De stad als open gemeenschap

In je verbeelding kun je bést wonen

Steden raken overvol, de periferie loopt leeg en klimaatverandering vraagt om radicale ingrepen. Er wordt naarstig gezocht naar nieuwe perspectieven op de toekomst van stad en platteland. De rol van de gemeenschap lijkt daarin cruciaal.

2014. De Kunststad op de NDSM-werf in Amsterdam, een zelfbouwstad met werkplaatsen en kantoren © Bram Belloni / HH

In de idyllische straatjes van de historische binnenstad van Leeuwarden heerst een serene rust. Winkels openen hun deuren, terrassen worden uitgezet, een enkele fietser komt voorbij. Voor de deur van de tweedehands winkel Van Oud Naar Goud staat een mand met Friese doorlopers naast een verzameling gietijzeren emmers en vuilnisbakken. Op het plein achter de winkel schittert de Sint-Bonifatiuskerk van architect Pierre Cuypers.

Een jaar lang mag Leeuwarden zich Culturele Hoofdstad van Europa noemen. Voor de gelegenheid kreeg de binnenstad een flinke opknapbeurt en werd er haast gemaakt met de verbouwing van de voormalige gevangenis Blokhuispoort tot bibliotheek, hotel en verzamelgebouw voor creatieve ondernemers. Het hele jaar door zijn er in Leeuwarden en de nabijgelegen dorpen exposities en voorstellingen met als overkoepelend thema ‘iepen mienskip’. Hoewel een letterlijke Nederlandse vertaling van het Friese woord niet bestaat, komt ‘open gemeenschap’ dichtbij. Een begrip dat diepgeworteld is in de Friese samenleving en dat volgens de inwoners van de provincie staat voor samenwerken, elkaar helpen en openstaan voor anderen. De organisatie van het feestjaar spreekt over een instinctieve, actiegerichte, van onderop georganiseerde vorm van solidariteit. ‘Op plekken waar deze mienskip wordt omarmd, komen kernwaarden als wederzijds respect, verantwoordelijkheid en gelijkheid tot bloei.’ De grote culturele, sociale, economische en ecologische opgaven waar steden en regio’s overal in Europa mee worstelen, vragen juist nu om sterke en betrokken gemeenschappen, zo luidt de boodschap.

In de vijfhonderd jaar oude Kanselarij aan de Turfmarkt opende begin april de tentoonstelling Places of Hope. Een initiatief van de Stuurgroep Proeftuin Nederland van Morgen van het ministerie van Binnenlandse Zaken die al langer zoekt naar antwoorden en aanknopingspunten op de vraag hoe Nederland in ruimtelijk opzicht kan worden aangepast aan de nieuwe tijd. Verstedelijking en krimp, klimaatverandering, de groeiende tweedeling tussen kansarm en kansrijk: het zijn processen die al langer zichtbaar zijn en waarvan al langer bekend is dat er iets aan moet worden gedaan. Maar de omvang en veelheid van vraagstukken en problemen maakt het moeilijk om tot concrete plannen en maatregelen te komen. Iedere plek is anders en toch hangt alles met elkaar samen. Bovendien bestaat er een eindeloze hoeveelheid technologische mogelijkheden, waarvan nog niet precies duidelijk is op welke manier ze van waarde kunnen zijn. In tegenstelling tot een aantal jaren geleden lijkt de bereidheid om te veranderen en het draagvlak voor rigoureuze maatregelen aanwezig. Maar niemand heeft een duidelijk beeld van de eindbestemming en dat maakt de weg er naartoe moeilijk. ‘Je hebt een nieuw verhaal nodig, waarbij iedereen in de samenleving weer perspectief krijgt’, zei curator Maarten Hajer van Places of Hope vorig jaar in NRC Handelsblad. ‘Voor zijn bedrijf, voor zijn huishouden, voor zijn benzinestation. Voor die verbeeldingskracht ben je bij de huidige wetenschap aan het verkeerde adres, die doet daar niet aan.’

