Opheffer

In Londen

Londen is ook Londen niet meer, zoals Amsterdam in de loop van de tijd ook veranderd is. Op het vliegveld spreken de agenten en douaniers geen Engels. De taxichauffeur spreekt ook nauwelijks Engels. De vrouw achter de balie van het hotel is ook een migrant. Het doet me deugd, gek genoeg, en misschien iets te politiek correct gedacht. De agent op straat is wel Brits, maar de vele schoonmakers, de man in de computerwinkel, de man in de krantenwinkel, het zijn allemaal migranten.

Vreemd, als je erop gespitst bent, zie je heel weinig autochtonen. Ik zie een bedelaar. Onmiskenbaar Brits. Ik zie een man in een herenmodezaak – ook Brits.

In de peepshow – vlak naast mijn hotel, dus waarom niet even gekeken – zijn de meisjes allesbehalve Brits. Ik hoor de roomblanke, kale portier (zwarte leren jas, zwarte leren laarzen) Duits praten met een jongen die zijn tweelingbroer had kunnen zijn. Om te kijken of ze werkelijk Duits zijn, stel ik in het Duits een vraag (‘Waar is Leicester Square?’). Uit het antwoord maak ik op dat het waarschijnlijk Polen zijn. Het Duits is verre van vlekkeloos.

Als ik ’s avonds op het balkon van een receptiezaal met enkele Britse acteurs spreek, blijkt dat het woord ‘identiteit’ hier ook enkele keren onderwerp is geweest van een groot debat. Een gekleurde acteur zegt: ‘Engeland denkt dat ze haar identiteit heeft verloren, toen ze de koloniën moest afstaan. Het lijkt er soms op dat ze dat niet kunnen verkroppen. Dat India nu wat betreft de economie booming is, komt eigenlijk door Engeland. Dat hoor je hier. En dat er in datzelfde India een enorme armoede is, komt natuurlijk door India zelf.’

Ik vertel over Máxima en haar uitspraak dat ‘de’ Nederlander niet bestaat. De Engelsen hier hebben daar bewondering voor. ‘Dat zou een van onze prinsessen nooit zeggen. Ik geloof zelfs niet dat Diana dat zou verklaren. Ze zouden juist bij herhaling beweren dat ze Brits zijn. Dat Diana vreemdging met Dodi werd ook uitgelegd als een typisch Britse gewoonte van het Britse vorstenhuis. Charles ging immers ook vreemd. De vraag is dan natuurlijk: wat is Brits? Het antwoord is dan: “Alles wat niet Duits en Frans is.” Zelfs jullie Nederlanders vinden wij eigenlijk rather British.’

De koran staat hier niet zo ter discussie als bij ons, merk ik. Wel is de grote vraag: hoe kunnen aardige jongens, die cricket spelen en in het onderwijs werkzaam zijn als onderwijzer, een aanslag plegen op bussen en de ondergrondse? ‘Waarom bijten ze in de hand die ze heeft gevoed? Wat deed die hand verkeerd?’ hoor ik.

‘Het zijn juist de hoger opgeleiden die overgaan tot fanatisme. Hun intellectualisme wordt niet erkend en de eenvoudige antwoorden van hun fanatisme geeft ze status binnen de eigen groep’, zeg ik.

Dat vindt men toch onzin. Ze doen er hier trouwens tamelijk laconiek over. Een acteur zegt: ‘We hebben zo’n rijke geschiedenis dat we altijd wel ergens iets fouts hebben gedaan. In Pakistan, India, in Israël, Palestina, Egypte, Irak – we zijn overal geweest, we hebben overal de eigen bevolking neergeschoten, we hebben overal geplunderd en de beest uitgehangen, dus is er altijd wel voor iemand ergens een reden om ons aan te vallen en onze bussen op te blazen.’

Ik krijg sterk de indruk dat er een verschil is tussen Londen en Amsterdam. Ik vertel ze over de moorden en de brandende auto’s in Slotervaart.

‘Ja, sorry, voor ons is dit muziek uit de sixties…’