Anoniem, Hugo de Groot naar Slot Loevestein gebracht, 1619, ca. 1800 -1849. Ets en gravure, gedrukt in bruin, met de hand gekleurd, 30,4 x 38,1 cm © Collectie Rijksmuseum

‘Rechtsgeleerde.’ Aldus de gebruikelijke aanduiding van de man die bij de verkiezingen van ‘de grootste Nederlander’ in 2004 op de 31ste plaats eindigde – als de zesde wetenschapper op rij: Hugo de Groot. Van hem weten de meesten behalve dat ‘rechtsgeleerde’ nog wel iets meer, namelijk dat hij (dit jaar precies vier eeuwen geleden) ontsnapte in een boekenkist. Maar met die kist en dat rechtsgeleerde is het belangrijkste wel gezegd. Een enkeling weet wellicht nog dat De Groot een boek schreef over oorlogsrecht, eventueel ook nog dat hij nauw verbonden was aan Oldenbarnevelt en een rekkelijk standpunt in de Nederlandse godsdiensttwisten innam, maar daarmee houdt het vermoedelijk wel op. Zoals zovelen op de beroemderikenlijst is ook Hugo de Groot vooral beroemd omdat hij beroemd is – en van de straatnamen. Maar de achtergrond van die roem kent slechts een handvol specialisten.

Van de Nederlandse Grotius-kenners is historicus Henk Nellen, langdurig onderzoeker aan het Huygens Instituut, de coryfee. Al in 1985 schreef hij een eerste boek over Grotius. Vervolgens was hij intensief betrokken bij de uitgave van diens briefwisseling. In 2007 publiceerde hij ‘de’ vuistdikke, in 2014 in het Engelse vertaalde standaardbiografie. En nu dus dit, minder dan half zo dikke, levensverhaal. Waarom? Nellens verklaring is van een even uitzonderlijke als innemende bescheidenheid: dat er veel is waarvan hij vijftien jaar geleden niet op de hoogte was; ‘onkunde’ is zelfs het woord dat hij met betrekking tot zijn eigen kennis gebruikt. Ook in dit nieuwe boek blijft veel onderbelicht, voegt hij eraan toe. Dat komt, afgezien van die ‘onkunde’, ook door de invalshoek. Want de grondstof ervan is Grotius’ briefwisseling. Diepgaande analyse van het werk blijft daarom achterwege.

Nellens bescheidenheid is temeer zo innemend omdat zijn verhaal diepgaand is, en tevens glashelder, fraai opgebouwd ook, makkelijk leesbaar dus. Vooral dit laatste is geen eenvoudige prestatie want de kloof tussen Hugo de Groot en onze tijd is vele malen groter dan je op basis van ’s mans faam zou verwachten.

De polemische aanvallen op zijn eenheidsstreven hebben Grotius’ ­laatste jaren vergald

Neem slechts de belangrijkste noemer waaronder Grotius bekend is: ‘rechtsgeleerde’. ‘In onze geseculariseerde wereld gaat de aandacht eerst uit naar zijn juridische werken’, schrijft Nellen aan het eind van zijn boek, ‘en die blikvernauwing is er de oorzaak van dat vaak vergeten wordt dat in de eerste eeuwen na zijn dood de invloed van zijn theologische en literaire arbeid minstens zo belangrijk is geweest’. Ik zou na het lezen van deze biografie, in navolging van Nellen en met kritiek op mijn eigen variant van die blikvernauwing, nog wel verder durven gaan: ik had geen idee dat Hugo de Groot een zo door en door religieus mens was en dat het geloof zozeer het uitgangspunt was van zijn doen en denken. Ach, misschien wist ik het wel, in theorie althans, tot voor een halve eeuw was immers zo goed als alles en iedereen doordrongen van religie. Maar dat is abstracte en dus merendeels loze kennis. Die kennis concreet aanwezig zien in leven en werk van een man die de faam heeft de grondslag gelegd te hebben van vele modernismen, lees seculariseringen, is op z’n minst leerzaam en op z’n meest ontluisterend.

