Hoop voor de geesteswetenschappen

In het verdomhoekje

De KNAW zal de komende jaren vijftien miljoen extra investeren in haar geesteswetenschappelijke instituten. Dat is een sprankje hoop voor de humaniora, wier toekomst niet zo zonnig lijkt.

Al tijden wordt in Nederland, zoals overal in het Westen, de noodklok geluid over de toekomst van de geesteswetenschappen. Er worden allerlei oplossingen aangedragen voor wat Rens Bod, schrijver van De vergeten wetenschappen, aanduidt als ‘de grootste crisis in de geesteswetenschappen sinds eeuwen’, maar de meeste standpunten volgen een van twee tegenstrijdige aannames. Ofwel: de waarde van de geestes­wetenschappen kan en mag niet met economische maatstaven gemeten worden. Of: de geesteswetenschappen hebben wel degelijk economisch nut. Ook over de vraag of we nu daadwerkelijk van een crisis kunnen spreken verschillen de meningen. Maar dat er grote verschuivingen plaatsvinden valt niet te ontkennen. Het op sommige plekken volledig opheffen van een aantal moderne talenstudies onlangs, waaronder Portugees in Utrecht, en Roemeens, dat alleen als minor blijft bestaan in Amsterdam, is daarvan het meest treffende voorbeeld. Dit staat symbool voor een veel bekritiseerde ontwikkeling waarin specialistische vakgebieden plaatsmaken voor algemenere studierichtingen zoals media- en Europese studies.

Aan het verdwijnen van specifieke talenstudies (op een aantal plaatsen wordt gespeeld met het idee om zelfs Frans, Duits en Italiaans te laten opgaan in een algemene talenstudie) ligt een al jaren afnemend aantal studenten ten grondslag. Al in de jaren negentig slonk het totale aantal studenten aan Nederlandse letterenfaculteiten met bijna 35 procent. Daarnaast worden de gehele geesteswetenschappen al lang geteisterd door financieringsproblemen. In het nieuwe topsectorenbeleid dat zich sinds dit jaar richt op het versterken van alleen die sectoren waarin Nederland wereldwijd economisch uitblinkt, zijn de geesteswetenschappen schrijnend onzichtbaar. Dat wordt weerspiegeld in de universitaire profielen. Over het vorig jaar gepresenteerde profiel van de Universiteit van Amsterdam zegt Frank van Vree, decaan van de faculteit der geesteswetenschappen, dat ook daarin de geesteswetenschappen opvallend onderbelicht blijven naast de in economisch opzicht makkelijker verdedigbare ­bètadisciplines.

Dit soort zorgen manifesteert zich door heel Europa. Vooral in Groot-Brittannië hebben de humaniora het al lang zwaar te verduren. Meer en meer concentreren de alfastudies en sociale wetenschappen zich daar in dure privé-colleges, zoals het recent opgerichte, controversieel elitaire New College of the Humanities. Hele publiek gefinancierde instituten zijn gesloten sinds het (vanaf de Thatcher-tijd) gebruikelijk is dat geesteswetenschappen zich schikken naar het algemeen klimaat waarin alles economisch gerechtvaardigd moet worden.

Weerstand van geesteswetenschappers richt zich voor een deel op precies dit principe. In haar vorig jaar gepubliceerde boek Not for Profit: Why Democracy Needs the Humanities betoogt de Amerikaanse filosofe Martha Nuss­baum dat het nut van wetenschap niet alleen gemeten mag worden in economische termen. Door dat wél te doen worden juist de belangrijkste waarden van de geesteswetenschappen over het hoofd gezien. Alfadisciplines, meent Nuss­baum, genereren namelijk vaardigheden die essentieel zijn voor vitale democratieën, zoals kritisch denken, begrip van de geschiedenis en een algemeen inzicht in menselijkheid.

Nussbaums verhaal is een klassiek soort verdediging van de geesteswetenschappen waarin humanistische Bildungsidealen doorklinken die vaak en graag gebruikt worden om de betekenis van de humaniora uit te drukken. Dergelijke idealen gaan traditioneel ook gepaard met fundamentele bezwaren tegen het marktdenken als het om kennis gaat. De titel van Nussbaums boek zegt wat dat betreft genoeg: winst mag geen rol spelen. Vergelijkbare ideeën werden al eerder beschreven door wetenschapshistoricus Morris Berman in The Twilight of American Culture. Hij meende dat de kritische functie die de geesteswetenschappen dienen te vervullen zich absoluut niet laat verenigen met de markt.

