In Marokko

In Marokko

We waren uitgenodigd op een zaterdag te komen lunchen op la ferme van Hasna. Ik zou zeggen dat ‘ferme’ hier het midden hield tussen een buitenhuis en een boerderij. Het zou niet ver zijn, hooguit twintig kilometer van Rabat.
Hasna, een vrouw van ik schat 55, kende de meesten van ons nauwelijks. We hadden één keer samen gegeten, in de tuin van het restaurant van het Institut Français. Bij die gelegenheid had Hasna gezegd dat we beslist eens naar haar ferme moesten komen – en het bleef niet bij woorden alleen, er werd onmiddellijk een datum afgesproken.
Als ik het over ‘ons’ heb, heb ik het voornamelijk over de mensen die ik heb leren kennen op de dinsdagavonden in de Villa des Arts, waar we bijeenkomen om te luisteren naar een sprookje dat een van ons dan vertelt. Enfin. Hasna zat die avond bij ons aan tafel omdat Leila haar had meegenomen. We waren, Hasna meegerekend, met z’n achten.
Amal, die de sprookjesavonden leidt, vindt altijd dat iedereen enigszins moet weten wie de ander is. Als er nieuwe mensen zijn bij de sprookjes moeten we allemaal – oud en nieuw – in een cirkel gaan staan en uitbeelden wat ons beroep is. We mogen het niet zéggen. Amal heeft daarin wel gelijk, dat het het ijs breekt.
De avond dat we zaten te eten met de onbekende Hasna erbij – geen sprookjesavond, wel veel sprookjesmensen – bedacht Amal een nieuw soort introduction. Ze stelde voor dat ieder van ons een ánder introduceerde. Dat mocht met woorden. Maar niet zo: Youssef is veertig jaar en hij is universitair docent – nee. Je moest zeggen wat het in Youssef was dat je zo waardeerde.
Iedereen was tussen de 35 en de 55, en ik schat dat de helft van de aanwezigen in therapie is geweest, of nog was – het zou iets van de oprechtheid, de openheid, de intimiteit ook, kunnen verklaren waarmee de meesten iets over een ander zeiden. Op zeker moment voelde Leila zich daar ongemakkelijk bij en zei dat we nu verplicht waren allemaal lieve dingen te zeggen en dat dat maar de helft van de waarheid was. Dat werd gepareerd met de opmerking dat dat zo mocht zijn, maar dat díe halve waarheid doorgaans niet werd uitgesproken. Met die andere halve waarheid – kritiek – waren de meesten wel bekend. Een aardig neveneffect was dat het gesprek als vanzelf ‘centraal’ bleef, niet evident aan een tafel van acht; iedereen wilde toch wel weten wat een ander over een ander te vertellen had. Sommigen zagen weer andere kwaliteiten in deze of gene persoon, en vroegen permissie nog iets toe te voegen. Zo verstreken gemakkelijk twee uur, tot het plotseling sluitingstijd was. Iedereen voelde zich prima omdat iedereen complimenten had gekregen.
Hasna nodigde ons uit op haar ferme vlak voordat we uiteengingen. Ik denk niet dat ze zeven onbekenden snel had uitgenodigd – maar wij waren nu niet onbekend meer. En zij was dat ook niet meer voor ons. In ieder geval wist ik nu dat ze haar man onlangs had verloren, want dat had Leila over haar verteld. Hasna had er daarna zelf ook over gesproken, wat dat voor haar had betekend, dat ze een psycholoog in de arm had genomen om haar te helpen het rouwproces te doorlopen, et cetera. Dat er die avond een sfeer aan tafel was ontstaan waarin zij dit soort dingen kon en wilde zeggen, intiem onder vreemden – ik denk we daar haar uitnodiging aan te danken hadden.
Want zo’n uitnodiging – om te komen lunchen – betekent toch een hoop werk voor de gastvrouw. Die vat zoiets ernstig op, ze ‘ontvangt’. De gasten moet het allerbeste voedsel worden voorgezet, in hoeveelheden die onmogelijk door het gezelschap kunnen worden weggewerkt. Het mag kortom niemand ergens aan ontbreken.
Ik besefte dat van tevoren niet zo goed en ik twijfelde er nog over of ik wel zou gaan. Hoewel ik Hasna’s buitenhuis annex boerderij graag zou zien, en het sowieso een leuke dag zou worden, zag ik er toch tegenop op een zaterdag begin augustus op het snikhete platteland te gaan lunchen, wat al gauw betekende dat we daar van één uur ’s middags tot acht uur ’s avonds zouden zijn. Was het in deze tijd van het jaar, op dat tijdstip van de dag, niet aangenamer op het strand? Ik zei zoiets tegen Youssef, die ik een paar dagen na ons dineetje ergens tegenkwam.
‘Maar ze hebben een zwembad’, zei Youssef.
Kijk, dat had ik niet geweten.
(wordt vervolgd)