Vanzelfsprekend betrof de rechtsgeleerdheid van Grotius ook het vak in onze betekenis van het woord: van het onderscheid tussen goed en kwaad en de wijze waarop het een te handhaven en het ander te bestrijden is. Maar minstens zozeer betrof zijn geleerdheid principiële of filosofische zaken waaronder in de eerste plaats de vraag naar de bron van dat goed en kwaad. Deze vraag is voor ons een abstractum, voor De Groot cum suis was hij een principium: het begin van alle denken. Vandaar ook dat hij in de inleiding van zijn bekendste boek (over oorlog en vrede) de beroemde en gewraakte ‘etiamsi daremus’ (‘zelfs als wij zouden aannemen’)-hypothese stelde. Vrij weergegeven staan deze Latijnse woorden voor de vraag wat er van het (natuur)recht zou overblijven als je uitgaat van de (voor Grotius cum suis puur filosofische en dus op de keper beschouwd ‘idiote’) gedachte dat er geen god bestaat, geen opperwezen dat voor dat ‘recht’ de grondslag heeft gelegd. Grotius’ antwoord, opnieuw vrij weergegeven: de principes zouden overeind blijven. Hiermee opende hij, onbedoeld, de deur richting rechtspositivisme, dat wil zeggen de gedachte dat het recht zijn geldigheid slechts vindt in de wetten van de staat en losstaat van moraal. Deze gedachte op haar beurt steunde weer op het natuurrecht ofwel op de gedachte dat moraal losstaat van god. Het is een ingewikkeld seculariseringsproces (god > natuur > mens/staat) dat met deze weergave onvoldoende recht wordt gedaan, maar daar gaat het niet om. Het gaat om het voor Grotius’ en zijn tijd cruciale uitgangspunt: dat zonder god alles ondenkbaar was en dat een andere voorstelling niet meer dan een gedachte-experiment kon zijn. Vervolgens ging het als zo vaak: het uitgangspunt verdampte en het experiment bleef. Vanuit huidig perspectief zien we van dit proces slechts de uitkomst. Maar belangrijk is het om met Nellen te beklemtonen dat het voor Hugo de Groot – ik ben geneigd te zeggen: vanzelfsprekend – anders lag. Hij kon onze uitkomst niets eens vermoeden. Voor hem was god alles en alles god. Overigens moet hierbij wel aangetekend worden dat Grotius dit intellectueel uitgangspunt in de politieke actualiteit voortdurend bevestigd zag – ook in eigen land, onder meer tijdens dezelfde godsdiensttwisten die zijn kompaan Oldenbarnevelt op het schavot en hem in het cachot deden belanden.

Heel zijn leven zocht Grotius naar een manier om een eind te maken aan de godsdiensttwisten van zijn tijd. Zijn oplossing wordt veelal omschreven met een begrip als tolerantie (‘rekkelijkheid’) maar is wellicht beter als een vorm van intellectuele scepsis te omschrijven. Partijen sloegen elkaar immers dood vanwege (voor ons gevoel dwaze) verschillen van bijbelinterpretatie, de vraag bijvoorbeeld of het lot van de mens al vóór de geboorte vastlag of niet. Het antwoord werd steevast in het Boek der Boeken gezocht – uitgaande van de veronderstelling dat wat hierin staat onbetwijfelbaar waar was want ‘Het Woord van God’. Grotius wordt veelal gerekend tot de stroming van het zogenoemde laat-humanisme, dat wil zeggen de grote groep geleerden die gedurende de lange zeventiende eeuw probeerde oude teksten, vooral uit de antieke wereld en het vroege christendom, bereikbaar te maken. Dit ‘bereikbaar’ stond voor meer dan (tekst)editie. Het stond ook voor interpretatie. En in de meeste gevallen, zoals ook in dat van Grotius, leidde die interpretatie binnen dat laat-humanisme tot ‘historisering’, dat wil zeggen tot het besef dat tekst en context bij elkaar horen. Nellen spreekt in dit verband zelfs van een paradigmawisseling en schrijft: ‘Niet langer was het van belang te achterhalen of de tekst de waarheid sprak; nu ging het erom de tekst te duiden door de bedoeling van de auteur te achterhalen en de actualiteit van zijn boodschap voor de zeventiende eeuw toe te lichten.’

