoe dan ook de vraag door wie en waarom er is gelekt naar de pers, uitgerekend in de week dat Lubbers zelf in Washington was voor werkbesprekingen met de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell en veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. In het artikel in The New York Times wordt Lubbers, «die is getrouwd en drie kinderen heeft», namelijk in één moeite door in verband gebracht met een oudere onverkwikkelijke affaire. In oktober 2002 haalde de VN-organisatie het nieuws vanwege seksueel misbruik van vluchtelingen in kampen in West-Afrika door UNHCR-medewerkers in het veld. Lubbers zou toen aanvankelijk niet adequaat genoeg hebben gereageerd en pas in een latere verklaring ondubbelzinnig «zero tolerance ten aanzien van misbruik» hebben uitgevaardigd. Zo wordt een beeld gesuggereerd van een organisatie die het tot aan de hoogste baas toe kennelijk niet zo nauw neemt met de kwetsbare positie van vrouwen, in de kampen dan wel op de werkvloer van het hoofdkantoor.

Aangezien de aanklacht afkomstig is van een Amerikaanse vrouw en is gelekt naar een Amerikaanse krant zou het kunnen zijn dat er sprake is van regie in de Verenigde Staten. Daar is ook bekend dat Lubbers zich zonder reserve kritisch heeft uitgelaten over de politiek van George Bush. In een interview in januari 2004 met Wordt vervolgd, het blad van Amnesty International, zegt hij bijvoorbeeld over de opsluiting van asielzoekers sinds 11 september 2001 in de Verenigde Staten: «Er ontwikkelt zich in feite een tragedie die ingaat tegen de beste traditie van de VS. Het is betreurenswaardig. Dit zijn de VS niet meer.» Over de Irak-oorlog sprak hij ook openlijk: «Ik was de eerste die luid en duidelijk aangaf dat een interventie in Irak in een humanitaire crisis zou resulteren. Ik ben ervoor op mijn vingers getikt als zou ik politiek bedrijven Zo heb ik ook de VS gewaarschuwd dat het vernederend is wat daar gebeurt met asielzoekers. Ik zeg het in het openbaar en vraag me echt niet af, o God, dit gaat me geld kosten van de VS, de belangrijkste donor van de UNHCR. Ik heb een mandaat van de Algemene Vergadering van de VN om me te roeren en op te komen voor de verdrukten. Dus doe ik dat.» En over de verlenging van zijn termijn over twee jaar zei hij: «Mijn God, deze baan is al zo’n voorrecht. Ik ben 64 jaar, heb alles al gedaan in dit leven. Wat zou er mooier zijn dan dat ze me wegsturen omdat ik te kritisch ben. Dat zou fantastisch zijn!»

Volgens VN-diplomaat Bijleveld is de hypothese dat de Amerikanen op deze wijze van Lubbers af willen ongeloofwaardig. De recente besprekingen van Lubbers in Washington, waar Bijleveld zelf bij is geweest, beschrijft hij als «voortreffelijk». Andere bronnen in Genève spreken de mogelijkheid van een door Washington georkestreerde hinderlaag eveneens tegen. Lubbers heeft volgens hen gedaan wat hem was gevraagd: financieel orde op zaken stellen, taken afstoten terwille van de hoodzaak en het personeelsbestand met vijftien procent inkrimpen.

Ook op meer afstand van de «hete brij» is niemand te porren voor deze veronderstelling. Zoals rechtsgeleerde Theo van Boven, die in 1981 werd ontslagen als VN-directeur Mensenrechten. Hij werd slachtoffer van een Latijns-Amerikaanse chicane, omdat hij te kritisch was. Hij gelooft niet in een opzetje, hoewel hij geen antwoord heeft op de timing van de berichtgeving en het zeer opvallend vindt dat de uitslag van het interne onderzoek op zich laat wachten: «Als er geen gewenste uitkomst is, dan wordt het onderzoek gerekt of komt er uiteindelijk geen uitslag. Maar de schade is reeds gemaakt.»

Dat er van binnenuit door en medewerkers aan de poten van Lubbers’ stoel wordt gezaagd, wordt daarentegen wél aannemelijk geacht. Niet wegens zijn reputatie als professional, maar omdat hij het symbool zou zijn voor de organisatie als mannenbolwerk.

De 51-jarige vrouw die de aanklacht heeft ingediend is werkzaam op Personeelszaken en was op 18 december als enige vrouw met vijf mannen aanwezig bij de vergadering over het opstellen van een lijst met mensen (het Rooster) die gekwalificeerd zijn om tot de internationale staf te behoren. Lubbers schrijft in zijn brief dat de vrouw «een positieve rol in de discussie speelde». Kennelijk had hij anders verwacht. Mogelijk zette het toch kwaad bloed dat potentiële vrouwelijke kandidaten voor het Rooster gepasseerd werden. In de pers (zoals HP/De Tijd) wordt ten onrechte gemeld dat er nog vier andere aanklachten tegen Lubbers liggen. Volgens insiders zou het eerder zo kunnen zijn dat deze vier vrouwen na afloop van deze belangrijke vergadering de agenda’s hebben getrokken om de in hun ogen seksistische cultuur hard aan te pakken. Ze zouden de Amerikaanse stafmedewerster hebben gestimuleerd een aanklacht in te dienen, de OIOS hebben bewerkt om een andere procedure te volgen, en de aanklacht hebben gelekt, zodat hun agenda weer vaart zou krijgen.

Lubbers zou, met andere woorden, in het pak zijn genaaid. Bijleveld: «Het betreft hier een ongelukkig voorval dat door een Amerikaans staflid al te serieus is opgevat, mogelijk omdat zij een promotie is misgelopen of in haar carrière is gedwarsboomd.»

Dat neemt niet weg dat het binnen de VN droevig is gesteld met het aantal vrouwen op hoge posities, ondanks de belofte van Kofi Annan daar iets aan te veranderen. In een internationale organisatie — met al die medewerkers met verschillende culturele opvattingen over onderlinge omgangsvormen — hebben veel vrouwen ervaring met losse handjes, bazen met toespelingen op seksuele diensten en directe handtastelijk heden. Ze klagen dat ze, als ze weerstand bieden of proberen het aanhangig te maken, zich belemmerd voelen in hun promotie kansen. De vele strafklachten bij de geschillencommissie OIOS, ingesteld in 1994, maar ook bij het hof van appèl, het Administrative Tribunal, getuigen daarvan. Boven aan de lijst staat het lastigvallen van vrouwelijk personeel. Een van de weinige vrouwelijke directeuren binnen de UNHCR, Erika Feller, zegt dat ze haar positie heeft te danken aan Lubbers’ voorgangster, Sadoko Ogata, die bewust vrouwen op hoge posities benoemde. Maar, zegt ze: «Ik kan me niet voorstellen dat Lubbers zich heeft bezondigd aan seksuele intimidatie. Ondenkbaar, het is een zaak die door de media is opgeblazen. Er is hier iets heel erg mis gegaan.»

Met medewerking van o.a. Hubert Smeets