Huiselijk centrum op boerengrond

In het relatieve niets

Hoe bouw je welbehagen? En is dat überhaupt wel mogelijk? Het Utrechtse universiteitscentrum De Uithof is een who’s who van de Nederlandse architectuur.

ER ZIJN TWEE MANIEREN om vanuit Utrecht op het universiteitscentrum De Uithof te komen. Als je buitenom rijdt, verlaat je via de Biltstraat en verkeersplein de Berekuil de bebouwde kom en maak je een bocht om het groene Rijnsweerd heen totdat je onder het viaduct van de A27 door gaat. Binnendoor rijd je door het chique Wilhelminapark, langs het Rietveld-Schröder Huis, en slalom je door de bungalows in Rijnsweerd voordat je onder het viaduct staat.
Vanaf het A27-viaduct heb een perfect zicht op De Uithof; een kleine vijftien jaar terug was dit nog een boerenveld, inmiddels is het een proeftuin van wat Nederland architectonisch heeft te bieden. Tussen het viaduct en de bebouwing ligt nog precies één grasveldje. Een slootje splijt het in tweeën. Er staan een paar beuken, in het voorjaar lopen er wat schapen. Ooit was dit marsmaniaans.
Voorbij het grasveld staat het Minnaert-gebouw, een terracotta façade van broos, golvend materiaal, ondersteund door pilaren in de vorm van de letters M-I-N-N-A-E-R-T, als een rapper die zijn naam in goud op zijn borst draagt.
Het gebouw verderop is nog een vormeloos blok beton (het Kruytgebouw voor scheikunde), maar als je dat eenmaal gepasseerd bent, kom je in architectonisch Luilekkerland dat leest als een who’s who van de Nederlandse architectuur. De universiteitsbibliotheek van Wiel Arets is een vierkante zwarte kathedraal, waar licht van alle kanten naar binnen valt; grand café The Basket van NL Architects, vernoemd naar het basketbalveld dat boven op het dak ligt, plakt tegen het golfvormige Educatorium van Rem Koolhaas aan; de kleurrijke woontoren Casa Confetti van Marlies Rohmer staat schuin tegenover De Bisschoppen, de Manhattan-achtige woontorens ontworpen door Köther Salman Koedijk architecten. De enkele student die zich voorbij De Bisschoppen waagt, voorbij de boerderijen van de faculteit diergeneeskunde, treft misschien nog het mooiste ontwerp aan: de warmtekrachtcentrale van Liesbeth van der Pol, als twee longen van verroest staal die uit de grond komen en scherp afgetekend tegen de groene achtergrond van het bos van Rhijnauwen staan.
Maar hoe leefbaar is De Uithof? Pas de laatste paar jaar is het een plek waarop gewoond wordt, inmiddels door een kleine tweeënhalfduizend studenten. Het college van bestuur ging eind jaren tachtig om de tafel zitten met Rem Koolhaas’ Office for Metropolitan Architecture (OMA), dat een stedenbouwkundig plan ontwierp; De Uithof moest een hart krijgen, een plek waar studenten graag kwamen en bleven hangen. Koolhaas nam dat in eigen hand en ontwierp het Educatorium, dat in 1997 zijn deuren opende, de eerste trekpleister voor architectuurtoeristen die je inmiddels dagelijks op De Uithof ziet: twee enorme collegezalen en een nog grotere mensa, vol koolhaasiaanse methodiek: grove maten, hellingbanen die verdiepingen verdekt in elkaar doen overlopen, golfplaat, gaas, roosterwerk.
In 2004, bij de opening van de universiteitsbibliotheek, legde Aryan Sikkema, hoofd huisvesting van de Universiteit Utrecht, uit dat vanaf dat moment de nadruk zou gaan liggen op het bouwen van ‘een Uithof waar studenten willen komen en blijven. Waar je met net zo veel plezier werkt als woont.’