Hajer, in het dagelijks leven hoogleraar Future Studies van de Universiteit Utrecht, stond als hoofdcurator ook aan het roer van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam in 2016. Hij gelooft in de kracht van ontwerpers bij het visualiseren van de toekomst. Bij de iabr koos hij de Next Economy als thema en daarbij nam hij de stad en de grote uitdagingen van de 21ste eeuw als uitgangspunt. Hij nodigde verschillende ontwerpers uit om deze next economy te verkennen en om een poging te doen om de stad van de toekomst te verbeelden. Een gezonde en solidaire stad, de productieve en inclusieve stad, en de energieschone en duurzame stad. De stad waarin de publieke ruimte weer centraal staat. Voor Places of Hope ging hij uit van dezelfde verbeeldingskracht. ‘Als wetenschapper weet ik dat nieuwe toekomstbeelden heel belangrijk zijn voor een doorbraak in de besluitvorming. Daarom wilde ik een groep om me heen die de toekomst positief kon visualiseren’, zegt Hajer. ‘De oplossingen voor Nederland liggen niet in de statistiek, maar in de verbeelding. Wie de tentoonstelling bezoekt gaat anders denken, anders voelen.’

Een tocht langs de gangen en zalen van de Leeuwarder Kanselarij is inderdaad een bijzondere en hoopgevende ervaring. Met beperkte middelen krijgt de bezoeker op subtiele wijze een spiegel voorgehouden. Wat zijn de gevolgen van de keuze voor een weekendje Barcelona in plaats van een weekendje Drenthe? Wat is de milieu-impact van weekendboodschappen, een groot huis en veel spullen? Die is, zo blijkt, groter dan je in eerste instantie zou denken. Wie lang van tevoren boodschappen doet, gooit bijvoorbeeld relatief veel weg, koopt weinig verse producten, heeft veel opslagruimte nodig en verbruikt meer energie om de ijskast op temperatuur te houden. Er worden vragen gesteld over de noodzaak van wonen in de stad, als regio’s met veel ruimte en groen zo dichtbij zijn. Wat zouden de gevolgen kunnen zijn van betere en snellere treinverbindingen tussen de Randstad en Friesland, Groningen of Drenthe? Wordt het dan mogelijk om een deel van de week door te brengen in de stad en een ander deel op het platteland? Flexibele werkvormen en de razendsnelle ontwikkeling van digitale communicatiemiddelen bieden daarin nieuwe perspectieven. Moet je elkaar nog fysiek ontmoeten als het ook in de vorm van een hologram kan? Digitalisering van het contact, zou ook veel forensenverkeer overbodig maken en de uitstoot van CO2 drastisch kunnen verminderen.

In de kelder van het gebouw wandel je op blote voeten door het duingebied van de Waddenzee. Met zand tussen de tenen, hoor je de geluiden van het opkomende en terugtrekkende water. Landschapsarchitect Bruno Doedens maakt de bezoeker bewust van de getijden en de kracht en de mogelijkheden van de natuur. Wees niet bang voor het water, maar omarm het.

Steden zijn gesloten systemen geworden die vaak meer contact hebben met andere steden dan met de omgeving

Een speciale hoek van de tentoonstelling is ingericht om de mogelijkheden te laten zien voor duurzame steden en dorpen. Op een prikbord hangen vier printjes met e-mails van fictieve personages die vertellen over concrete voorbeelden. Het Japanse dorp Shinokawa wist het economisch verval na het sluiten van de mijnen te keren door een ingenieus duurzaam economisch en sociaal model te ontwikkelen. De bossen rondom het dorp vormen nu de basis voor een groeiende en duurzame houtindustrie. Er wordt volop timmerhout geproduceerd en het resthout wordt gebruikt om meubels te maken en biobrandstof te produceren. De biobrandstof wordt gebruikt om woningen te verwarmen, zodat er geen olie nodig is. Tegelijkertijd worden er constant nieuwe bomen gepland om de bebossing op pijl te houden en om CO2 op te vangen. Met de financiële compensatie die het dorp hiervoor krijgt van de overheid, is een belbus in het leven geroepen waarmee ouderen gratis van deur tot deur kunnen reizen als ze bijvoorbeeld boodschappen willen doen. ‘In dit dorp worden economische bedrijvigheid, het creëren van een gemeenschap en het bestrijden van klimaatverandering kortom als één geheel gezien met het bos als basis.’

