In Marokko

In Marokko

De drie miljoen Europese Marokkanen die hier gewoonlijk hun zomervakantie doorbrengen, worden zmègria genoemd. Dat is een verbastering van het Franse emigrés, of liever, van les émigrés. Om hier van verbastering te spreken is eigenlijk niet correct, want een woord als ‘zmègria’ is duidelijk meer: het is uit het Frans overgenomen en onderworpen aan de Marokkaans-Arabische tongval én grammatica. De a waarop het woord eindigt – die in het Frans ontbreekt – duidt een meervoud aan. Pejoratief is zmègria nog net niet, maar het komt er gevaarlijk dichtbij, wat iets te maken heeft met de manier waarop een deel van de jonge, mannelijke zmègria zich hier pleegt te misdragen. Wie zijn minachting voor hen openlijk wil uitdrukken, om welke reden dan ook, zal eerder spreken van zmègria ârobia, vrij vertaald ‘boerse emigranten’.
De zmègria worden ook wel Marocains Résidents à l’Étranger (MRE) genoemd. Met die op zich neutrale term is niets mis, maar Marokkaanse banken formuleren het sinds kort graag nog wat positiever. Zo kwam ik deze zomer een advertentie tegen in een Franstalige krant die de Néderlandse zmègria direct aansprak, in het Nederlands: ‘Twee Landen, Eén Hart, Eén Bank.’ De advertentie was er een van de Banque Populaire, die zich hier presenteerde als, en nu wel weer in het Frans, ‘La banque des Marocains du Monde’. Een paginagrote foto toonde een frisse, lachende, zo op het oog Marokkaanse jongeman staande in een Hollandse weide voor een Hollandse molen, met op de achtergrond een huisje waar de Nederlandse vlag uithing. De jongen zelf droeg een rood T-shirt, met op zijn borst een vijfpuntige groene ster – de Marokkaanse vlag.
Voor Rob Oudkerk kut-Marokkanen, voor de Banque Populaire Wereld-Marokkanen. Andere banken, zoals Société Générale – die zich bijna louter op de Franse zmègria concentreert, maar daar zijn er dan ook meer dan een miljoen van, de grootste groep – spreken van ‘Marokkanen-zonder-Grenzen’. Ze zijn gewilde klanten. Tien jaar geleden maakten ze gezamenlijk nog achttien miljard dirham naar Marokko over, inmiddels is dat drie keer zo veel, 55 miljard. Dat is zo’n vijf miljard euro, bijna tien procent van het bruto nationaal product. Deze overmakingen – steeds minder in getal maar steeds groter in volume, en nog altijd voornamelijk bedoeld om achtergebleven familie te helpen – vormen voor Marokko de belangrijkste bron van deviezen.
Het toerisme is een bijna even belangrijke bron, en ook hier komen de Wereld-Marokkanen weer om de hoek kijken: ze maken ruim veertig procent uit van de inmiddels zeven miljoen jaarlijkse toeristen. En ze krijgen meer en meer de neiging echt vakantie te nemen, in plaats van bij familie te blijven logeren. De Wereld-Marokkanen houden zich graag op in steden als Marrakesj, Agadir en Essaouira, waar ze dan logeren in drie- en viersterrenhotels van tussen de zestig en negentig euro per nacht. Aan hen danken hotels van bekende ketens als Ibis hun 75 procent bezetting in de hete zomermaanden – wat in Marokko eigenlijk niet het seizoen is. Excursies per minibus naar lokale bezienswaardigheden stellen de Wereld-Marokkanen in staat ‘hun land te ontdekken’, zo willen de hotelfolders.
Marokko heeft er dus baat bij deze economisch zo belangrijke groep aan het ‘moederland’ te blijven binden. Op het ministerie dat speciaal voor de Wereld-Marokkanen is gecreëerd en dat zich louter met hen bezighoudt, wil men de band met de diaspora verstevigen door meer leraren en imams naar de ‘ontvangende landen’ te sturen en er cultuurcentra op te zetten. De leraren moeten het pakket ‘taal en cultuur’ verzorgen, de imams nemen de religie voor hun rekening, meer specifiek ‘de tolerante islam die de godsdienst is van alle Marokkanen’, aldus de minister.
Dezelfde minister is er ook op gebrand investeringen door Wereld-Marokkanen in Marokko zo gemakkelijk mogelijk te maken. Ze doen nu te weinig met hun geld, laten het op de bank staan. Om het investeringsklimaat te verbeteren, laat de minister de ‘obstakels’ bestuderen die in Marokko investerende Wereld-Marokkanen op hun weg vinden, zoals een overmaat aan administratieve rompslomp.
Ook de Banque Populaire – ‘Twee landen, Eén bank’ –, vertegenwoordigd in de grote Nederlandse steden, wil alles zo gemakkelijk mogelijk maken voor haar overzeese cliënten, waarvan men er overigens al zevenhonderdduizend heeft, meer dan enige andere bank, een marktaandeel van 55 procent. Zo belooft deze Banque de overboekingen naar armlastige familie goedkoper te maken, want daar verloren Wereld-Marokkanen die zich gewoonlijk tot MoneyGram of Western Union wendden, vaak tien tot zelfs twintig procent van het overgemaakte bedrag op.