Steeds vaker worden echter kanttekeningen gezet bij dit soort anti-economische argumenten. In boeken of artikelen als Die Managerin und der Mönch van germanist Walter Erhard wordt de manager onthaald als een welkome gast in het monnikenleven van de geestes­wetenschapper die zich gewoonlijk het liefst bezighoudt met onderzoek. De manager moet, zo beweert Erhard, een belangrijke aanvullende rol gaan spelen op de essentiële, maar voor de wetenschapper vaak ongemakkelijke gebieden van onderwijs en fondswerving.

Rens Bod, in Nederland een van de meest gehoorde stemmen in dit debat, neemt een tussenpositie in door zowel te wijzen op het economische nut van de geesteswetenschappen als op de zwakheid waarmee de alfa’s hun vak doorgaans verdedigen. Alleen maar blijven roepen dat de geesteswetenschappen goed zijn voor algemene ontwikkeling en historisch besef is volgens Bod niet genoeg. Hij meent dat de kansen van alfa’s op de arbeidsmarkt enorm zijn en hamert op de vele niet direct economische toepassingen die hun studies hebben voort­gebracht. Zo stond de theoretische taalkunde aan de wieg van de ict en was het dankzij de bronnenkritiek dat het kabinet-Kok verantwoordelijk kon worden gehouden voor de val van Srebrenica.

Bod is daarnaast niet vies van het idee van samenwerking tussen de geesteswetenschappen en het bedrijfsleven. Hij denkt dat naast de ict-sector – die de laatste tijd bijvoorbeeld veel interesse toont in geesteswetenschappelijke informatiebronnen zoals middeleeuwse manuscripten – ook de creatieve industrie en de toeristenbusiness zouden kunnen investeren in alfakennis. In een stuk voor NRC Handelsblad stelde hij onlangs dat de geesteswetenschappen, die naar zijn zegge in feite booming zijn in Nederland, heel goed buiten de universiteiten zouden kunnen opbloeien.

Hoewel hij spreekt van een crisis is Bod met zijn progressieve houding optimistischer over de toekomst dan Nussbaum en Berman. Datzelfde geldt voor UvA-decaan Frank van Vree. Gevraagd naar de vermeende crisis antwoordt hij aanvankelijk dat het eigenlijk relatief goed gaat met de geesteswetenschappen: ‘De geesteswetenschappen zijn natuurlijk veel meer dan alleen maar talenstudies. En over het geheel genomen hadden we nog nooit zo veel ­studenten.’

Ook vraagt Van Vree zich af of we de inhoudelijke verschuivingen van gespecialiseerde vak­gebieden naar meer hybride studies werkelijk als een bedreiging moeten ervaren: ‘De klassieke universiteit naar Duits model is inderdaad langzaam aan het verdwijnen. De vraag is hoe erg dat is. Het speelt nog steeds een grote rol in de discussie, maar we leven echt in een andere tijd dan die van het klassieke Bildungsideaal. Mensen zullen toch steeds opnieuw het wiel moeten uitvinden. Je kunt je bovendien afvragen of die bredere studies afdoen in kwaliteit. Ik wil iedereen uitdagen om scripties te lezen uit de jaren vijftig en zestig, dan kom je erachter dat er echt niet zo veel verslechterd is.’ Dat er desondanks problemen bestaan erkent Van Vree: ‘We moeten alert blijven. Er is een tendens in heel Europa dat bepaalde domeinen veel minder middelen krijgen. En er zullen inderdaad studies verdwijnen. Het is erg belangrijk om altijd ruimte te blijven houden voor fundamenteel onderzoek. Dat is voor een groot deel een autonome verantwoordelijkheid van de politiek en de universiteit. Het kan niet alleen een kwestie zijn van buigen voor en aanpassen aan de markt. De universiteit moet ook durven kiezen voor het moeilijker verkoopbaar onderzoek.’

Toch noemt hij de algehele verontrusting ‘een beetje een hype’. Net als Bod wijst Van Vree erop dat een heel groot deel van de arbeidsmarkt bestaat uit banen voor geesteswetenschappers, die zijn opgeleid om algemene complexe problemen op te lossen en te analyseren. ‘Het is een van de misleidingen van de economische maatstaf om dat te vergeten.’