Ook bij de andere voorbeelden is er veel aandacht voor de kracht van de gemeenschap. Zoals de verpauperde buitenwijk La Trinitat Nova in Barcelona, waar de bewoners de gemeentelijke plannen voor sloop en renovatie hebben verworpen en zelf een alternatief ontwerp hebben gemaakt voor een ecodistrict. Bestaande woningen zijn gerenoveerd en verruimd en er zijn duizend nieuwe woningen bijgebouwd, waardoor bewoners niet hoefden te verhuizen. ‘Ook zijn de pleinen en straten vernieuwd om de mensen naar buiten te lokken en zo de gemeenschap te versterken.’ Een extra metrostation, spoorlijn en fietsverbinding hebben ervoor gezorgd dat de wijk nu meer dan voorheen deel uitmaakt van de stad. ‘Het is mooi om te zien hoeveel een gemeenschap kan bereiken als mensen de handen ineens slaan’, mailt Ben, de fictieve afzender van het bericht.

2017. Oosterwold, de nieuwe ecowijk tussen Almere en Zeewolde © Olaf Kraak / HH

Bij de tentoonstelling werkte Maarten Hajer samen met urbanist en curator Michiel van Iersel. Op een vrijdagochtend in april leidt Van Iersel de weg naar een kleine vergaderruimte in het monumentale pand van de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam, waar hij een lectoraat deelt met Rijksbouwmeester Floris Alkemade en architect Jarrik Ouburg. Eerder die dag kreeg hij te horen dat hij is aangenomen voor een fellowship van een jaar aan de Graduate School for Design aan Harvard University. Het onderzoek dat hij daar gaat doen, ligt in dezelfde lijn als zijn werk voor onder andere Places of Hope: de rol van gemeenschappen, de relatie tussen stad en ommeland, de waarde van regio’s die ten onrechte het imago van verloren gebied hebben gekregen.

‘De stad staat niet op zichzelf’, zegt hij. ‘Het is een open systeem, dat van oudsher een sterke relatie heeft tot het ommeland.’ De locatie van de tentoonstelling, aan de Turfmarkt, heeft daarom ook nog een symbolische waarde. Het is de plek waar de turf van de veengronden buiten de stad werd verhandeld aan stadslieden, die het gebruikten als brandstof voor de kachel. Maar die relatie is de afgelopen decennia op veel plekken verwaterd. Succesvolle steden zijn gesloten systemen geworden, die in veel gevallen meer contact hebben met vergelijkbare steden in het buitenland, dan met de eigen fysieke omgeving. Van Iersel geeft zichzelf als voorbeeld. Hij woont en werkt in Amsterdam, maar net als veel anderen in zijn omgeving zit hij met grote regelmaat in het vliegtuig, vaak voor werk, maar ook voor stedentrips. De ene keer India, de andere keer Kopenhagen en nu dus een jaar naar Harvard, bij Boston. Het is een manier van leven waar hij eigenlijk tegen ageert.

