In Marokko

In Marokko

‘Je hoeft hier maar een schep in de grond te steken of je ontdekt een massagraf.’ Dit is wat mensen-rechtenactivisten elkaar met een grimlach op het gezicht vertellen – een boutade, vanzelfsprekend, die toch niet uit de lucht komt vallen. Recentelijk, in een tijd van drie maanden, werden in Marokko drie nieuwe massagraven ontdekt. In Fes stuitten bouwvakkers, bezig met de renovatie van een klein park, op menselijke resten. Dat was in maart. In april werden in Nador in de Rif bij de renovatie van een kazerne zestien skeletten in de grond aangetroffen. En weer een maand later, in mei, was het te El Jadida, ten zuiden van Casablanca, dat men bij het prepareren van een terrein voor een ‘toeristisch complex’ op vijftien schedels en talloze botten stuitte. Beperken we ons niet tot de afgelopen drie maanden, dan moeten we terug tot december 2005, toen in Casablanca 81 skeletten werden ontdekt op het terrein van een brandweerkazerne.
Al deze ontdekkingen zijn een erfenis uit de ‘jaren van lood’, grof gezegd de periode-Hassan II (1961-1999), de vader van de huidige koning Mohammed VI. De menselijke resten die in Casablanca werden opgegraven, zijn die van de opstandelingen van het ‘broodoproer’ van 1981, dat met grof geweld werd neergeslagen. In Nador betreft het eveneens slachtoffers van een opstand, in 1984. Het massagraf te Fes heeft misschien iets te maken – zeker is men niet – met de revolte van 1990 door studenten en een half verhongerd volk, waarbij onder meer het luxe Hôtel des Merenides in brand werd gestoken. Over de oorsprong van het massagraf te El Jadida tast men vooralsnog in het duister.
Het verbaast niemand dat in Marokko nog altijd massagraven worden aangetroffen, want dictator Hassan II regeerde met harde hand. Men beschouwt het ook als een goed teken dat de staat dit soort ontdekkingen tegenwoordig bekendmaakt en niet meer tracht weg te moffelen, zoals een paar jaar geleden nog gebruikelijk was. Maar het steekt dat het vinden en opgraven van skeletten kennelijk aan het toeval wordt overgelaten. Waarom zoekt de staat niet actief naar deze massagraven? Vaak is bekend waar deze zich bevinden. In het geval van Casablanca hebben mensenrechtenorganisaties herhaaldelijk gedemonstreerd bij de brandweerkazerne, om de staat ertoe te bewegen dit massagraf te openen. En zo zijn er nog meer plaatsen waarvan mensenrechtenorganisaties weten dat daar slachtoffers van het tijdperk-Hassan II begraven liggen. Een tweede verwijt betreft het identificeren van de botten en schedels, dat vaak, vinden dezelfde organisaties, veel te lang duurt. Sommige families vermoeden wel dat hun vader of zoon daar begraven ligt, maar daar hebben ze uiteraard graag zekerheid over, al was het maar om het rouwproces te kunnen voltooien.
Marokko heeft het al moeilijk genoeg met het heden, de armoede waarin velen leven, de werkloosheid, de lage salarissen, het opkomende islamisme, het falende onderwijs, de falende gezondheidszorg, de corruptie, de nog maar zwakke democratie, en meer – en ondertussen moet het loodzware verleden ook nog worden verwerkt. Dat laatste is voor een groot deel gebeurd, zeker, met de instelling van een ‘ver-zoeningscommissie’ in 2003, die de mensenrechtenschendingen tijdens de ‘jaren van lood’ heeft onder-zocht. De commissie werd voorgezeten door de vorig jaar overleden mensenrechtenactivist Driss Benzekri, die zelf zeventien jaar in de gevangenis had doorgebracht en mede daarom vertrouwen onder de bevolking genoot. De commissie stelde zo’n zestienduizend dossiers samen, de staat heeft inmiddels zestig miljoen euro aan schadevergoedingen uitbetaald. Maar het werk van de verzoeningscommissie is niet af. De uitbetaalde schadevergoeding is te weinig, niet iedereen heeft die gekregen en er zijn nog steeds vermisten over wie niets bekend is (gemaakt) – om een paar punten van kritiek te noemen. An-dere punten zijn dat de staat nooit excuses heeft aangeboden aan de slachtoffers en dat de verant-woordelijken (‘de beulen’) nog steeds vrij rondlopen, omdat ze nooit zijn aangeklaagd. Zo ver wilde de jonge koning Mohammed VI niet gaan, vermoedelijk omdat veel van die ‘beulen’ essentieel zijn geweest voor zijn vader Hassan II – hem en daarmee de dynastie der Alawieten in het zadel hebben gehouden. Mohammed VI kan het domweg niet maken de oude vrienden van zijn vader te verraden, ze zijn ook nog te machtig.
Het is de taak van de CCDH (Adviesraad voor de Mensenrechten) het werk van de verzoeningscommis-sie IER te voltooien. Maar over dit staatsorgaan is eigenlijk niemand tevreden. Het is allemaal te laat en te weinig wat er wordt gedaan. Hoewel men er minder geheimzinnig over doet dan voorheen lijkt de staat nog altijd niet bereid volledig open kaart te spelen inzake het eigen zwarte verleden.