Een van de fraaiste intellectuele fenomenen uit de vroege (zestiende-achttiende eeuw) moderniteit is wat gewoonlijk ‘de Republiek der Letteren’ wordt genoemd: de internationale gemeenschap van geleerden. De term werd gesmeed of gepopulariseerd door de voorman van de oudste variant ervan: Erasmus. Het bestaan van zo’n ‘republiek’ maakt zijn briefwisseling tot een van de beste sleutels tot de Europese cultuur aan het begin van de zestiende eeuw. Voor Grotius geldt in mindere mate (de internationale wereld was door de breuk in het christendom en de opkomst van nationale staten sterker verdeeld dan in Erasmus’ tijd) hetzelfde. Waar het bij Erasmus in de standaardeditie van Allen gaat om elf delen en meer dan drieduizend brieven, gaat het bij Grotius om zeventien delen en meer dan achtduizend brieven. De uitgevers deden er, veelzeggend, meer dan zeventig jaar (van 1928 tot 2001) over om dit corpus openbaar te maken. Het is overigens van belang te bedenken dat Grotius na zijn ontsnapping uit Loevestein en tot zijn dood in 1645 in het buitenland woonde: Frankrijk, Zweden. De correspondentie was voor hem om die reden ook een levensanker.

Zoals gezegd is het werk van Hugo de Groot voor ons niet eenvoudig te begrijpen, maar door het in de context van zijn leven en dus, grotendeels, die brieven te plaatsen, krijgt het ‘handen en voeten’. Een van de talloze voorbeelden hiervan is de correspondentie met de Zweedse resident in Zürich, Carl Marin. Aanvankelijk gaan de brieven vooral over persoonlijke zaken, maar vanaf het moment dat Grotius steeds verder in de problemen raakt vanwege zijn pleidooi voor christelijke eenheid en dus een verzoening of op z’n minst vreedzame coëxistentie tussen katholiek en protestant wordt ook de religie een thema. Marin was een gematigd protestant, beslist geen scherpslijper én toch een tegenstander van die eenheid. Hij had hierbij ook goede argumenten (onder andere de corruptie in en wreedheden van de katholieke kerk) en bovendien persoonlijke ervaring (verbanning uit zijn katholieke vaderland Bohemen). Hoewel een en ander Grotius niet koud liet, hield hij toch vast aan zijn standpunt van christelijke eenheid, zoals Marin vasthoudt aan zijn ideaal van een gebroken christendom. Aldus krijgt een hoogdravend religiedebat in en door brieven een kleinmenselijke vorm. In andere zin gebeurt hetzelfde. ‘Uit Grotius’ correspondentie komt goed naar voren dat de polemische aanvallen op zijn eenheidsstreven zijn laatste jaren hebben vergald’, schrijft Nellen aan het eind van zijn boek. Dit niet alleen om persoonlijke en intellectuele, maar ook om financiële redenen: ‘tastbare steun vanuit politieke en kerkelijke instituties in Frankrijk, Engeland of de Duitse landen bleef uit’. Anders gezegd, zijn voortdurende pogingen tot verzoening tussen katholiek en protestant hebben Grotius in eigen tijd – zie ook de titel van dit boek – veel alledaagse ellende opgeleverd. Ook dat blijkt weer keer op keer uit de brieven. Kortom, zelfs intellectuelen van het niveau van Hugo de Groot zijn in de eerste plaats gewoon mensen. Het is gemakkelijker zoiets te vergeten dan te beseffen.