In Marokko

In Marokko

De 34-jarige Franse fotograaf Alain Faucon – met wie ik graag praat – heeft een voorliefde voor volkse barretjes waarvan de ramen geblindeerd zijn zodat je van de straatkant niet kunt zien dat daar wordt gedronken – en hoe! –, die blauw staan van de rook, waar arme drommels in het schemerduister bijeenkomen – of juist onder tl-licht. De mica tafeltjes waaraan ze zitten, komen in rap tempo vol lege flesjes te staan, in dat soort barretjes haalt de bediening die niet direct weg. Alain zegt dat hij houdt van de sfeer van mislukking en gewetenswroeging die daar hangt. Van tijd tot tijd brengt hij een paar uur door in zo’n bar, meedrinkend met de pezige mannen, luisterend naar hun dronkemansgewauwel, hun van zelfmedelijden doordrenkte litanieën: Marokko is een pays de merde, l’Europe daarentegen, ah! daar is werk, dat is het paradijs… Het komt voor dat een dronkelap hem agressief bejegent, maar er zijn dan altijd weer anderen die zo’n querulant bij hem vandaan houden.
In zo’n barretje zitten is volgens Alain beter dan theater – drama van de bovenste plank, uit het leven gegrepen. ‘Je ziet aan die arme kerels, tenslotte moslim, én alcoholist, dat ze vinden dat ze eigenlijk niet mogen drinken, dat ze weten dat het haram is. Maar ze kunnen het niet laten. Ze zouden hun geld hier niet over de balk moeten smijten, want daarmee doen ze iedereen te kort, hun vrouw, die morgen geen boodschappen kan doen, hun kinderen, en wat moeten die morgen dan eten, en de wroeging die ze erom voelen is dodelijk, en ze kwamen hier juist om hun ellende te vergeten. Maar wat doen ze eraan? Ze zijn zwak. Une autre bière!’
De pianobar van Hotel Marsoul – plek waar Alain even graag komt – wordt bezocht door mannen in pak, met een redelijke baan, met een zekere macht, die nog greep hebben op het leven. Ze drinken óók te veel – ‘Het blijven Marokkanen’, zegt Alain, ‘als ze de grens eenmaal over gaan…’ – maar niet zó veel te veel. De prostituees in de pianobar van Marsoul zijn mooier dan de vijftigjarige volksvrouwen in djellaba die je in die volkse barretjes aantreft, kolossale wijven met pafferige, te zwaar opgemaakte gezichten, grof als havenarbeiders. In Marsoul komen jonge meisjes, ook wel volks en zwaar opgemaakt maar modern, westers gekleed, sexy, en nog slank en aantrekkelijk. Het hotel zelf is een tegen het chique aanleunende middenklasser die vooral groepen oudere toeristen trekt, brave lieden, veel Spanjaarden, die maar zelden in de pianobar blijven hangen. De pianist doet ook geen concessies aan de westerse muzieksmaak.
Met zijn naar het kitscherig-pooierachtige neigende inrichting is de pianobar volgens Alain ‘onmiskenbaar Marokkaans’, een vrijplaats waar zowel hoer als hoerenloper zich even van de ketenen van de heersende moraal bevrijd weet. Noch de meisjes, noch de mannen voelen zich hier aan enigerlei religieuze wet gebonden, ze drinken, dansen en maken plezier. De muziek heeft net als de tanige kop van de pianist – altijd een brandende sigaret in zijn asbak – iets melancholieks. Dat is, zegt Alain, waarom hij er zo graag komt. ‘Omdat die meisjes, die te dikke mannen, het bijna versleten meubilair, de pianist, omdat ze allemaal iets dierbaars hebben verloren, net als die stumpers in die volkse barretjes – hun dromen, een bepaald beeld van zichzelf, hun glans.’