Toon Horsten, Landlopers

In het sukkelstraatje

Het leven van de land­loper is ‘ongelooflijk onaan­genaam en totaal doelloos’, schreef George Orwell in zijn debuut Down and Out in Paris and London (1933).

Toon Horsten, Landlopers, € 24,95

Orwell had een tijd op straat geleefd, en klaagde over het gedwongen, ellendige nietsdoen waar het leven van de landloper uit bestaat. De dakloze zou moeten kunnen werken, schreef hij, om zijn leven structuur en zin te geven, en om een echte plek in de maatschappij dichterbij te brengen. De Belgische journalist Toon Horsten haalt Orwell aan in Landlopers, zijn boek over zwervers en vagebonden en hun plek in de samenleving, maar vooral over de landloperskolonies waar zij voor straf naartoe gestuurd werden. Gedurende twee eeuwen was landloperij strafbaar in België; wie niet genoeg geld op zak had, kon worden gearresteerd. Horsten sprak met onderzoekers en bewoners, met historici en medewerkers, en schreef zo een geschiedenis van de omgang van een samen­leving met haar verschoppelingen, met de ‘rijksweldadigheidskolonies’ als ­uitgangspunt.

De landloperskolonies lagen in Wortel, Merksplas en Hoogstraten, niet toevallig drie dorpen aan de grens van het land. Het waren gevangenissen, niet voor misdadigers maar voor weerspannigen en onfortuinlijken. Voor de mensen wier leven zich om wat voor reden dan ook ‘in het sukkelstraatje’ afspeelde, zoals het zo mooi gezegd wordt. Hoewel het verblijf in de kolonie een strafmaatregel was, vertellen de landlopers van het laatste uur allemaal dat ze er een thuis hebben gevonden. De gedwongen arbeid bracht structuur in hun leven. Pas als ze genoeg geld hadden verdiend om de armoede voorlopig te ontvluchten, mochten ze weer weg. Zo konden de kolonies uiteindelijk zelfbedruipende bedrijven worden, en fungeerden ze tegelijkertijd als buffer die de vagebonden ver van het nietsdoen en de kleine criminaliteit moest houden. Orwell zou er blij mee zijn geweest.

Doordat Horsten uit veel verschillende bronnen put, ontstaat een kleurrijk beeld van hoe er gedurende de afgelopen twee eeuwen naar de landloper gekeken werd. Het is een beeld dat in de loop der jaren zichtbaar van tint verandert. ‘Wanneer men ze opmerkelijk beschouwt, ziet men op veler wezen de stempel der laag- en dierlijkheid blinken’, schrijft een journalist van Het Nieuwsblad der Kempen nog in 1881. Ruim honderd jaar later zegt de vrouw van een ex-landloper eerder schokschouderend: ‘Het leven loopt niet altijd rechtdoor.’ De vagebond met de verdorven natuur verandert in een ongelukkige die nog te redden is. ‘Alleen met goede begeleiding kunnen ze opnieuw respectabele burgers worden.’

Als het idee van de maakbaarheid van de mens terrein wint, vindt dat dus zijn weerslag in de landloperskolonies. Landlopers weet mooi in beeld te vangen hoe de grotere lijnen van de geschiedenis de kolonies steeds doorkruisen. Zo worden de landlopersgemeenschappen een afspiegeling van wat zich in de maatschappij afspeelt. In een mooie passage wordt het ontstaan van de natiestaat bijvoorbeeld aan de geboorte van het begrip ‘vreemdeling’ gekoppeld. Buitenlanders – waar tot dan toe niemand een wenkbrauw bij had opgetrokken – worden dan niet meer in de kolonies ondergebracht maar ­simpelweg de grens over gezet.

Vooral als Horsten getuigenissen uit eerste hand citeert, komt het verhaal van de land­lopers en hun kolonies tot leven. Begin twintigste eeuw was het er niet goed toeven. De inrichtingen waren arm en veel te vol, de voorzieningen matig. Een oud-werknemer vertelt over over­bevolkte zalen ‘waar ’s winters de kolonisten in hun klomp pisten om hun plaats bij de kachel niet te verliezen’. Later worden de kolonies juist geromantiseerd door de mensen die terugblikken. ‘Ongelofelijk plezante tijden’, verzucht een bewaker. ‘Als Wortel of Merkplas nog zou bestaan (…) trok ik er onmiddellijk weer naartoe’, zegt landloper Carlos.

‘Het is de plaats waar ze altijd opnieuw welkom zijn, wat er ook gebeurt. Het is de laatste en enige zekerheid die ze hebben in een verder uitzichtloos bestaan’, omschrijft Horsten. De landlopers vertellen hetzelfde verhaal. ‘Die mannen, eigenlijk is dat familie van mij’, zegt iemand die uiteindelijk zelf de draad van zijn leven weer heeft opgepakt.

Maar de plek waar landlopers voor straf naartoe werden gestuurd, was te prettig. De recidive was op een zeker moment meer dan negentig procent doordat veel landlopers zichzelf steeds vrijwillig kwamen aangeven en soms decennia bleven hangen. Het was er, kortom, té prettig. Het systeem hield zichzelf in stand, en de landloper kon er bijna niet uit komen. Van een voorbereiding op terugkeer in de maatschappij was ook nauwelijks sprake.

Toen de wet op landloperij in 1993 plotseling werd afgeschaft, werden de landloperskolonies van de ene op de andere dag overbodig. Wie er nog zat, was vrij om te gaan. De meeste landlopers belandden toen op straat (‘dubbel­ontheemden’, die hun thuis in de kolonies nu ook kwijt waren), of in de stedelijke daklozen­opvang, waar ze hun dagen met nietsdoen vulden. Enkele landlopers besloten achter te blijven. Op de plek waar ze hun thuis hadden opgebouwd, bouwden ze de kolonie van Wortel nu eigenhandig om tot een echte gevangenis die nu tot de grootste van België hoort. Zes land­lopers wonen daar nog altijd.


Toon Horsten
Landlopers
Atlas Contact, 336 blz., € 24,95