‘Places of Hope gaat over de kracht van gemeenschappen en over eigenaarschap en herwaardering van de eigen omgeving’, stelt hij. In Friesland kent hij een voor buitenstaanders onaantrekkelijk dorpje, waar mensen toch allemaal blijven wonen. Niet omdat het er zo mooi of kansrijk is, maar omdat ze daar horen. Ze zijn er geworteld, maken deel uit van de gemeenschap en kiezen er bewust voor om niet te vertrekken. ‘Dat fascineert me.’ Het is een vanzelfsprekend gevoel van thuis zijn, van ergens bij horen, dat hij in Amsterdam soms mist. Hij omschrijft de stad als een enorme concentratie van mensen, die elkaar nauwelijks kennen en gevoelsmatig altijd met een been in het buitenland zijn.

In Friesland bestaat, net als in andere perifere gebieden, ruimte en noodzaak om te experimenteren met nieuwe verdienmodellen, duurzame energie, collectief en coöperatief eigenaarschap en nieuwe woonvormen. In het essay De emancipatie van de periferie schreef Rijksbouwmeester Floris Alkemade hierover: ‘Op de grotere, landelijke schaal vormen de relatieve vrijheid, de radicaliteit en moderniteit van de ontwikkelingen op het duidelijk legere platteland een belangrijke motor die voor vernieuwende ontwikkelingen ingezet kan worden. Het platteland als het domein waar urgente zaken als de verduurzaming van de voedselproductie en de energietransitie plaats moeten vinden.’

Een van de meest extreme voorbeelden speelt zich af op de grens van stad en land, in de zuidoostelijke punt van Almere. Daar is een gebied van 4300 hectare aan voormalige landbouwgrond aangewezen als experimenteergebied onder de naam Almere Oosterwold. Hier legt de gemeente geen straten, riolering of elektriciteitsnetten aan, maar is het aan de bewoners zelf om hun samenleving en woonomgeving vorm te geven. Iedereen bouwt zelf of als collectief en onderling wordt bedacht hoe de gemeenschap zich organiseert en hoe de besluitvorming plaatsvindt. Volgens zelfgekozen structuren worden besluiten genomen over zaken als de aanleg van straten, het onderhoud van de openbare ruimte, straatverlichting en financiering hiervan. ‘Zelfs in de meest bedachte stad van Nederland blijkt dat niet-gestuurde ontwikkelingen de essentie bepalen’, schreef Alkemade.

Oosterwold is een initiatief van voormalig wethouder Adri Duivesteijn, die altijd heeft gepleit voor een centrale rol van bewoners bij het vormgeven van de stad. In tegenstelling tot marktpartijen die vaak relatief anonieme wijken en bouwblokken realiseren, geven bewoners die zelf bouwen meer karakter en eigenheid aan een huis, straat of wijk. Bovendien zorgt het vormgeven van de eigen omgeving automatisch voor een gevoel van binding en eigenaarschap ten opzichte van de buurt en leidt het sneller tot gemeenschapszin. Duivesteijn heeft altijd de suggestie bestreden dat marktpartijen sneller en efficiënter kunnen bouwen dan zelfbouwers en coöperaties.

Ook architect Rem Koolhaas, waarmee Alkemade jaren samenwerkte bij architectenbureau oma, heeft zijn aandacht inmiddels deels verlegd naar de noodzaak tot herwaardering van het platteland. De komende jaren doet hij grootschalig onderzoek naar de kracht en mogelijkheden van plattelandsgebieden in de meest uiteenlopende plekken op de wereld. Deels omdat het negatieve imago van de buitengebieden in zijn ogen onterecht is, maar deels ook uit moreel plichtsbesef. ‘Ruim vijftig procent van de wereldbevolking woont in steden, maar dat is geen excuus om het platteland te negeren’, zei de toparchitect eerder dit jaar tegen NRC Handelsblad. Juist daar vinden ingrijpende veranderingen plaats en juist daar hebben mensen en gemeenschappen behoefte aan een nieuw perspectief en aan handreikingen voor het vinden en benutten van nieuwe kansen.

