In Marokko

In Marokko

MARRAKESJ – Ik maakte laatst kennis met een directeur van de cnss, dat is een instantie die er onder meer op toeziet of mensen wel «geregistreerd» staan, dat wil zeggen wit werken. Ik ontmoette die directeur via Abdelkarim, die ik nu al een tijdje ken. Die directeur kon dus weten, althans zo dacht ik, dat ik enigszins op de hoogte was van wat ik maar zal noemen de Marokkaanse toestand. Abdelkarim immers was een vriend van mij, en vrienden vertellen elkaar hoe de zaken werkelijk in elkaar zitten. Zo had hij mij onder meer verteld dat die directeur zijn broer aan een baan in een café geholpen had, zij het dat het zwart werk was, dat wil zeggen dat de broer van Abdelkarim werd onderbetaald, en dat hij niet verzekerd was voor ziektekosten. Ik begreep niet goed hoe een directeur van een dergelijke instelling zoiets kon doen, en ik dacht: ik moet hem dat als ik hem ooit ontmoet eens vragen.

Abdelkarim werkt als chauffeur voor een ambassade, hij werkt dus niet voor de overheid en anders misschien dan zo’n directeur hoeft hij voor mij de schijn niet op te houden dat Marokko het beste aller landen is, waar de zaken naar ieders wens geregeld zijn. Abdelkarim had mij ook nog verteld dat zijn broer na een jaar weer ontslagen was, want de eigenaar van het café wilde hem niet officieel in dienst nemen, dat vond hij te duur, hij nam liever een andere zwartwerker aan, die hij dan ook weer kon onderbetalen. Zo, zei Abdelkarim, was Marokko, en het verbaasde me allemaal niks want het is niet de eerste keer dat ik zo’n verhaal hoor. Maar die rol van die directeur intrigeerde me wel.

Terwijl we in een groot café op hem zaten te wachten vroeg ik Abdelkarim hoeveel van de obers hier zwart werkten, hij dacht ongeveer de helft. Ik vroeg of die directeur dat wist en Abdelkarim zei dat hij dat natuurlijk wist, want iedereen wist dat.

De directeur zag er met zijn ongeschoren baard en misschien niet sjofele maar toch alledaagse jasje helemaal niet uit als een directeur van een ambtelijke instelling, eerder als iemand die een eigen bedrijf runt en die het niet nodig had representatief te zijn maar informeel kon blijven. Ik vroeg belangstellend naar zijn werk, wat dat eigenlijk was die cnss, en had het ook met zwartwerken te maken, en zou er nou in dit café ook zwart worden gewerkt? Terwijl ik het vroeg dacht ik even aan de Engelse journaliste wier appartement ik hier vorig jaar heb overgenomen, die terugging naar Londen, en die mij toen zei: ik vraag me wel af hoe dat hier in Marokko zal gaan met jou, met jouw directheid.

De directeur zei nee, dit is een groot café, het is midden in de stad, het is erg bekend, hier werkt iedereen wit. En hij legde uit dat ook hij hier regelmatig kwam en soms aan de obers vroeg of ze geregistreerd waren en dat hij het onmiddellijk te weten zou komen als dat niet zo was en dat de eigenaar van dat café dat ook wist.

Dat antwoord had ik niet verwacht. Waarom zei hij niet gewoon: ach, dit is Marokko, het is allemaal niet perfect, maar er wordt aan gewerkt. Hij wist op dat moment niet eens dat ik journalist was, hij had geen afspraak met mij maar met Abdelkarim, ik was er toevallig bij, hij hield mij voor een vriend van Abdelkarim, meer niet. Hij had toch wel iets opener kunnen zijn, de waarheid kunnen verzwijgen zonder te liegen? Toen hij weg was zei ik zoiets tegen Abdelkarim.

Abdelkarim keek mij glimlachend aan en zei dat deze directeur mij niet kende en dat hij tegenover vreemden nooit over zijn werk zou praten, nooit het achterste van zijn tong zou laten zien. Deze directeur, legde Abdelkarim me uit, had alle privé-ondernemingen van de regio onder zijn hoede, en hij had te maken met eigenaren die soms erg vermogend waren, die connecties, macht hadden. Hij kon niet anders, zei Abdelkarim, dan die eigenaren deels tegemoet komen, deals sluiten, jij geeft mij zoveel wit, ik geef jou zoveel zwart.

Staat daar voor hem ook wat tegenover, vroeg ik.

Ik neem aan van wel, zei Abdelkarim.

Dat lijkt dan toch erg op corruptie, zei ik.

Abdelkarim haalde zijn schouders op.

Ik zei dat ik begreep dat de man ook goed probeerde te doen – hij had immers de broer van Abdelkarim aan een baan geholpen, hoewel je ook dat weer corruptie zou kunnen noemen. Maar wat had zijn broer eigenlijk aan een baan die hem uitkneep en die hij na een jaar weer kwijt was? «En dat alles gebeurt dan ook nog onder de ogen van de directeur van de toezichthoudende instantie, ja zelfs met zijn medewerking.»

Abdelkarim lachte en zei dat zijn broer blij was dat hij een jaar een baan had gehad. En ik mocht die directeur dan corrupt noemen maar die directeur had te maken met de Marokkaanse realiteit, hij leefde met anderen in een samenleving die hij geen vreemde wet kon opleggen. Zou hij dat wel doen, zou hij die machtige mannen al te zeer dwarsbomen, dan zou hij zijn baan kwijtraken. Zo eenvoudig was dat. En wat dan? Dan kwam er een ander die nog veel corrupter was. In het geval van mijn broer, zei Abdelkarim, was toch iedereen tevreden?

«Maar hij staat nu wel op straat.»

«Maar die directeur vindt wel weer een nieuwe baan voor hem.»