Bestaat er zoiets als architectuur dat welbehagen oproept? Grootse architectuur lijkt altijd wel ergens met de menselijke maat te botsen. Misschien het beste voorbeeld is het trappetje van Walter Gropius. Aan het begin van de twintigste eeuw had Gropius (1883-1969) naam gemaakt door de befaamde Bauhaus School op te richten; toen Hitler aan de macht kwam vluchtte hij naar de Verenigde Staten, waar hij jarenlang aan het hoofd kwam te staan van de architectuurafdeling van Harvard. Hij richtte The Architects’ Collaborative (TAC) op, dat uitgroeide tot een van de meest prominente architectenbureaus ter wereld en bleef tot aan zijn dood een veelgevraagd ontwerper. De grootste aberratie in zijn kenmerkende, rechthoekige stijl, merkten critici op, was echter te vinden in het ontwerp van nota bene zijn eigen huis: iets naast de voordeur stond een rondlopend trappetje dat direct naar de eerste verdieping leidde. Uiteindelijk legde Gropius zelf uit waar het afwijkende trappetje vandaan kwam: hij had een tienerdochter die graag wilde dat haar vrienden haar konden bezoeken zonder eerst door de woonkamer te hoeven gaan.
Cultuurhistoricus Peter Gay gebruikt het voorbeeld in zijn onlangs verschenen studie Modernism, the Lure of Heresy als een ironisch gegeven, juist omdat de modernistische architectuur, waar Gropius een van de grondleggers van was, volgens hem de eerste architectonische golf was die zich zou richten op het menselijk welbehagen. Voor die tijd, we hebben het over de late negentiende eeuw, bestond het uiteraard ook, maar was het nooit toegepast welbehagen: architectuur stond in dienst van regeringen en monarchieën, niet van de gewone mens. Zo rond de eeuwwisseling begon er onder modernisten het idee te komen dat architectuur een leugen was: het enige debat onder Victoriaanse architecten ging over welke historistische stijl te gebruiken, Grieks, Romeins of Venetiaans, terwijl de bouwers zich vooral bezighielden met materialen zo te gebruiken dat ze op andere, meer chique, materialen leken. Simpele middenklassehuizen werden gebouwd met aparte woonkamers, eetkamers, smoking rooms, salons, keukens – alsof het om paleizen ging. In de woorden van Frank Lloyd Wright leek het op reactionair escapisme.
In zijn beroemde essay The Art and Craft of the Machine (1901) ging Frank Lloyd Wright na wat de twintigste-eeuwse mens dan wel nodig had om gelukkig in te kunnen wonen. Wright pleitte voor ‘organisch’ ontwerpen: een vloeiend geheel van ruimtes, simpel en functioneel ingericht, waarin er zo veel mogelijk ruimte werd gecreëerd om in te leven. Het meest radicale dat Wright doorvoerde in zijn ontwerpen was het weghalen van muren. De aparte woon-, eet- en werkkamers werden tot één open geheel gemaakt, zodat gezinsleden vaker tegen elkaar op liepen en er ‘casual intimacy’ plaatsvond – een intimiteit die latere generaties ‘togetherness’ zouden noemen, de hoeksteen van burgerlijk geluk. Wat dat betreft kreeg de modernistische architectuur een helpend handje van Wrights vader, zegt Gay, die hem als kleine jongen telkens teleurstelde.
Architectuur als welbehagen, het is niet voor niets dat de ontwerpen van architect Mike Brady, de kostwinner uit de klassieke mierzoete familieserie The Brady Bunch, sprekend op die van Frank Lloyd Wright leken.

