In Marokko

In Marokko

De Slow Movement, die alles langzaam wil doen, is zeer geïnteresseerd in Marokko. Ik kwam hier gisteren een veertigjarige Brit tegen die van de Beweging was, en die zei dat Marokko bij uitstek geschikt was voor Slow Travel. Hij wilde het land zelfs voordragen voor de Slow Country Award.
Ik zei dat ik niet wist dat die Award bestond.

De Brit lachte. ‘Die bestaat ook nog niet, maar hij komt eraan.’ Het was het logische vervolg, legde hij uit, op Slow Food, Slow Books, Slow Schools en Slow Cities.

‘Maar waarom Marokko?’ vroeg ik.

Omdat hier de ‘principes van Slow’ schijnbaar moeiteloos werden nageleefd. ‘Marokko moet die Award als eerste krijgen.’

Ik raakte geïnteresseerd. ‘Wat is er dan zo Slow aan Marokko?’

De Brit wilde het me graag uitleggen – misschien konden we ergens koffiedrinken? We liepen naar een terras, namen plaats tussen de onvermijdelijke mannen die daar eeuwig zaten. ‘Waar in Europa neemt men daar nog de tijd voor?’ zei de Brit.

‘Maar deze mannen zijn werkloos en hebben niks te doen’, wierp ik tegen. ‘Ze willen niet de hele dag thuis zitten.’

Maar dat bracht de Brit niet uit zijn evenwicht. Het koffiedrinken was volgens hem geen ‘geïsoleerd feit’, maar was onderdeel van ‘een hele cultuur van Slow’. Die cultuur bleek bijvoorbeeld ook uit het nog alomtegenwoordige gebruik van ezel, handkar en paard-en-wagen: stuk voor stuk tekenen dat Marokkanen weigeren concessies te doen aan de moderne tijd. ‘Waarom een auto kopen als men een ezel ter beschikking heeft? Voor die auto moet weer gewerkt worden. De Marokkaan houdt het bij de ezel, zodat hij tijd heeft om koffie te drinken.’

‘Sterker nog’, zei ik, ‘waarom een ezel kopen als je oude schoonmoeder nog leeft?’

Nu keek de Brit mij verward aan.

Maar hij had toch gereisd door Marokko? Had hij dan niet overal langs de weg kromme oude vrouwtjes zien lopen, met enorme takkenbossen op hun rug?

De Brit begreep dat ik een grapje maakte en barstte in lachen uit, wat ik wel sportief van hem vond. ‘De cynische journalist!’ kon hij toch niet nalaten uit te roepen. Het klonk licht vermanend.

‘Maar’, vroeg ik, met een ernstig gezicht nu, ‘waren ezel, handkar en paard-en-wagen genoeg om van Marokko een Slow Country te maken?’

Even ernstig schudde de Brit van nee. Ezel, handkar en paard-en-wagen illustreerden een principe, zei hij. En om dat principe ging het. Het principe van Slow.

‘En dat is…?’

‘In het zijn zijn. Niet onderworpen zijn aan het dictaat van het doen. Dat is de ziekte waaraan de westerse wereld ten onder gaat. Doen doen doen. Druk druk druk. Niet meer kunnen zijn.’

Dat begreep ik. Maar wat gaf de Brit het idee dat Marokkanen meer ‘in het zijn’ leefden?

Met zijn hoofd knikte hij in de richting van een plantsoen tegenover ons. Daar lagen twee mannen op het gras te slapen. Plotseling begreep ik wat de Brit bedoelde. Overal in Marokko, op de vreemdste plekken, lagen of zaten mensen die niets deden. Ze lagen of zaten daar gewoon. Langs de kant van de weg. In een park. Op een bankje. Op hun eigen handkar. Kennissen die mij kwamen bezoeken, die nog nooit in Marokko waren geweest, vonden dat altijd weer opvallend. Wat deden die mensen daar? Wel, ze deden niets. Ze waren. Meer kon je er inderdaad niet van zeggen.

Zo lukte het de Brit toch mij in verwarring te brengen. Door armoede gedwongen, leefde een groot deel van de Marokkanen nog in een tijd die in West-Europa al lang vervlogen was. Op een ezel haalden ze water bij een put. Ze sprokkelden hout. Kinderen líepen vijf kilometer naar school. Zieken bivakkeerden in de plantsoenen rondom het ziekenhuis, soms dagenlang, wachtend tot de dokter eindelijk tijd voor ze had. Dat kon je Slow noemen, maar was dat niet cynisch?

De Brit knikte en schudde zijn hoofd in één en dezelfde beweging. Daarmee bedoelde hij dat het waar en niet waar was wat ik zei – een moeilijke kwestie. ‘Maar waar het om gaat, is het cyclische tijdsbesef.’

‘Van de Marokkanen?’ vroeg ik voor de zekerheid.

‘Westerlingen’, legde hij uit, ‘hebben een lineair tijdsbesef. De tijd verstrijkt, daar heb je maar een bepaalde hoeveelheid van, die moet je dus goed gebruiken.’ Marokkanen hadden volgens de Brit nog het tijdsbesef van de boer, die weet dat de dag en de nacht elkaar opvolgen. ‘In een cyclisch tijdsbesef keert alles weer terug. De dagen, de seizoenen. Voor iemand die zo denkt, is er altijd genoeg tijd. Sterker, tijd bestaat niet eens.’

Tijd die niet bestond. ‘Is dat nog wel Slow?’ vroeg ik.

De Brit keek mij triomfantelijk aan. ‘Het is de uiterste consequentie’, zei hij. ‘Het is stilstand.’