In Marokko

In Marokko

Mensen hebben het nog vaak over het officiële systeem van verklikkerij dat ingesteld was door de onder Hassan II, de vorige koning, beruchte minister van Binnenlandse Zaken Driss Basri; beide mannen zijn inmiddels dood. Of dat ook voor het systeem geldt, is een tweede. Het wordt bergaga genoemd, met g’s die klinken als zachte kaas.
In Marokko bestaat geen privacy. Iedereen weet alles van elkaar. Maar hoe kom je als minister van Binnenlandse Zaken nou te weten wat zich in een willekeurige, stoffige straat in een slaperig stadje in een uithoek van het land afspeelt? Dat lukt je alleen als je de bergaga – het eindeloze geroddel – institutionaliseert. Dat deed de beruchte Basri. Hij gaf de wijkoudste – de zogeheten moqaddem – de opdracht te weten wat er bij hem in de straat gebeurde. De mensen hadden die moqaddem soms nodig voor administratieve kwesties, hij fungeerde als een soort liason officer tussen zijn wijk en het gemeentehuis. Aangezien deze man vrijwel niets anders deed dan de hele dag in zijn wijk rondhangen en praten met buurtbewoners, gardiens, kleine kruideniers en caféhouders, was hij bij de uitstek degene om de minister op microniveau te informeren over wat er zoal in het land gebeurde. Die moqaddem deed dat uiteraard niet persoonlijk, maar gaf zijn informatie door aan hogerop, en zo kwam die vanzelf bij de geheime dienst en de minister terecht.
De bergaga werkte zo goed dat de mensen in de koffiehuizen geen moppen durfden te vertellen over het koningshuis, de islam, of de Westelijke Sahara. Wellicht luisterde er iemand mee. En het was niet best als zoiets de moqaddem ter ore kwam. Dat soort moppen vertelde je alleen thuis, aan je allerbeste vrienden.
En toen vlogen de Marokkanen uit over heel de wereld. En in al die andere landen waren geen moqaddems. Dus hoe kwam je als minister van Binnenlandse Zaken nou te weten wat zich onder de Marokkanen in pak ’m beet Spanje, Frankrijk of België afspeelde?
Want dat vindt de minister belangrijk. Natuurlijk, omdat de Marokkanen Zonder Grenzen jaarlijks vijf miljard euro overmaken naar armlastige familie – tien procent van het bruto nationaal product, de belangrijkste deviezenbron. Deze Marokkanen moeten Marokkanen blijven. Maar ook in het kader van de strijd tegen het fundamentalisme, waarvan het belang niet moet worden onderschat. Met de regelmaat van de klok rollen de veiligheidsdiensten van de minister hier een terroristisch netwerk op – vorig jaar zomer nog het imposante ‘netwerk-Belliraj’, genoemd naar de Belgische Marokkaan die daarvan de spil zou zijn.
In het kader van diezelfde strijd stuurt de minister goed geïnstrueerde imams vanuit Rabat de diaspora in, die een tolerante islam prediken. Maar het kan natuurlijk dat sommige Marokkanen Zonder Grenzen ontsnappen aan de invloed van deze goedbedoelende imams (zeker in landen die in principe niks van importimams moeten hebben), en warm beginnen te lopen voor het salafistische gedachtegoed. Om deze verdoolde schapen bijtijds op te sporen, ziet de minister zich helaas genoodzaakt terug te vallen op een soort bergaga.
Bij de moqaddem ging het vaak zo: ‘Ik hoor dat jij een probleem hebt, dat kan ik misschien voor je oplossen, maar vertel jij me dan eens…’
Dat is het principe van de bergaga. Niemand die bij de moqaddem op de loonlijst stond. Dienst en wederdienst. Klein bier. Dat toch een heel land in zijn greep hield.