In Marokko

In Marokko

Nattigheid In de provinciestad Sidi Slimane, ten noordoosten van Rabat, bivakkeren nog altijd honderden ontheemden in een grote schuur, die vlak naast de nog door de Fransen gebouwde, in onbruik geraakte kerk staat. De krotten waarin deze families woonden, zijn bijna drie weken geleden door de buiten zijn oevers getreden rivier Beht weggevaagd.
De overvloedige regenval van begin februari heeft deze mensen dakloos gemaakt, net als vele anderen in deze provincie, Gharb. Gharb ligt beneden de zeespiegel. Een gebied twee keer zo groot als Texel is door de stortregens en de buiten hun oevers getreden rivieren onder water komen te staan. Al is het minstens dertig jaar geleden dat dat voor het laatst gebeurde, ongewoon is het niet. Gharb, landbouwland, zou sinds 1933 al 44 keer door overstromingen zijn geteisterd.
De vorige koning, Hassan II, heeft deels om die reden een groot aantal stuwmeren laten bouwen, Marokko telt er nu zo’n vijftig. Een andere belangrijke reden is natuurlijk over waterreserves te beschikken. Het grootste stuwmeer bevindt zich in Gharb en heet Wahda, dat één betekent. Omdat Wahda door alle eerdere regen bijna vol zat, heeft het niet al het wassende water van de rivieren Beht en Sebou kunnen opvangen – wél heeft het een grotere ramp kunnen voorkomen.
Ik was naar Sidi Slimane gereden om het effect van de overstromingen te bekijken en stond nu oog in oog met de daklozen die in die schuur tijdelijk onderdak hadden gevonden. Een lokale mensenrechtenactivist zei dat ‘deze mensen nu geen kant meer op konden’. Ik dacht: maar dit is toch Marokko? – en vroeg of ze geen familie hadden bij wie ze terecht konden? De mensenrechtenactivist zei dat dat wel zo was, maar ‘dat ze daar ook niet eeuwig konden blijven’ en dat ze zo lang als nodig was in deze schuur zouden bivakkeren om de regering onder druk te zetten. ‘Ze willen op z’n minst een schadevergoeding.’
Onderweg naar Sidi Slimane was ik langs het bos van Maâmora gereden, een van de grootste kurkeikenbossen ter wereld, dat ik nog nooit zo groen had gezien. Op de heuvels tussen de kurkeiken had ik tientallen witte tenten zien staan. De mensenrechtenactivist vertelde me nu dat dat de ongeveer achthonderd families uit Ouled Amer waren, een dorp niet ver van Kenitra dat nog altijd onder water stond. ‘Ze zitten daar zonder drinkwater, zonder voedsel, zonder medicijnen. Hun kinderen kunnen niet naar school. De overheid doet niets voor ze.’
Deze dorpelingen zouden via de luidsprekers van de plaatselijke moskee te horen hebben gekregen dat er zwaar weer op komst was en dat ze het hogerop moesten zoeken. Sindsdien verblijven ze in het kurkeikenbos. De meesten hebben geen huis meer om naar terug te keren en veel van het vee dat ze hadden is verdronken. Volgens de mensenrechtenactivist krijgen deze mensen geen hulp, omdat het dorp daarvoor ‘electoraal niet interessant genoeg’ zou zijn. Dat zou eveneens verklaren waarom de gemeente nooit de moeite heeft genomen iets als een reddingsplan op te stellen, ‘terwijl juist dit deel van Gharb toch genoegzaam heeft bewezen kwetsbaar te zijn in natte winters’.