Maar er zijn meer redenen om op een andere manier te kijken naar de triomf van de stad. In steden die ieder jaar drukker en voller worden, komt de leefbaarheid onder druk te staan. In veel steden zijn zorgen over de toenemende druk op de openbare ruimte, de afname van groen per inwoner, gezondheidsproblemen als gevolg van fijnstof of stress als gevolg van werkdruk en sociale druk. Uit verschillenden onderzoeken is gebleken dat zowel de bereikbaarheid van natuur als de rol van de gemeenschap een belangrijke rol speelt bij het welzijn van stadsbewoners. Menselijke behoeften die in de obsessie met urban living en efficiëntie regelmatig over het hoofd worden gezien en die deel uitmaken van een bredere vraag: hoe komen we tot een duurzamere vorm van samenleven en tot een meer duurzaam relatie met onze leefomgeving.

‘Places of Hope gaat over eigenaarschap van je omgeving’, zegt Van Iersel. ‘We hebben alles uitbesteed. Energieproductie, voedselproductie, we laten het doen door grote bedrijven, maar we kunnen het ook zelf doen.’ Het is in zijn ogen veelzeggend dat veel Amsterdammers zich van energie laten voorzien door Vandebron. ‘Je maakt deel uit van een soort gemeenschap die eenzelfde bewuste keuze maakt voor duurzame energie en je weet precies waar de energie vandaan komt.’ Hetzelfde geldt voor boodschappen doen bij Marqt. De behoefte aan een gemeenschap is er wel, maar het is in de stad moeilijker te vinden. De grote hoeveelheid eenpersoonshuishoudens en tijdelijke bewoners en gebruikers maakt het ontstaan van gemeenschappen in de buurt niet makkelijker. Bovendien is er in de planning, stedenbouw en architectuur momenteel weinig aandacht voor faciliteren van gemeenschapsvorming. Er wordt vooral gedacht in de hoeveelheid woningen en percentages koop en (sociale) huur. Hier en daar wordt er wat ruimte gegeven aan zelfbouwers of coöperaties. Maar het zijn toch vooral de grote ontwikkelaars en bouwbedrijven die relatief willekeurige woningen bouwen, voor een willekeurig gezelschap van mensen.

‘De stad is een casco dat werk, kunst, innovatie, architectuur, voedselbereiding, slapen en nog veel meer mogelijk maakt’

Om een alternatief te bieden voor deze vorm van stedelijke ontwikkeling publiceerde Eva de Klerk begin dit jaar het boek Make Your City: De stad als casco. De Klerk maakte aan het begin van deze eeuw naam als oprichter van Kinetisch Noord, de stichting die de verlaten ndsm-werf in Amsterdam-Noord nieuw leven inblies. Het eerste en grootste project op de werf was de transformatie van de Scheepsbouwloods tot een zelfbouwstad voor creatieve ondernemers, skateborders en low- en non-profitorganisaties. Ook zelf heeft ze er een kantoor, dat ze maakte van drie oude containers, die bereikbaar zijn via een constructie van metalen en houten trappen en een kleine metalen overloop op vier meter hoogte. De Kunststad, zoals ze de overdekte zelfbouwstad noemde, is een kleurrijk en speels doolhof van gangen en trappen, kantoren en werkplaatsen.

Met subsidie van gemeente en rijksoverheid en vooral veel eigen investeringen bracht De Klerk in de immense loods een raamwerk aan van beton en staal, waarbinnen de ondernemers naar eigen inzicht en met eigen middelen zelf een ruimte konden bouwen. Het stratenpatroon werd vormgegeven aan de hand van de oude spoorrails, de kraanbanen en de lichtinval door het dak van de loods. Door de vooraf bepaalde fysieke kaders te beperken, als in een casco, creëer je vrijheid voor individuele invulling van de ruimtes en voor het ontstaan van een gemeenschap. Een duurzaam financieel model zorgt ervoor dat de huren betaalbaar blijven en dat gebruikers hun investeringen kunnen terugverdienen.