DE UITHOF STAAT NOG met twee voeten in die modernistische traditie. Op een sympathieke manier, dat wel, want in de loop van de twintigste eeuw radicaliseerden architecten de functionaliteit tot iets wat we nauwelijks met huiselijk geluk of warmte associëren; de Zwitser Le Corbusier stelde dat een huis ‘een machine om in te wonen’ was en ontwierp in heel Frankrijk enorme wooncomplexen – in zijn veel gebouwde ontwerp Unité d’Habitation woonden zestienhonderd mensen onder een dak – waar architecten en sociologen nu bedenkelijk op terugkijken. In Le Corbusiers woondozen was er nauwelijks ruimte voor sociale controle of interactie met buren, met als gevolg hyperindividualisme, anonimisering, vandalisme, kleine criminaliteit – het zou de kiem van de troosteloze banlieues zijn.
Het beste voorbeeld van modernisme à la De Uithof zijn de woontorens De Bisschoppen, van Köther Salman Koedijk architecten. De twee zwarte torens, zestig meter hoog, staan aan de Heidelberglaan, een soort ‘main avenue’ van De Uithof. Vanaf de bovenste verdieping kijk je loodrecht omlaag op de straat, à la New York, op het dak van de dubbelzwenkende OV-bussen – ‘Europese bus van het jaar 2004’, staat er op een stickertje op de voorruit – die studenten af- en aanvoeren. De 552 studentenwoningen zijn rechthoekig, kaal en uniform, maar toch doet het strakke ontwerp nergens grootstedelijk aan, juist dorps; de woningen zijn weliswaar uniform, maar door de diagonale opstelling van de twee torens zijn er twee pleinen gecreëerd, als ontmoetingsplek voor studenten, open en bloot.
Net als De Bisschoppen doen de andere woningen op De Uithof modernistisch aan: strakke ontwerpen, nergens franje – met als meest exemplarische voorbeeld La Capanna, twee dozijn fleurig gekleurde containerwoningen, op elkaar gestapeld. Daar zit een echo van Le Corbusier in.
Daarmee is De Uithof een uitzondering, volgens het pas verschenen De nieuwe traditie, continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur van Hans Ibelings en Vincent van Rossem. Ibelings en Van Rossem illustreren hoe het ‘neotraditionalisme’ in de laatste vijftien jaar is uitgegroeid tot de populairste bouwstijl in Nederland. Toen in 1994 woningbouwverenigingen en woningbouwcorporaties werden verzelfstandigd, werd hun rol grotendeels overgenomen door commerciële projectontwikkelaars: deze bouwden wat de markt wilde en opeens bleek dat Nederlanders ‘welbehagen, herkenning en troost’ vonden in woonhuizen met een ‘nostalgische inslag’: huizen die herinneren aan het vooroorlogse Nederland, voordat het modernisme het overnam. Vooral in nieuwe woonwijken (denk aan Eibergen of Amersfoort Schothorst) domineert een mix van herenhuizen, grachtenpand-achtige, koloniale stijl en Delfts blauwe details.
Het heeft een zeker idealisme, het idee dat je op een stuk boerengrond een paar kilometer buiten de stad een huiselijk centrum kunt doen verrijzen. In feite is De Uithof een park, waar toevallig ook nog eens gewoond wordt. Zoiets is moeilijk te verwezenlijken, schrijft Jane Jacobs in haar klassieker Dood en leven van grote Amerikaanse steden, uit 1961, dat pas onlangs in Nederlandse vertaling verscheen. Volgens Jacobs is het succes van een park iets wat niet wordt bepaald door het ontwerp, maar door de ligging. Als er veel huizen, cafés, theaters omheen liggen, dan voelen mensen zich er, ook ’s avonds, thuis. Liggen die er niet, dan is het hopeloos.
Hoe moet je De Uithof dan waarderen? Volgens de plannen van Rem Koolhaas, in samenwerking met Art Zaaijer, eind jaren tachtig, was het nooit de bedoeling om bewoners te krijgen. Pas eind jaren negentig kwam die ambitie vanuit de universiteit, en in de plannen voor de komende tien jaar mikt de UU op niet meer dan drieduizend bewoners, een laag aantal om een bloeiende gemeenschap te krijgen buiten de stad. Er zijn geen theaters of bioscopen, er is één kroeg. Voor pessimisten (en die zijn er genoeg) is De Uithof daarnaast een bevestiging van het idee dat wanneer je architecten een vrije ruimte geeft er niet per se iets tot stand komt wat voor mensen bedoeld lijkt, of zich verhoudt tot populaire trends van welbehagen (de ‘neotraditie’). De ramen in Koolhaas’ Educatorium zijn zo hoog en schuin dat ze niet gewassen kunnen worden; het kathedraalachtige binnenwerk van de universiteitsbibliotheek is prachtig, maar als iemand op de eerste verdieping een boek laat vallen, dreunt dat door tot op de vijfde.
Toch is De Uithof vanuit bouwkundig perspectief een van de bijzonderste plekken van het land, zoals Las Vegas dat is in de VS. Een complex gebouwd in het relatieve niets, waar de gebouwen zich amper aan een al bestaande leefomgeving hoeven te meten. Het kan zijn dat de Nederlandse architectuur juist hier een voorschot kan nemen op de toekomst en dat er een stadskern ontstaat die losstaat van de traditie, de nostalgische en de modernistische.

Peter Gay, Modernism, the Lure of Heresy. Norton, 610 blz., € 33,50.
Hans Ibelings en Vincent van Rossem, De nieuwe traditie, continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur. SUN, 270 blz.,
€ 32,50