Popmuziek: Mark KNopfler

In het spoor van J.J. Cale

In de zomer van 1992 speelde Dire Straits vier avonden in een uitverkochte Kuip. Geen enkele internationale superster heeft dat ooit voor elkaar gekregen, zo vaak het Feyenoord-stadion vullen (wel een nationale: Marco Borsato, zes keer in 2004).

Het waren mooie shows, vastgelegd op live-cd On the Night. Maar ergens wrong iets. Wie de nummers op On the Night vergelijkt met het legendarische live-album Alchemy van een decennium daarvoor hoort een uitgedijde band en de prijs daarvan. Ten tijde van Alchemy speelde Dire Straits in zalen met een capaciteit van enkele duizenden bezoekers, ten tijde van On the Night voor gemiddeld vijftigduizend.

Dat betekende dat de band de keuze had gemaakt die vrijwel alle artiesten, op U2 na, maken wanneer ze van zalen naar stadions gaan: er komen gastmuzikanten bij. De prijs heet vaak bombast. Mark Knopflers solo in Sultans of Swing, een van de mooiste gitaarsolo’s aller tijden, werd ineens bijgestaan door saxofoonspel.

En Knopfler was nu ook de frontman van een stadionband. Als Knopfler ergens niet voor is gemaakt, is het die rol. Knopfler praat niet, hij mompelt. Hij mompelt prachtig, daar niet van, ook op zijn nieuwe dubbelalbum Privateering klinkt hij weer alsof hij naast de luisteraar op de bank zit en in zijn oor fluistert. Maar hij ontbeert nog een gangbare eigenschap van megasterren: poses. Knopfler poseert niet, hij speelt gitaar. Knopflers tokkelende spel is uit duizenden herkenbaar.

Het maakte superster Mark Knopfler feitelijk ongeschikt om superster te zijn, en uit alle interviews sinds hij zijn band opdoekte klinkt dan ook een zekere mate van opluchting door. Hier spreekt, zo is steeds duidelijk, een man vooral een júk is kwijtgeraakt. Eindelijk kon hij doen wat hij wilde: verplichte en doodgespeelde hits uit zijn shows schrappen, toeren met artiesten waar hij al op albums mee samenwerkte, zoals Emmylou Harris en Bob Dylan, en terugkeren naar de basis van zijn muziekliefde. Het enige dat ontbrak was een album dat zijn nieuwe vrijheid combineerde met de kwaliteit van het beste Dire Straits-werk. Het meest in de buurt kwam Sailing to Philadelphia in 2000.

Tot nu. Knopflers nieuwe album is een ouderwetse dubbel-cd. In het slechtste geval duidt dit op een artiest die zijn eigen beperkingen niet kent, in het beste geval op een artiest die een creatieve piek beleeft, bij wie de nummers er kennelijk maar uit blijven stromen. Bij Knopfler geldt zonder meer het tweede.

Privateering, een weergaloos geproduceerd album, combineert het beste uit Knopflers liefde voor folk, blues en rock en country. En wat een verhalenverteller kan hij toch zijn. Bij Dire Straits resulteerde dat in epische nummers als Telegraph Road, waarin hij de ruimte nam om in trefzekere zinnen een écht verhaal, met personages en een plot, te vertellen. Het is een kwaliteit van Knopfler die uit zicht raakte door zijn hits: hij werd de man van ‘Money for nothin’ get your chicks for free.’ Minder credible dan Knopfler vind je ze niet onder de kwaliteitsartiesten. Terwijl op Privateering blijkt wat hij ten diepste is: de nazaat van J.J. Cale. Het gebrek aan kritische waardering lijkt hem nooit te hebben gedeerd, zoals hij in alles een prettig Britse laconiekheid tentoonspreidt, behalve dan wanneer hij, zoals hier, een met hun relatie worstelend stel beschrijft in Seattle (‘You’ve got to love the rain/ And we both love rain’). En wanneer hij gitaar speelt, want dan vertelt Mark Knopfler pas echt verhalen.

Mark Knopfler, Privateering, label: Universal. Knopfler speelt 14 mei 2013 in het ZiggoDome in Amsterdam