In het wild

Dichter F. Starik staat bij wildhandel Treuren, op de hoek van de Jonker Fransstraat, over een vitrine gebogen. Het is een mooie zaak waar ik elke vrijdagochtend langsloop als ik op weg ben naar mijn schrijfhok. Ze hebben er schalen met kwartels en waterhoentjes, zo onverdraaglijk naakt en stil dat je ervan gaat fluisteren. De medewerkers zijn ook altijd kalm. Ze hebben niet het jolig-vanzelfsprekende van slagers, maar hanteren hun waar met een plechtigheid die ik als deeltijd-vegetariër wel passend vind. Toen ik er een paar weken geleden een miniem hertenbiefstukje kocht zei de vrouw achter de kassa: ‘Dit is zulk schitterend vlees. Volmaakt zeenloos.’ Ze keek trots, alsof ze het hert helemaal zelf in elkaar had gezet, in de Duitse bossen liefdevol had grootgebracht en het toen, doelgericht en vlot, met een jachtgeweer had omgelegd. We bewonderden samen het bordeauxrode, zeenloze biefstukje. Toen vlijde ze het teder in cellofaan en rekende ik af. Een exorbitant bedrag, zoals het hoort.

F. Starik draagt zijn lange beige regenjas. Ik herken zijn houding, al kan ik hem nu alleen van de achterkant zien. Zo staat hij vaak, ietwat over een katheder, bartafel of dichtbundel gebogen. Of over een klein uitgevallen medemens. Licht opgetrokken schouders, de kin naar de borst. Nu buigt hij over het gevogelte en pas als ik aarzelend stil blijf staan zie ik het: een wildvreemde man met een spichtige neus, kleine ogen en rode wangen. Geen enkele gelijkenis. Ik loop vlug door, beschaamd bijna, langs de draaiende grill vol kippetjes, waar het bord staat met de slogan ‘Treuren maakt je blij!’

Bij mijn schrijfhok aangekomen zet ik koffie, klap de laptop open en staar enige tijd naar buiten, waar het ochtendverkeer op gang komt. Het is een drukke straat, waar ik op uitkijk. Moeders met kinderen, schreeuwende daklozen, oude dames met een hoofddoek om en een rammelend karretje achter zich aan.

’s Middags heb ik dichter Vrouwkje Tuinman aan de lijn. We praten over werk en over slapen. We praten vaak over slapen – daar is veel over te zeggen wanneer je er niet goed in bent. Ik vertel haar dat ik F. die ochtend in een wildhandel heb zien staan. Het verbaast haar niet. Ze is sowieso niet het type dat gauw kreten van verwondering slaakt als het gaat over de dood of het zonderwaarts voortleven. ‘Ik kan de andere wildhandels in Nederland natuurlijk nog even controleren’, zeg ik. ‘Maar in deze was hij in ieder geval niet.’ We lachen. De laatste jaren is ze niet alleen Stariks weduwe maar vooral zijn afwezigheids-assistent. Mensen laten berichten bij haar achter die eigenlijk voor de dode zijn bestemd: ik zag je in de supermarkt, ik hoorde je stem bij de bakker, je zat ineens onder de bomen op het plein. Het is een vreemdsoortige bijbaan waar ze gaandeweg heel goed in werd. Het verzamelen, ordenen en opslaan van waarnemingen. Het steeds weer luisteren. Het steeds weer zeggen: ‘Ja, dat kan.’ Het blijven menen.

Dode hoek

Mensen die je kent, mensen
die je best had kunnen kennen.
Een mevrouw die op een schoolplein stond
om haar kinderen weg te brengen, op te halen,
net als jij daar wachtte, soms met iemand sprak
maar meestal in gedachten – een gezicht
dat je als je het ergens anders tegenkwam
in verwarring bracht.

Zoals je winkeliers
alleen maar in hun winkel snapt.
Daarbuiten klopt iets niet.

Een gezicht dat jaren later
zomaar ergens op een fietspad fietst,
je was het jaren kwijt,
je weet het weer,
hebt bijna spijt.

Dichter: F. Starik
Uit: 2013