IN MAROKKO

IN MAROKKO

Meryem en Fatima waren een tweeling. Een maand geleden was Fatima getrouwd met een Fransman. Touria en ik hadden het bruidspaar een dag voor de bruiloft bezocht, het moment dat de bruid haar handen met henna laat beschilderen en vriendinnen op bezoek komen, het moment ook dat er een lawaaiige optocht wordt georganiseerd van het huis van de bruidegom naar dat van de bruid. Maar hier lagen de zaken wat ingewikkelder. De Fransman woonde immers in Frankrijk, dus er moest vanaf een ander huis begonnen worden, of men liep naar een ander huis toe.

Hoe dan ook, nu was het de bruid die naar de bruidegom liep en Touria liep de hele optocht mee, ik een stukje. Ik ging de Fransman opzoeken die in het huis van zijn schoonfamilie stond te wachten. Ik

trof hem in een benauwd kamertje, alleen, wachtend achter een gordijn, hij droeg een witte djellaba en van die puntige gele leren slofjes, kleding die hij vermoedelijk nooit eerder had gedragen en die belachelijk was.

Later vertelde ik Touria hoe ik le pauvre Français had aangetroffen, dat de kerel, die een jaar of dertig was en die een alleszins sympathieke indruk maakte, mij niettemin niet te benijden leek, integendeel, hij leek mij tot slachtoffer te zijn geworden.

De blik in zijn ogen was die van een geslagen hond, hij had geen greep meer op de gebeurtenissen, sterker nog, hij begreep die gebeurtenissen niet eens, noch de taal die rondom hem werd gesproken. Het gezicht van bruid Fatima kwam mij ook heel wat harder voor dan dat van de arme Fransman – enfin, mijn hele perceptie zei waarschijnlijk meer over mij dan over hem, iets dat Touria heel goed begreep.

Om met Fatima te kunnen trouwen had hij zich uiteraard tot de islam moeten bekeren, hij was nu moslim en heette voortaan Karim. Touria vertelde me dat dat geen wassen neus was, dat hij zijn bekering zo serieus had opgevat dat hij tegenwoordig zelfs vijf keer per dag bad, ook als hij in Frankrijk was, het gelaat gericht op Mekka. Ze vroeg wat ik daarvan vond. Touria zelf bidt niet, ze is moslima, zegt ze, want ze is Marokkaanse, maar ze heeft niet veel op met de wetten en voorschriften van de islam, met dat wat iedereen hier belangrijk zegt te vinden. Ze kent de dubbele moraal van de meeste Marokkanen te goed, het enige wat voor haar telt, zegt ze, is een goed mens te zijn.

Ik zei dat als hij als moslim gelukkiger was, des te beter voor hem, maar dat het mij verder nogal onnozel voorkwam – wat weer veel te maken had met het gezicht van de arme Fransman in dat kamertje. Veel meer wist ik er ook niet over te zeggen. Touria evenmin. Het bleef haar wel steken dat ik de Fransman maar le pauvre bleef noemen. Had ik dan ook het gevoel dat ik het slachtoffer van haar was, of zou worden? Dacht ik soms dat zij mij verkozen had omdat ik een Europeaan was en haar misschien mee zou nemen naar Nederland? Ze zei dat ze er nooit aan gedacht had Marokko te verlaten, ze woonde hier, ze werkte hier, ze had hier haar dochter, hoe moest ze in godsnaam het land uit zien te komen, en waarom ook? Ze was hier weliswaar niet rijk, ze had niet veel en ze woonde weer bij haar ouders in huis en dat was niet hoe ze zou willen leven – in een eigen huis, samen met haar dochter – maar ze was gelukkig. Ze zat heus niet op een Europeaan te wachten.

We waren ook bij het huwelijksfeest de volgende avond. De arme Fransman en zijn bruid zaten in een soort reusachtige schelp achter in de zaal, er waren honderden gasten, van wie de Fransman er maar weinig kende, de vrouwen gingen gekleed in feestelijke kaftan. Er werd thee en limonade geschonken en er werden taartjes geserveerd, en er was Arabische muziek van een bandje. Er gebeurde verder niet veel, iedereen bleef maar rond een tafel zitten en wat om zich heen kijken. Ook de arme Fransman kon naast zijn bruid niks anders doen dan met de moed der wanhoop blijven glimlachen. Volgens Touria kon het feest tot in de vroege ochtenduren duren, en weer kon ik het niet nalaten voor me uit te mompelen: le pauvre Français. Gelukkig was Touria dat inmiddels ook wel grappig gaan vinden, ook zij zag wel in dat de arme Fransman in deze hem vreemde wereld niets in te brengen had over wat tenslotte ook zijn trouwdag was. Wij in ieder geval waren vrij om te ontsnappen, en dat deden we dan ook, zo tegen twaalven, als eersten.