In Marokko

In Marokko

Ik herinner me nog goed dat het de eerste winter die ik hier doorbracht, 2005-2006, vaak regende. Al was ik niet in de eerste plaats voor de zon naar Marokko gekomen, dat het hier zo nat kon zijn had ik niet verwacht. Het had iets deprimerends. Onder zo’n grijs wolkendek waaruit het maar bleef regenen, bood Rabat een trieste aanblik. Op regen, vond ik, was dit mediterrane land niet gebouwd.
De twee daaropvolgende winters regende het zo weinig dat de landbouw – en daarmee de Marokkaanse economie – er schade van ondervond. De talrijke boeren vreesden dat dit het begin van een nieuwe periode van droogte zou zijn. Maar die vrees blijkt, ruim voor het begin van de komende winter, ongegrond. Sterker: het heeft in decennia niet zo veel geregend als in de afgelopen maand.
Vooral het oosten en het zuiden van het land zijn half oktober geteisterd door aanhoudende stortbuien, en een week later was het noorden aan de beurt. Cijfers maken duidelijk dat je bijna van een zondvloed mag spreken: in de maanden september-oktober is in bijvoorbeeld Nador, in de Rif, 439 millimeter gevallen terwijl het gemiddelde voor die periode 34 millimeter is. Andere voorbeelden: Al Hoceima (ook in de Rif) 371 millimeter (gemiddeld 33), Tetouan (dicht bij Tanger) 300/74, Fès 219/55, Errachidia (in het zuidoosten) 141/23. Op sommige plaatsen viel in minder dan een uur zeventig millimeter. En het afgelopen weekend regende het opnieuw urenlang pijpenstelen.
Gevolg: rivieren die buiten hun oevers zijn getreden, wegen die door de overstromingen zijn weggeslagen, bruggen vernietigd, hele woonwijken onder water, huizen ingestort, inwoners van die huizen verpletterd. De regens hebben nu al ten minste zestig mensenlevens geëist en het wassende water heeft vele dieren meegespoeld. In de twee grootste industriegebieden in de omgeving van Tanger hebben minstens 170 fabrieken en bedrijven zoveel waterschade opgelopen dat ze voorlopig hun poorten hebben gesloten. Of ze weer openen moet worden afgewacht. Voorlopig staan dertigduizend man op straat, en aan uitkeringen doet men hier in het algemeen niet. De materiële schade loopt in de miljarden dirhams.
De immateriële schade behelst niet alleen de levens die de regen heeft geëist. Het vertrouwen in de overheid en haar dienaars, toch al niet zo groot, heeft weer eens een deuk opgelopen. Diezelfde overheid zette politie en leger in om bewoners te helpen evacueren en verstrekte onder meer voedselpakketten, matrassen en dekens – maar die hulp kwam veelal te laat op gang, en bleek vaak ook onvoldoende. Dat niet alle slachtoffers hiervan in dezelfde mate hebben geprofiteerd – sommige getroffen dorpen zijn wél geholpen, andere niet, sommige families binnen die dorpen wel, andere niet – heeft het toch al sterk heersende idee van corrupte machthebbers versterkt.
Vooral in de relatief zwaar getroffen Rif is de wrok groot. In het algemeen menen Riffijnen toch al dat zij er niet bij horen, niet als ‘echte Marokkanen’ worden gezien. Dit is een erfenis van de vorige koning, Hassan II, die zich inderdaad niks van de Rif aantrok. De recente overstromingen hebben de terechte vraag opgeroepen waarom de autoriteiten niet hebben gewaarschuwd voor de overvloedige regenval, en geen plannen hadden klaarliggen om op een dergelijke noodtoestand onverwijld te reageren. Voor de Riffijn luidt het antwoord op die vraag: omdat hij niet belangrijk genoeg is.