In het wijnhuis

Van tijd tot tijd wordt de kunst opnieuw uitgevonden. Maar godzijdank is er niet maar één zaligmakende lijn.

In 1435 verscheen van Leon Battista Alberti zijn fundamentele werk over schilderkunst – eerst in het Latijn en al een jaar later in de landstaal: Della pittura. Opmerkelijk is dat de auteur die Italiaanse versie opdroeg aan de kunstenaar en architect Filippo Brunelleschi. Daaruit blijkt dat de jonge schrijver (die eigenlijk jurist was) verkeerde in de kunstkringen in Florence waarin ook zulke pioniers als Donatello en ­Masaccio werkzaam waren. Deze laatste was in 1435 ongeveer even oud als Alberti, net iets in de dertig. Donatello was wat ouder. Brunelleschi, geboren in 1377, was een stuk ouder. Hij werd door de jongeren vereerd als de pionier van het perspectief (dolce prospettiva) en als bouwmeester van de luchtige koepel (zonder plompe steunberen) van de Dom in Florence. We kunnen ons dus voorstellen hoe dat boek ontstaan is. Ik zie de humanistische intellectueel Alberti in wijnhuizen en trattoria in gesprek met zijn kunstenaarsvrienden – misschien met de wijze meester Brunelleschi aan tafel. Als je moet noemen wie rond die tijd de jonge kunstenaars waren die, in schilderen of sculptuur, de nieuwe kunst de richting wezen, dan waren dat Masaccio en Donatello. Met hen hoor ik Alberti in intens gesprek – over hoe nieuwe inzichten en ervaringen met het perspectief en de constructie van ruimte zouden leiden naar een nieuwe wendbare kunst, voorbij aan de logge Griekse stijl (zoals Byzantijnse kunst toen heette). Het boek Della pittura is daarom zo helder en compact omdat het voortkomt uit de gesprekken met jonge, scherpe kunstenaars die uit de praktijk weten waar ze het over hebben. Daarom ook is het een werk zonder een zweem van ­orthodoxie. Het betweten kwam later toen de theoretici aan het woord kwamen.

Momenten van die helderheid ontstaan wanneer goede kunstenaars voelen, zoals toen, dat ze iets aan het ontdekken zijn. Dan gaan sommigen ook schrijven, bijna om zichzelf uit te leggen wat er gaande was. Zo gebeurde dat in de vijftiende eeuw toen in Italië de kunst zo ongeveer opnieuw werd uitgevonden en zo ging het ook begin twintigste eeuw toen, rond het kubisme, de abstracte kunst ontstond. Met dat radicaal nieuwe moesten Malevich, Kandinsky, Mondriaan vertrouwd raken. Daarom, en ook om een gevoel te krijgen met de eisen van de nieuwe tijd, zijn ze gaan schrijven. Soms zijn die teksten moeizaam en onbeholpen, maar ze gaan wel over dingen die echt zijn.

Ik vond toevallig een foto van een passage in een presentatie van de collectie in het Van Abbemuseum in 1979. Daarom moest ik aan het bovenstaande denken. In de hoek hing het Peinture Angulaire (1975) van Daniel Buren. Rechts daarvan van Georg Baselitz het robuuste schilderij Hockender Weiblicher Akt (1977) en schuin daarvoor een ruime rechthoekige doos, plywood, van Donald Judd (1974/76). Het was een installatie met mooi bevallige tussenruimtes, elegant bijna – maar toen bedacht ik dat juist die drie samen in die tijd als een vloek in de kerk werkten. Want het waren kunstenaars, van eenzelfde generatie, die ervan overtuigd waren dat hun werk onvergelijkbaar tegengesteld was. In Amerika was kort na de Tweede Wereldoorlog de kunst helemaal opnieuw uitgevonden. Dat vonden de Amerikanen vooral zelf. Het werk van Judd is bijna letterlijk ook een driedimensionale constructie van vlakken die een helder volume vormen met een binnenruimte. Halverwege de hoogte van de doos ligt een horizontaal vlak zodat je, als je van boven naar binnen kijkt, maar een vreemd half volume ziet van ruimte. Het ding is een laconieke formulering van een voorwerp in drie dimensies – een soort sculptuur dus, of het geraamte ervan. In Amerika maakten sommige kunstenaars zulke werken: hard en scherp en matter-of-fact. Als je dingen zo maakt, van alledaagse houtplaat en met die zelfbeheersing om het simpel te houden, is het goed denkbaar dat je dat krachtige en impulsieve borstelen van verf als bij Baselitz eigenlijk belachelijk vindt. Nu, meer dan dertig jaar later, zien wij dat er in de beschouwelijke stevigheid van beide werken veel verwantschap zit. In beide voel je de kernachtige aanwezigheid van een weloverwogen vorm. Tenslotte blijken het toch tijdgenoten met een zekere stemmingsverwantschap, maar in de jaren tachtig was er, met die Amerikaanse zekerheid, vooral sprake van juiste en foute kunst. Die van Baselitz was fout. Hier in Europa, waar mensen graag Amerikanen napraten, werd dat aanvankelijk ook gevonden. Maar de geschiedenis laat steeds weer zien dat er nooit maar één zaligmakende lijn is, nooit. Kunst is godzijdank verwarrende veelheid.

PS Sinds enige tijd is Alberti weer in een voorbeeldige Nederlandse editie te krijgen: Leon Battista Alberti, De schilderkunst gevolgd door Het standbeeld. Verschenen bij uitgeverij SUN, Amsterdam 2011