In Kunduz

Ongeveer acht maanden geleden vertrokken de Nederlandse kwartiermakers naar de Afghaanse provincie Kunduz om de komst van de nieuwe Nederlandse missie voor te bereiden, 550 man die daar politie zou gaan opleiden maar niet mochten vechten. De algemene toestand in Afghanistan in aanmerking genomen een curieuze voorwaarde, maar als daaraan niet zou worden voldaan, zou GroenLinks zich tegen verklaren.

Vorige week donderdag werd bekend dat het gedeeltelijk opleiden van één Afghaanse agent ons dit jaar ruim een half miljoen euro zal kosten. Voor 2012 en 2013 worden de kosten geraamd op 109 miljoen euro per jaar. Succes is niet gegarandeerd. Het kan voorkomen dat een door het Westen opgeleide agent zijn in het Westen gemaakt machinepistool tegen een westerse bevrijder trekt. Waarom? Ja, dit is Afghanistan.
De oorlog is intussen tien jaar oud. In 2006 is Nederland gaan meedoen, in Uruzgan, in 2010 kwam er een eind aan, maar dit jaar heeft het kabinet zich opnieuw laten overtuigen. Waarom? We gaan er weer meedoen, om de welvaart te verhogen, orde en veiligheid te brengen, nog meer mooie doelen na te streven. Dat is de ene kant van de rechtvaardiging. De andere is dat we daarmee bewijzen deel uit te maken van de internationale gemeenschap. We mogen, zoals het wordt genoemd, aanschuiven, meedoen met de grote internationale besluitvorming. In Afghanistan is Nederland een aanschuifnatie. En dat willen onze bondgenoten zo houden. Op 2 november verscheen een hoge autoriteit van de Navo, admiraal Di Paola op de Nederlandse tv. Hij uitte zijn dankbaarheid en moedigde Nederland aan het zegenrijke werk in Afghanistan niet op te geven. Anders gezegd: blijven aanschuiven.
Dat we deze aanwezigheid in de hoogste kringen in feite te danken hebben aan de bereidheid van onze soldaten om in het gevaarlijkste land ter wereld hun leven te wagen, speelt in politieke kringen geen uitgesproken rol. Het zou geen kwaad kunnen als dit hier wat duidelijker werd gezegd. Maar er is nog een andere kant van het vraagstuk die in de publiciteit evenmin een rol speelt. Als aanschuifnatie hebben we op het gebied van het grote beleid dat in Afghanistan wordt gevolgd weinig of niets in te brengen. De grote militaire en politieke beslissingen worden genomen in Washington. Misschien heeft de Navo daarop ook nog invloed. Maar op welke manier dat proces verloopt blijft in het duister.
In dit grote geheel is Nederland slechts een dienstbare figurant. Dat op zichzelf zou misschien nog een overkomelijk bezwaar zijn als deze oorlog een onderneming met een duidelijk en bereikbaar doel was. Maar sinds nu tien jaar geleden de Amerikanen begonnen met het bombarderen van het Tora Bora-gebergte zien we in feite niets anders dan een aaneenschakeling van militaire en politieke experimenten die vastlopen in vergissingen. Er is in die tien jaar misschien wel een aanzet tot een staatskundige eenheid gegroeid, maar telkens als de Taliban in Washington weer bijna verslagen werden verklaard, kwam het verzet terug. En telkens als er een democratische verkiezing was gehouden, werd daarna duidelijk met hoeveel corruptie die gepaard was gegaan. De recente geschiedenis van Afghanistan is er ook een van onverslagen verzet en onuitroeibare corruptie. Het is jammer dat dit verhaal nooit geschreven is.
Het wordt nog ingewikkelder. In de loop van deze tien jaar is het steeds duidelijker geworden dat zonder de volledige medewerking van Pakistan deze oorlog niet te winnen valt. Dat werd buitengewoon duidelijk toen begin dit jaar de Amerikanen Osama bin Laden hadden opgespoord. Hij zat in Abbottabad ondergedoken, als je het zo mag noemen, recht tegenover een kazerne van het Pakistaanse leger. Pakistan ontvangt miljarden aan Amerikaanse steun, maar de geheime dienst heeft goede betrekkingen met het Afghaanse verzet. Bin Laden kon daar rustig leven.
Soms komt de tersluikse sympathie van Pakistan aan het licht. Vorige week voerde de Amerikaanse luchtmacht in het grensgebied een aanval uit. Later bleek dat dit op Afghaans verzoek was gedaan. Per ongeluk werden 24 Pakistaanse burgers gedood. Dat is tragisch en onder de daar geldende omstandigheden ook zeer stom. Minister Clinton en Navo-secretaris-generaal Rasmussen maakten hun diepe verontschuldigingen. Maar intussen had het Pakistaanse leger de toevoerweg naar Afghanistan afgesloten. Is dit een incident? Nee, de situatie ter plaatse brengt zulke gebeurtenissen met zich mee, en de gevolgen zijn tekenend voor de Amerikaans-Pakistaanse verhoudingen. En de voortgang in Afghanistan is direct afhankelijk van de verhouding tussen dat land en Pakistan.
Kunnen onze 550 politietrainers in Kunduz daar enige invloed op uitoefenen? Heeft minister Rosenthal enige invloed op de grote strategie zoals die in Washington wordt bedacht? Nee. In Kunduz zijn ‘onze dappere jongens en meiden’ aanschuifknechten. Een achterlijk land er bovenop helpen is een mooi doel. Maar eerst een antwoord op de vraag: hoe? Als daarop een geloofwaardig antwoord wordt gegeven, kunnen we verder zien.