In Marokko

In Marokko

Vorige week bezocht minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen Marokko en sprak hij met zijn ambtsgenoot Taïeb Fassi Fihri. Dat kwam goed uit, want Nederland en Marokko hebben er een handje van de dingen heel verschillend te zien, en zo kon de lucht tussen beide landen weer worden geklaard.
Zo is of was er groot verschil van mening – of beter, van zienswijze – over de Rotterdamse politieman van Marokkaanse afkomst die voor Marokko zou hebben ‘gespioneerd’. Nederland, volkomen geobsedeerd door wat men houdt voor de mislukte integratie van Marokkanen, kan iedere kwestie alleen nog in dat licht bezien, zodat met deze spion voor de zoveelste keer zou worden bewezen dat Marokko de integratie tegenwerkt. Deze spion zou de archieven van de politie doornemen om ervoor te zorgen dat Nederlandse Marokkanen geld naar Marokko blijven overmaken. Hoe één of meer spionnen dat voor elkaar zouden kunnen krijgen, heeft bij mijn weten nog niemand verklaard.
Nederland beseft niet of onvoldoende dat Marokko in een strijd op leven en dood met het fundamentalisme is verwikkeld. En dat hier inderdaad – zoals Fassi Fihri vorige week ook zei – sprake is van gedeelde belangen: men wil graag weten welke Marokkaanse Nederlanders in Nederland bezig zijn te radicaliseren. Want die zouden wel eens deel kunnen gaan uitmaken van een netwerk dat zich deels in Marokko bevindt. Of de vrees daarvoor ‘spioneren’ rechtvaardigt, is een tweede, maar begrijpelijk is die wel.
Evenmin heeft het ‘terugroepen’ door Marokko van veertig Marokkaans-Nederlandse imams iets met integratie te maken. Inderdaad is deze imams een soort opfriscursus gegeven: opdat men niet vergete dat men in de Lage Landen een Marokkaanse, tolerante vorm van de islam predike. En natuurlijk kunnen die imams dan tegelijkertijd in de gaten houden of sommige schapen misschien bezig zijn te verdwalen. Ook hier zal Marokko zeggen: daar hebben wij toch allebei belang bij? Of het doel hier de middelen heiligt, daarover kan worden getwist, maar de integratie er weer bij halen is alleen maar verwarrend.
Deze week is of wordt de Adviesraad voor de Marokkaanse gemeenschap in het Buitenland (CCME) aan Nederland gepresenteerd. Die raad, gevormd door Marokkanen in de diaspora – Kamerlid Khadija Arib heeft meegewerkt aan de oprichting ervan – moet onder meer de Marokkaanse regering gaan adviseren over emigratiekwesties. Ook deze raad, en de persoon van Arib, is gezien in het licht van het tegenwerken van de integratie en als de zoveelste uiting van de ‘lange arm’ van Marokko, net als de kwestie van de ‘spion’, de teruggeroepen imams en het niet-teruggeefbare Marokkaanse paspoort van de WereldMarokkanen.
Intussen zag ik vorige week, in Amsterdam, een Nederlands-Marokkaans meisje van een jaar of twintig met een zwarte hoofddoek op op een gracht fietsen met een Nederlands, zeer blond meisje van dezelfde leeftijd achterop. Ik weet, het is flauw wat ik nu zeg, ‘beeld van geslaagde integratie’, maar na een week in Nederland is me duidelijker dan ooit geworden hoe monomaan en van iedere realiteit verstoken dat gezeur over de integratie van Marokkanen begint te worden. Het wantrouwen dat erachter zit: ‘zie je wel, Marokkanen willen niet integreren, en Marokko wil dat ook niet’ – zeg dan gewoon dat wij, Nederlanders, die Marokkanen niet moeten. Het is laf om het om te draaien.