Zelf koos De Klerk ervoor om een van haar containers in te richten als gastcontainer, die ruimte biedt aan initiatieven die een voet aan de grond willen krijgen in Amsterdam. Zoals het experimentele circulariteitslab Metabolic Lab. Een andere container richtte ze in als eigen werkplek, met een keukentje en een lange houten tafel, die ze kan gebruiken als bureau of als vergadertafel. Aan de tafel zit kunstenares Carolien Feldbrugge. ‘Carolien is mijn mentor’, zegt De Klerk, terwijl ze een koffiekopje onder een espressoapparaat zet en melk opschuimt. Make Your City: De stad als casco is een verslag van haar zoektocht naar een alternatieve manier van stedelijke ontwikkeling en een handleiding voor iedereen die net als zij een stuk stad op eigen wijze vorm wil geven. Niet gedreven door het nastreven van maximale grondopbrengsten, maar gericht op het creëren van maatschappelijke waarde en gedragen door een sterke gemeenschap. In het voorwoord beschrijft de Amerikaanse econoom en socioloog Saskia Sassen de visie van De Klerk op de stad als volgt: het is ‘geen jungle (…) van gebouwen die verhandeld kunnen worden, maar een casco dat stedelijkheid, werk, kunst, innovatie, architectuur, voedselbereiding, slapen en nog veel meer mogelijk maakt’.

De Klerk bracht deze theorie in praktijk in de Scheepsbouwloods en op andere delen van de ndsm-werf en legde ook de basis voor de succesvolle herontwikkeling van Berlin Tempelhof. Het voormalige vliegveld veranderde onder invloed van haar inbreng van een verlaten probleemgebied in een stadspark, bruisend van creativiteit en ondernemerschap. Een geliefde oase in de Duitse miljoenenstad, die wordt vormgegeven en gedragen door een gemeenschap van kunstenaars, bewoners, buitensport- en groene ondernemers. Ook denkt ze op uitnodiging van de stadsbouwmeester binnenkort mee over de verdere ontwikkeling van het gebouw op het voormalige vliegveld. Hoewel de parkfunctie aanvankelijk slechts tijdelijk was, in afwachting van grootschalige bouwplannen, stemde de bevolking van Berlijn bij een referendum voor permanent behoud van het park. De waarde van iets dat ontstaat uit tijdelijkheid is vaak groter dan vooraf kan worden bedacht. De maatschappelijke waarde van nieuwe stukken stad, die ontstaan uit een dynamiek van gedreven gebruikers, is onvergelijkbaar met willekeurige bouwblokken, die tot stand komen op de tekentafel.

‘De gemeente wil iets bestemmen aan de hand van een masterplan, wij willen iets ontwikkelen aan de hand van zelfbestemming’, zegt De Klerk, die zich liet inspireren door de stadsontwikkelingstheorie ‘De stad als casco’. Deze werd in de jaren negentig geschreven door onder anderen haar mentor Feldbrugge en Frank Bijdendijk, destijds directeur van woningbouwcorporatie Het Oosten. Hiermee daagden ze de gemeente destijds uit om met een andere blik te kijken naar de herinrichting van de zuidelijke IJ-oevers. Om niet te kiezen voor maximale grondopbrengst maar voor een geleidelijke ontwikkeling, met de bestaande gebouwen, de eeuwenoude pakhuizen, als uitgangspunt en met de gemeenschap van gebruikers als stuwende kracht.

Uiteindelijk werd een aantal gebouwen, waaronder de Graansilo, Pakhuis de Zwijger en Pakhuis Wilhelmina gespaard. Pakhuis Wilhelmina was en is de thuisbasis van Feldbrugge en is eigendom van de kunstenaars en ondernemers die er werken. Met de twee andere panden vormt het een uitzondering in de verder marktgedreven ontwikkeling langs de zuidelijke en nu ook de noordelijke oever van het IJ.

