In Marokko

In Marokko

Donderdagmiddag 17 april overleed mijn moeder. Ze was 74 jaar. Ze was al een jaar ziek en we wisten dat het niet lang meer zou duren. Zij wist dat ook. Die ziekte, schreven we in de rouwadvertentie, viel uiteindelijk niet te overwinnen. Dat was ook haar duidelijk geworden, nadat ze er een taaie strijd mee had geleverd.

Een dag voordat ze stierf, moest ze al niet veel meer van ons hebben, van de mensen om haar heen. ‘Laat me maar weer even alleen.’ Ze had alle aandacht voor zichzelf nodig. De uitzaaiingen in haar buik deden haar pijn, en de medicijnen maakten haar duizelig en misselijk. Ze keek me nog wel aan, maar in haar blik was ze er niet meer helemaal. Ze was niet bang voor de dood, integendeel, ze verlangde naar het einde. ‘Dit is geen leven meer.’

Nog geen twee uur na haar dood kwam de man van het uitvaartcentrum langs. Mijn vader, mijn broers en ik, waren benieuwd wat voor iemand dat zou zijn. Wantrouwend zelfs. Het is delicaat werk. Iemand die niets met mijn moeder te maken heeft, neemt de leiding over wat er nu met haar moet gebeuren. Zo iemand moet op zo’n moment geen fouten maken. Moet blijk geven van medeleven, maar niet te veel. Moet een zekere nuchterheid bewaren, maar niet te nuchter zijn. De toon waarop hij spreekt, mag niet vals zijn.

Het bleek een innemende, vriendelijke, voorkomende man. We spraken over de rouwadvertentie, het drukken van rouwkaarten, de kist, de crematieplechtigheid, de gelegenheid tot condoleren na afloop, hoe we het lichaam van mijn moeder hier in huis koel konden houden, en wie het ging aankleden, et cetera. De man van het centrum nam er de tijd voor, we werkten de punten een voor een af, het ging van een leien dakje.

Er kwam een moment dat de man vertrok, en later kwamen de ‘broeders’ om mijn moeder thuis op te baren, en ook zij deden dat zo dat niemand van ons daar aanstoot aan nam. Weer later vertrokken mijn broers en bleef ik achter met mijn vader, en mijn moeder die er nu niet meer was maar hier nog wel in huis lag. Het was op dat moment, dat mijn vader en ik met z’n tweeën achterbleven, dat ik moest denken aan het overlijden van de broer van mijn vrouw, anderhalf jaar geleden, de man was nog geen veertig. Hij was gestorven in het ziekenhuis van Rabat, de ambulance bracht hem naar Meknès en ik reed over de autosnelweg achter de ambulance aan, met mijn schoonvader, mijn vrouw Touria en de vrouw van haar overleden broer bij mij in de auto. We reden naar het huis van mijn schoonouders, die in een volkse wijk wonen, en de hele buurt had zich daar al verzameld. Er stonden vooral veel vrouwen. Touria, die zich in de auto goed gehouden had, stortte zich jammerend en huilend en Allah aanroepend in de menigte en viel daar zelfs flauw. Ondertussen deden de vrouwen hun best haar een door iemand aangereikte djellaba aan te trekken, over haar spijkerbroek heen.

De broer werd diezelfde avond nog begraven, door een paar mannelijke familieleden, de vrouwen mochten daar niet bij zijn. Die gingen een dag later naar het graf, waar door mannen, die twintig dirham in handen gedrukt kregen, werd gezongen. In het huis van mijn schoonouders was de avond tevoren ook gezongen door mensen, had ik de indruk, wier beroep dat was. Drie dagen lang was het in het huis van mijn schoonouders een af- en aanlopen van zo ongeveer iedereen die ze kenden, buurtbewoners, familie, vrienden en collega’s van de overleden broer. ’s Avonds bleven die mensen eten, en dat eten werd klaargemaakt op gasflessen door buurvrouwen op het dakterras van het huis van mijn schoonouders. Iedere dag zag ik daar weer een nieuwe, enorme pan met wel dertig kippen liggen.

Die derde dag kwamen alle mensen die de dagen ervoor waren langsgekomen nog eens langs en bleven ook weer eten, niet alleen in het huis van Touria, maar ook in de huizen van buren. En nu gingen Touria en haar broers en zussen ze bedienen. Die eerste twee dagen waren ze daar niet toe in staat geweest en waren ze ‘gepamperd’ door de buurt, die alle taken had overgenomen en voor de gasten zorgde. Maar die derde dag moest de familie het weer zelf gaan doen, werd het tijd het leven weer op te pakken. Ik herinner me dat dat bedienen iedereen goed deed.