In Marokko

In Marokko

Laten we nu het Westen in financiële crisis verkeert, die Marokko vooralsnog niet lijkt te raken, eens kijken naar de existentiële crisis die dit land permanent het hoofd moet bieden. Ik heb het uiteraard over de wijdverspreide armoede. De koning – ja, hij weer – tracht de noden van de meest behoeftigen enigszins te verlichten door bijvoorbeeld tijdens de ramadan – een dure maand – gratis harira uit te delen, de traditionele ramadansoep, en links en rechts zelfs hele voedselpakketten te verstrekken (tien kilo meel, vier kilo suiker, 250 gram thee en vijf liter bakolie). In dezelfde maand september van dit jaar maakte Mohammed VI één miljoen leerlingen blij met een cartable – een rugzakje gevuld met schoolboeken, schriften, potloden en pennen.
Boze tongen beweren dat dit voornamelijk publiciteitsstunts zijn, waarmee de koning zijn imago van roi des pauvres in stand houdt en de islamisten – die veel sociaal werk doen – het gras voor de voeten wegmaait. Feit is dat een opération Ramadan (al voor het tiende jaar) of een opération Cartable (dit jaar voor het eerst) de armoede niet werkelijk bestrijdt. Dat kun je alleen doen door een socialistische politiek te voeren.
Doet Marokko dat? Nee. Het fiscale systeem zit zo in elkaar dat juist de armen relatief veel belasting betalen, en wel omdat de staat voornamelijk via de btw heft. Zestig procent van haar inkomsten komen uit die btw, worden dus betaald door de consument, de rest komt van de werkgevers (ruim twintig procent) en de werknemers (vijftien procent).
Aangezien rijk en arm hetzelfde voor een pakje boter betalen, worden de armsten het hardst door de btw geraakt. Zij besteden bovendien een veel groter gedeelte van hun inkomen aan voedingsmiddelen (tot zestig procent), waar de rijken dat voor hooguit vijftien procent doen. En toch kun je niet zeggen dat de armen in Marokko opdraaien voor het leeuwendeel van de belastingen, aangezien deze enorme mensenmassa veel minder consumeert dan de bovenlaag van twintig procent. Die neemt de helft van de totale nationale consumptie voor haar rekening. De onderlaag van twintig procent neemt een bescheiden 6,5 procent voor haar rekening. Cijfers zijn afkomstig van het Marokkaanse planbureau.
Verder betalen werkgevers (bedrijven) nauwelijks belasting, want ze ontduiken die massaal, en is de loonbelasting niet echt progressief te noemen. Een werknemer die tweeduizend dirham per maand verdient (tweehonderd euro, minimumloon) betaalt vijftien procent. Wie tienduizend per maand verdient, of meer, zit op 42 procent. Hoger wordt de loonbelasting nooit. Marokkaanse rijken komen er dus heel wat gladder vanaf dan veel West-Europese, die zeventig procent of meer betalen.
Zo zullen de vier miljoen Marokkanen die onder de armoedegrens leven, families die niet meer te besteden hebben dan zeshonderd euro per jaar, voorlopig nog wel even onder die grens blíjven leven – daar helpt geen operatie Rugzak aan. Tussen die groep van allerarmsten en de twee miljoen allerrijksten zitten nog 25 miljoen Marokkanen van wie, schat ik, de helft misschien niet behoeftig is maar toch moet sappelen.
En daarom is de grens tussen Marokko en Spanje de meest ‘contrastrijke’ van alle grenzen tussen rijke en arme landen. Soortgelijke grenzen zijn die tussen de VS en Mexico, of zelfs die tussen Duitsland en Polen – maar terwijl die landen naar elkaar toe groeien, wordt de kloof tussen Marokko en Spanje alleen maar dieper.