Theo D’haen, oud-professor Engels in Leiden, houdt er een origineel idee op na over hoe de geesteswetenschappen gunstig gebruik zouden kunnen maken van die economische maatstaf. D’haen noemt de snel groeiende populariteit van klassiek georiënteerde _liberal arts-_opleidingen in het Verre en Midden-Oosten. Enkele Amerikaanse topuniversiteiten, waaronder nyu, hebben bijvoorbeeld al goed lopende dependances in China en Abu Dhabi. Europa zou volgens D’haen ook van die ontwikkeling kunnen profiteren door expertise te verhandelen. Hij ziet de opkomst van de humaniora in verre landen als een reële mogelijkheid om de hier uitstervende klassieke vakgebieden, zoals de moderne talen, te behouden: ‘Dan moet men ze niet meer zien als vergeten gebieden die niet langer ­rendabel zijn maar als iets waarin we moeten blijven investeren. Die vakgebieden kunnen zo ­bovendien gezichtsbepalend zijn voor Europa. Zouden we de zaak hier helemaal afbouwen wat klassieke studies betreft, dan geven we het uit handen.’ In deze optiek zijn de klassieke humaniora een uitgesproken Europees product. En je zou kunnen denken dat die nadruk op Europa veralgemenisering in de hand werkt. Maar opvallend is, volgens Frank Van Vree, dat juist in Europese beleidsplannen meer aandacht is voor onderzoek waarin de nadruk ligt op diversiteit dan in nationaal beleid: ‘Het is contra-instinctief, maar Europa ondersteunt op die manier nationale verscheidenheid.’

Ook D’haen, die erg begaan is met traditioneel Europees erfgoed, gaat dus niet helemaal mee in het doemscenario. Hij is een van velen die ook de mogelijkheden van de geesteswetenschappen in deze tijd sterk benadrukken. Toch zou je, los van zonnige voorspellingen, kunnen spreken van een behoorlijk imagoprobleem. De universiteiten, die hun geesteswetenschappen met nieuw beleid wat laf in het verdomhoekje houden, helpen daar niet bij.

Positiever nieuws komt, zoals Bod voorspelt, van buiten de universiteiten. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw) maakte deze zomer bekend de komende jaren circa vijftien miljoen extra te zullen investeren in haar geesteswetenschappelijke instituten. Een van de beoogde doelen is om die instituten in staat te stellen om internationaal een toonaangevende rol te spelen en hun kennis uit te dragen naar de maatschappij. Die maatschappelijke aansluiting noemt Jelle Koopmans, voorzitter van de Raad voor de Geestes­wetenschappen van de knaw, een van de belangrijkste uitdagingen: ‘Ik denk dat de zichtbaarheid van de wetenschap in de politiek op het moment heel erg belangrijk is. Clinton heeft het ooit over fact free politics gehad. Dat hebben we in Nederland ook een beetje. De wetenschap die we voor handen hebben wordt eigenlijk zelden gebruikt.’ In de wetenschaps­agen­­da die de Akademie twee jaar geleden samenstelde is met die ambitie gekozen voor focus op maatschappelijk klinkende onderwerpen als migratie, integratie, nationale culturele identiteit en de betekenis van oude beschavingen voor onze tijd.

Ontkenning van elke vorm van marktwerking lijkt steeds algemener te worden ervaren als onhoudbaar. Overal worden de geestes­wetenschappen gedwongen tot vooruitstrevendheid. De knaw werkt in opdracht van staatssecretaris Halbe Zijlstra aan een onderzoek waaruit moet blijken welke vakgebieden terecht of onterecht ondergesneeuwd raken door het topsectorenbeleid. Daarmee zal uiteindelijk de hamvraag worden beantwoordt: wie krijgt wat? Een overdosis conservatief cultuurpessimisme zal ondertussen geen positieve uitwerking hebben op het imagoprobleem. Maar tussen het geklaag blijft ook gejubel klinken. Dat die gunstige geluiden vooral van buiten de universiteiten komen wijst zowel op hun taak voor de toekomst als op de maatschappelijke relevantie van de geesteswetenschappen.


Op 10 en 17 oktober: visies op de toekomst van de geesteswetenschappen