In Ierland

Ik word wakker uit een droom die me voor raadsels plaatst.

Er was een feest aan de gang in een van die steeds grotere huizen uit mijn nachtelijke verbeelding, met hun groeiende aantal kamers en hun verrassend lange en uitdijende balkons. Ik zat boven te werken. Maar het was mijn feest, dus ik ging ook even kijken. Ik loop met mijn plotseling aanwezige geliefde naar beneden, en daar staat net tante Rosini op het punt om weg te gaan. Tante Rosini! Mooi dat u er ook was.

Wat is dit voor raars? Ik heb tante Rosini zeker veertig jaar niet gezien en al die tijd heb ik nooit aan haar gedacht. Hoe komt zij opeens te voorschijn? Wie was zij? Ik heb geen familie meer waar ik dat aan kan vragen. Ik herinner me haar van verjaarsvisites heel vroeger, en we zijn twee of drie keer bij haar langs geweest.

Ik ben nu een maand lang in Ierland op een rustige plek aan de kust. Rotsen, veen, turfwinning, overal schapen op de weg. Ruïnes van huizen en hele dorpen die zijn verlaten tijdens de grote hongersnood van 1845 tot 1850. Indrukwekkende wolkenpartijen die van de oceaan komen aandrijven en lang op de bergen blijven hangen, zon, plotselinge regen, plotselinge sneeuw, lage regenbogen vlakbij, dan weer zon, en ineens dichte mist.

De actualiteit hier bestaat, naast het regionale nieuws en het grote wereldnieuws, uit de vele herdenkingen van de Paasopstand in 1916. Toen riep de leraar, schrijver en politiek activist Patrick Henry Pearse de Ierse Republiek uit: ‘In the name of God and of the dead generations from which she receives her old tradition of nationhood, Ireland, through us, summons her children to her flag and strikes for her freedom.’ Ik ben in Ierland, niet in Noord-Ierland.

Alle kranten hebben wekenlang bijlages gewijd aan de strijd, iedere stap is gedocumenteerd, van iedere rebel zie je een portret en lees je een korte biografie. Facsimiles van de pamfletten: ‘Reasons why you should join The Irish Citizen Army / Companies Wanted in Every District, Recruits Wanted Every Hour’. En facsimiles van kranten, waardoor je de opstand ook kunt plaatsen in het dagelijkse leven van die tijd. De advertenties voor tafelkleedjes, vers gebrande koffie en toiletzeep.

Ik verwarm mijn werkkamer met een open haard, met hout en turf, maar ik kijk via internet naar De wereld draait door, het Journaal met de berichten over Trump en Erdogan, en de reportage van Koningsdag in Zwolle. Als ik naar buiten ga loop ik zo de heide op. Een onmetelijke vlakte, voor een groot deel een onbegaanbaar moeras. Heide, brem, afgegraven stukken veen, laag struikgewas en boven alles het jagende gewolkte.

Ik loop er met de heftige actualiteit van dit moment in mijn hoofd. Nogal vervreemdend. Want ik word me ervan bewust dat ik hier in een negentiende-eeuws schilderij rondloop. De heidelandschappen van de Oosterbeekse schilders, de romantiek waar ik tot voor kort geen oog voor had. De droevige toonzalen van de veilinghuizen met de bruin-gerookte schilderijen boven de eikenhouten dressoirs met de bestekbakken vol achtergebleven messen en vorken. Maar plotseling ben ik van dit lege, ongecultiveerde landschap gaan houden.

En verdomd, hier in de Ierse Republiek, met de geur van de brandende turf in mijn neus, terwijl ik loop na te denken over de opzet, de uitslag en de afwikkeling van het Oekraïne-referendum, hoor ik ineens een lied in gedachten dat ik een kleine zestig jaar geleden op school heb geleerd: Op de groote, stille heide/ dwaalt de herder eenzaam rond/ wijl de witgewolde kudde/ trouw bewaakt wordt door den hond./ En, al dwalend ginds en her,/ denkt de herder: ‘Och, hoe ver,/ hoe ver is mijn heide, / hoe ver is mijn heide, mijn heide.’

Het gebeurt allemaal in je hoofd. En dan ’s nachts tante Rosini die afscheid komt nemen.