In Marokko

In Marokko

De dinsdagavonden zijn gewijd aan orale cultuur. Dan komen we bijeen met een man of zes in de Villa des Arts in het centrum van Rabat en vertelt een van ons een volksverhaal of een sprookje. Vervolgens proberen we daar iets intelligents over te zeggen. Daarna gaan we uit eten. Dat zijn altijd leuke avonden. De meesten van ons zijn Marokkaan, maar ik ben Nederlander en d’r is ook een Française bij. De voertaal is Frans en ieder verhaal of sprookje is welkom, uit welke cultuur afkomstig ook.
Met het sprookje dat ikzelf laatst vertelde, dat ik aantrof in De goede stad van Geert Mak, gooide ik hoge ogen. Het heet De slang in de maag en is in de vorige eeuw opgetekend door de Friese schrijver Ype Poortinga, wiens ambitie het was ‘een soort Friese Duizend-en-één-nacht’ samen te stellen. Het kostte me moeite het te vertalen aangezien het zich in een typisch Nederlands landschap afspeelt, op de heide, te midden van veenmoerassen – en zo waren er meer woorden die ik hier niet dagelijks gebruik.
Maar de directheid van het taalgebruik sprak de dinsdagavondgroep zeer aan. Zo schort op zeker moment de jonge heldin ‘haar rokken hoog op en piste in de heide’ – ze doet dat om een dorstige slang uit de buik van een tovenaar te lokken. En inderdaad, ‘toen de slang het geruis van het water hoorde, kroop hij uit het achterste van de tovenaar’. Aan mij de vraag of een dergelijke directheid ‘typisch Nederlands’ was.
Ikzelf hoor het liefst Marokkaanse verhalen omdat ik hier nu eenmaal woon. Een van de leukste verhalen die ik tot nog toe heb gehoord heet De geschiedenis van de jood en de Marokkaan en zou afkomstig zijn uit de omgeving van Marrakesj. Een Franse, vrouwelijke arts die daar werkte zou het verhaal omstreeks 1925 hebben gehoord op het bekende plein Jemaa el Fna, het hebben opgetekend en in het Frans vertaald met nog andere door haar verzamelde verhalen hebben uitgegeven. Zo was onze verteller van die avond aan dit verhaal gekomen.
Ik genoot er vooral zo van, denk ik, omdat het qua onomwondenheid en directheid niet onderdeed voor mijn Friese sprookje. En om de stereotypen. Het begint zo: ‘Er waren eens een jood en een Marokkaan die allebei handel dreven. De jood had maar één wens: de Marokkaan belazeren, en de Marokkaan droomde maar van één ding en dat was de jood oplichten.’
Dat zet meteen lekker in. Die eerste alinea deed me denken aan de woorden van de inmiddels weer vertrokken BBC-correspondent die, na hier een jaar gewoond te hebben, Marokko zag als ‘a country where everybody is cheating everybody’, een visie die door dit volksverhaal werd ondersteund.
Het gaat zo verder: ‘Op een dag zag de Marokkaan een joodse Berber zijn kleine winkel binnenstappen, smerig, stinkend naar olie, zijn zwarte muts aan zijn hoofd vastgekoekt door de vuiligheid.’ De jood biedt de Marokkaan een groot aantal amforen olijfolie te koop aan, en omdat hij, zegt hij, niet om geld verlegen zit, doet hij de Marokkaan een aanlokkelijk voorstel: nu eenderde van de prijs betalen, en met de rest wachten tot een voor de koper geschikter moment. De Marokkaan, zich voornemend die resterende tweederde nooit te betalen, rekent zich al rijk en koopt de vazen. Later moet hij bemerken dat ze met water zijn gevuld ‘waarop maar een klein laagje olie dreef’. De Marokkaan denkt: ‘Ziehier welke streek de jood mij geleverd heeft’, en zint uiteraard op wraak.
Die neemt hij ook, en de jood, die het bedrog van de Marokkaan wel kan waarderen, zegt dat het duidelijk is dat ze aan elkaar gewaagd zijn en stelt voor de krachten te bundelen ‘en samen anderen te belazeren’. Daartoe reizen ze alle markten van het land af, en de samenwerking gaat een tijdlang goed, totdat het oude, diep gekoesterde wantrouwen toch weer de overhand krijgt en ze weer voor de verleiding bezwijken elkaar op te lichten. De jood flikt de Marokkaan een kunstje, de Marokkaan pakt de jood terug, dat gaat zo door totdat het uit de hand loopt en ze hun beklag over elkaar doen bij de sultan.
Uit hoe het verhaal afloopt blijkt eens te meer hoe de Marokkaanse gemeenschap tegen de joodse minderheid aankeek. De sultan luistert weliswaar geduldig naar beider verhalen, maar veroordeelt ‘in zijn wijsheid’ de jood tot het betalen van duizend geldstukken aan de schatkist ‘en, concluderend dat de Marokkaan de slimste was, nam hem in dienst als raadgever, om zijn subtiliteit van zijn geest’.