In het park

Ik wil zo graag, maar ik kan niet.

Ik wil zo graag niet cynisch zijn, maar dat lukt niet. Hoe doen mensen dat? ‘Ik vind cynisme zo bekrompen, dat is een kleingeestige levensinstelling.’

Dan maar kleingeestig.

Ik wil ook zo graag hoop hebben. Hoop op een betere toekomst. ‘Luister, de wereld is nog nooit zo vredelievend geweest als nu. Er vallen minder doden dan honderd jaar geleden, mensen worden ouder, er is vooruitgang, er is alle reden om optimistisch te zijn.’

Ik heb geen hoop en ik ben niet optimistisch.

Hoop, optimisme, cynisme zijn aandoeningen. Psychische gesteldheden. Ik denk steeds vaker dat ze niet zo veel van doen hebben met rationaliteit, maar ik sluit niet uit dat ik me vergis. Dan ben ik dom, dan kom ik intelligentie te kort om mijn cynisme, mijn pessimisme en mijn gebrek aan hoop weg te rationaliseren.

Ik begrijp wel dat er minder doden vallen dan honderd jaar geleden, dat mensen ouder worden en dat je eventueel zou kunnen spreken van vooruitgang, maar dat is over een lange tijd. Ik blijf het toekomstperspectief eerder vinden neigen naar oorlog dan naar langdurige vrede. Oorlog op kleine schaal. We gaan iedereen in een café doodschieten, we rijden met een vrachtwagen weer eens op een menigte in – dat soort guerrilla-tactieken geven in totaal minder doden, maar de willekeur van het kwaad, de onvoorspelbaarheid, het sadisme uit domheid van de eenling, zorgt ervoor dat ik mijn sombere vooruitzichten niet uit mijn geest gepoetst krijg.

Is dat ook een leeftijdskwestie?

'Dames en heren, u ziet het niet, maar ik wel!' riep de schlemiel. Word ik ook zo iemand?

Het is net of jongeren de vrijheid die ik had in de jaren zeventig veroordelen. Ik heb daar geen bewijzen voor, maar zeg het intuïtief. Elke dag loop ik in het Vondelpark met de hond en kijk. Ik ben niet echt een observator. Te vaak kom ik thuis en weet ik wel wat ik heb gedacht, maar niet wat ik heb gezien. Maar als ik bewust naar de jongeren staar en ze vergelijk met mijn eigen jeugd, dan is er een verschil. Ja, ze roken wel hun jointje, ze liggen wel eens een potje te vrijen, maar toch… Het lijkt minder vrij, terwijl ze aan de andere kant decadenter zijn. Decadentie zit ’m in het feit dat er altijd drank is, en joints en een bal plus wat dure scooters op de achtergrond. Dus er is geld genoeg. Maar het zijn meestal jongens die bij elkaar zitten. Of meisjes. Er wordt niet gepraat. Er wordt gebald. Er wordt woordloos gedronken en geblowd. Er wordt constant in telefoontjes gekeken. Als er een meisje bij is, dan gebeurt er eigenlijk niks. Het is net, in vergelijking met de jaren zeventig, of ze van hun ouders straf hebben gekregen en nu alles stiekem moeten doen.

Toen ik vanmiddag in het park liep – mooi weer, veel buitenlandse nichten in het park – bekroop me weer het het-wordt-weer-oorlog-gevoel. Dat gevoel krijg ik steeds vaker. Het is geen angst maar meer het sentiment dat je onafwendbaar naar het wapengekletter marcheert.

Dat is niet zo, maar toch denk ik dat. Daar hoort ook bij dat ik vermoed dat anderen het domweg niet zien.

Het is schlemielig. Heel vroeger – vijftig jaar geleden – liep er een schlemiel in het park en die waarschuwde alle mensen voor naderend onheil: ‘Dames en heren, u ziet het niet, maar ik wel!’ riep hij. We zagen allemaal dat hij niet goed sjoege was.

Word ik ook zo iemand?

De man was destijds gekleed – jaren zestig – in voor die tijd oude kleren die mijn moeder ‘lompen’ noemde. Hij had een tas bij zich met schriftjes waarin hij gedichten schreef. Soms las hij er een hardop voor. Een zin van hem citeerde mijn vader vaak.

‘Verganklijkheid, sterf, dan blijf ik jong.’