Toen De Klerk er aan het begin van de eeuw neerstreek, was de ndsm-werf een duister en verlaten gebied waar al jaren niets meer gebeurde. Inmiddels is het een toplocatie in een stad die een explosieve groei doormaakt en waar de behoefte aan grond, woningen en andere vierkante meters groot is. Aangetrokken door de bijzondere dynamiek die er onder aanvoering van De Klerk ontstond, betrok mtv elf jaar geleden de grondig gerenoveerde Timmerwerkplaats. Drie jaar later opende de Hema een paar honderd meter verderop een nieuw hoofdkantoor en in 2015 kondigde Hilton met trots de opening aan van het splinternieuwe Double Tree NDSM Wharf. Kamers in het designhotel kosten circa tweehonderd euro per nacht. Inmiddels is ook begonnen met de bouw van de eerste appartementencomplexen op de werf. De komende tien jaar zullen in het gebied ruim tweeduizend woningen worden gebouwd.

Over tien jaar zal de populatie op de werf zijn uitgegroeid tot een relatief willekeurige mengelmoes van gebruikers, die je op een willekeurige andere plek ook zou kunnen tegenkomen. Mannen en vrouwen in pakken, toeristen, bewoners en hier en daar nog een overgebleven kunstenaar. Mensen die elkaar niet kennen en weinig met elkaar te maken hebben, hoewel het specifieke karakter en de geschiedenis van de ndsm iets van context en richting geeft aan de gedeelde belevingswereld. Bovendien zijn het de gemeente en de marktpartijen en niet de gebruikers die de prijzen en dus de toegankelijkheid en bevolkingssamenstelling bepalen.

‘Het kan echt anders’, zegt De Klerk. ‘Maar dan moet de gemeente bereid zijn om op een andere manier om te gaan met bestaand vastgoed en de uitgifte van grond. Kies je voor geleidelijke waardeontwikkeling door te verkopen aan een gemeenschap van gebruikers of kies je voor maximale opbrengst in één keer door grond of vastgoed te verkopen aan een enkele marktpartij?’ En kies je voor geld als belangrijkste waarde of voor andere, maatschappelijke waarden? Zoals diversiteit, inclusiviteit, gemeenschapsvorming en emancipatie. ‘De suggestie wordt vaak gewekt dat het alleen kunstenaars zijn die op deze manier een stuk stad kunnen vormgeven, maar dat is echt onzin. Ik zie het juist veel breder. Er zijn zoveel groepen in de stad die zoeken naar een plek en die betrokken willen zijn bij het maken of bouwen van hun eigen huis, buurt of gemeenschap.’ Maar dat kan alleen als er letterlijk en figuurlijk ruimte voor wordt gegeven.

Het is een vraagstuk waar de gemeente Amsterdam zelf ook mee worstelt. Het jaarlijkse Amsterdam City Event voor ambtenaren stond in het teken van ‘Building Communities.’ De wil is er wel, maar het is de vraag in hoeverre de gemeente ook echt bereid is om regie en inkomsten op te geven om eigenaarschap van gebruikers en gemeenschapsvorming mogelijk te maken.

Toch lijkt het ook in het licht van de thematiek van Places of Hope een logische volgende stap. Iepen mienskip is niet iets wat alleen slaat op Leeuwarden en Friesland, maar op de moderne samenleving en de toekomst van Nederland in zijn geheel. Er zijn nieuwe ideeën nodig over de relatie tussen stad en land, tussen gebruikers en hun omgeving en het vormen van gemeenschappen. Het zijn immers de gemeenschappen die in de praktijk het voortouw nemen bij het zoeken van oplossingen voor de grote vraagstukken waar steden en regio’s in heel Europa en ver daarbuiten mee worstelen. Het was ook de iepen mienskip, benadrukt de organisatie van Leeuwarden Culturele Hoofdstad 2018, die de basis vormde voor de succesvolle strijd tegen het water die Nederland heeft gemaakt tot wat het is.