De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Economie

In krantenland

Het was monopoliemaand in krantenland. De Persgroep (Volkskrant, Trouw, Parool) neemt regionale dagbladuitgever Wegener over en wordt daarmee de grootste uitgever van Nederland. En Metro wordt het enige gratis dagblad in Nederland, nu dat andere kwaliteitsmedium Spits de handdoek in de ring gooit. Steeds minder titels komen in handen van steeds minder eigenaren.

Aan het eind van de jaren vijftig hadden de twee grootste dagbladuitgevers tezamen slechts negentien procent van de markt in handen, inmiddels hebben de twee grootste bijna negentig procent in bezit. Het aantal dagbladtitels met een eigen hoofdredactie daalde van ruim zestig in 1950 naar ongeveer twintig nu.

Het is tekenend voor de grote veranderingen op de dagbladmarkt. De opkomst van het internet heeft de druk op dagbladen om te bezuinigen en consolideren vergroot. Dalende lezersaantallen zijn een probleem, maar veel vervelender nog zijn de weggevallen advertentie-inkomsten. Sinds 2000 steeg de omzet van dagbladen uit abonnementen en losse verkoop met 17,6 procent. De omzet uit advertenties donderde in dezelfde periode echter met zeventig procent in elkaar.

Het verdienmodel van nieuwsmedia werkt niet meer. Voorheen waren advertenties goed voor ruim de helft van alle dagbladinkomsten. Dat is voorbij. Advertentiemolochs als Google en Facebook slokken een groter deel van de advertentiekoek op.

Eigenlijk is het vreemd dat nieuwsmedia zo achteruit gaan. Het internet biedt namelijk een enorm potentieel. Het is spotgoedkoop om journalistiek te vervaardigen. Terwijl bij kranten, blijkens het jaarverslag van de Nederlandse dagbladpers, slechts 27 procent van hun kosten uit redactie bestaat, kunnen mijn opdrachtgevers, De Correspondent en Follow the Money, bijna tachtig procent aan de redactie spenderen. Met weinig kan al veel gedaan worden. Bovendien is kleinschaligheid geen nadeel op het internet. De schaalvoordelen zijn beperkt vergeleken met dagbladen, waar drukkosten en collectieve bezorging en inkoop al snel voor aanmerkelijke kostenreductie zorgen.

Het probleem is echter dat oude nieuwsmedia vooralsnog vooral de kosten dragen (teruglopende inkomsten) en niet de baten ontvangen (teruglopende kosten). Ze zitten nog vast aan hun papieren verdienmodel, aan dure drukkerijen en bezorgingsapparaten. Terwijl hun lezersbestand ook grootdeels papiergeoriënteerd is.

Informatie is de munt­eenheid van de democratie (Thomas Jefferson)

Juist daarom moet de vernieuwing komen van digitale nieuwkomers. De overheid maakt zulk ondernemerschap echter niet makkelijker. Momenteel betaal je, vreemd genoeg, op een papieren versie van NRC zes procent btw, maar op de identieke digitale versie 21. Een no-brainer zou zijn om papier en digitaal gelijk te schakelen.

Maar de vraag is of alleen dat genoeg is. Digitaal zijn er inmiddels een aantal lichtpunten, zoals De Correspondent, maar deze micro-successen maken de macro-teloorgang nog niet goed. Om het verlies aan advertentie-inkomsten tussen 2000 en 2013 goed te maken zijn er bijvoorbeeld nog zo’n 420 ‘De Correspondenten’ nodig.

Eigenlijk zou er een nieuwe structurele bron van inkomsten moeten komen om de weggevallen advertentie-inkomsten te compenseren. Een radicaal voorstel: elke Nederlander ouder dan zestien jaar krijgt elke maand een bepaald subsidiebedrag te verdelen onder nieuwsmedia. Op de site van in aanmerking komende nieuwsmedia komt een button waar mensen op kunnen klikken als ze de website waarderen. Deze sites ontvangen dan aan het eind van iedere maand een bedrag, afhankelijk van het aantal clicks dat ze ontvingen.

Voor media in aanmerking komen voor subsidiegeld moeten ze wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Ten eerste moeten de nieuwsmedia non-profits zijn. Ten tweede mogen de non-profits geen neveninkomsten hebben uit advertenties of andere commerciële activiteiten. Dit maakt de nieuwe media minder afhankelijk van de commercie en laat het commerciële domein volledig vrij voor media met een winstoogmerk. Ten derde moeten de websites een informatief karakter hebben. De definitie van ‘informatief’ moet zo breed mogelijk worden opgevat, maar enig criterium is noodzakelijk, anders schiet het beleid zijn publieke doeleinden voorbij. Ten vierde moet alle productie gratis te vinden zijn op het internet.

Zo’n subsidiestelsel heeft grote voordelen: geen staatscommissie van goede smaak die bepaalt wat goede journalistiek is, geen commerciële overlap met bestaande media, ruimte voor kleinschaligheid en gericht op een digitale toekomst.

Informatie is de munteenheid van de democratie, zei Thomas Jefferson eens. Kunnen media op het internet, met zijn beperktere betaalbereidheid en advertentie-inkomsten, zelfstandig voldoende verdienen om de goegemeente van die munteenheid te voorzien? Ik hoop van wel, maar vrees van niet. En daarom heeft de overheid een rol te spelen, die ze maar beter zo goed mogelijk kan vervullen. Mensen zijn immers niet alleen nieuwsconsumenten, ze zijn ook burgers.