In Marokko

In Marokko

In de wijk Lissasfa aan de rand van Casablanca brak zaterdagochtend 19 april brand uit in een ‘matrassenfabriek’. Die brand kostte tenminste 56 werknemers het leven. In de pers wordt het incident omschreven als de grootste industriële ramp in de geschiedenis van Marokko.

Zoals altijd bij dit soort rampen heeft zo ongeveer iedere betrokkene schuld. De aannemer heeft een gebouw van vier etages neergezet zonder nooduitgangen, de gemeente heeft de inachtneming van veiligheidsregels alleen op papier getoetst, en de eigenaar van de fabriek zou de deuren tijdens werktijden op slot hebben gehouden om te voorkomen dat zijn personeel er met de matrassen vandoor ging. Dat laatste vind ik wel weer typisch Marokkaans. Twee dagen later brak in Casablanca opnieuw een brand uit, ’s nachts in een kleine werkplaats, en drie werknemers vonden daarbij de dood. Die bleken in die werkplaats te slapen – vermoedelijk mensen afkomstig van het platteland, die werk hadden gevonden in de grote stad – en werden in hun slaap door het vuur verrast. Ook zij zaten als ratten in de val, want ook hier hield een wantrouwende baas de deur op slot.

Al kennen rijke landen dit soort rampen ook, in arme landen als Marokko zijn ze des te schrijnender. Neem de brandweer. De brand breekt uit om half elf ’s ochtends, op de begane grond, vijftig minuten later is de brandweer ter plekke. Volgens gemeentelijke autoriteiten is ‘het gebrek aan beleefdheid’ van automobilisten in Casablanca debet aan die late komst: men laat een brandweerauto eenvoudig niet voorgaan. Het lijkt mij niet de hele verklaring maar het zal hebben meegespeeld. Het vuur heeft inmiddels de eerste etage bereikt, en de brandweer sluit zijn slangen aan op de dichtstbijzijnde brandkraan, maar daar staat te weinig druk op, en men is genoodzaakt een brandkraan achthonderd meter verderop te gebruiken. Dat betekent weer dat men pas een uur na aankomst kan beginnen met blussen – het vuur heeft dan al bezit genomen van alle vier de etages, en de werknemers zijn al niet meer te redden.

Degenen die aan het vuur zijn ontsnapt, een dertigtal mensen, deden dat via het dak. Op de vierde etage bleek een ladder te staan, die ooit door een bouwvakker was vergeten, en daarmee wist men het dak op te komen. Hoe men daar weer vanaf kwam, is mij niet helemaal duidelijk. Eén jongen is er vanaf gesprongen. Hij verkoos een val van tien meter boven een wisse dood, en bracht het inderdaad levend vanaf, zij het niet zonder botbreuken.

Op het moment dat de brandweer aan het blussen is geslagen, zien de toegestroomde buurtbewoners – onder wie veel familieleden van de werknemers – een helikopter in de lucht. Het is een politiehelikopter maar de mensen denken dat het de koning is en roepen dat tegen elkaar: ‘Het is ’m, de koning, het is ’m!’ Ook dit ontroerende detail treft mij als typisch Marokkaans. En wat, als ’t de koning was? Wat zou hij dan kunnen doen? Voor veel Marokkanen is de koning nog altijd een man groter dan het leven zelf, op wie al hun hoop is gevestigd, waarlijk een redder in nood. De koning is overigens niet gekomen, wel waren enkele stedelijke autoriteiten en zelfs ministers binnen een paar uur ter plekke.

Schrijnend is ook dat de werknemers die in die fabriek matrassen in elkaar zetten dat vermoedelijk deden voor niet meer dan tweehonderd tot driehonderd dirham per week, twintig tot dertig euro. De meesten zullen er zwart hebben gewerkt, en in Marokko betekent zwart onderbetaald, dus een salaris onder het minimumloon, dat bijna tweeduizend dirham per maand bedraagt. Geen verzekering, geen pensioen, niks. En wel lange dagen, onder beroerde werkomstandigheden die – dat is duidelijk – door niemand worden gecontroleerd. En als er een controleur langskomt, is de kans groot dat die is omgekocht.

De regering heeft onmiddellijk een commissie benoemd die dit soort praktijken moet gaan onderzoeken. Maar daar is in Marokko geen beginnen aan. Het stikt hier van dit soort bedrijfjes, waar werknemers half als slaaf, half als vee worden behandeld. De staat sluit de ogen ervoor, want dit grijze of zwarte circuit levert toch werk op, en daar is een groot tekort aan. In theorie is er wel een oplossing, namelijk dit soort bedrijven dwingen toe te treden tot de formele economie, mede door de belastingen te verlagen (zodat men kan blijven concurreren) en toezicht te houden op naleving van alle regels, en dan ook keihard op te treden tegen fraudeurs. Maar een dergelijke oplossing lijkt nog oneindig ver weg.