In marokko

In marokko

RABAT – Overdag is het in Rabat «dooie shit», om Abdel te citeren, Abdel die mij van alle leerlingen de meeste straattaal heeft geleerd. Ja, overdag is in het Rabat «tantoe saai», en dat heeft alles met de ramadan te maken. Nu ik dit schrijf zijn er gelukkig nog maar een paar dagen te gaan, en dan keert alles weer terug naar het oude. Wat is het oude? Dat weet ik niet want ik was hier nooit eerder in november. Wel weet ik dat in ieder geval de cafés weer vol mannen zullen zitten, en al zijn het dan alleen mannen, dat is toch beter dan dat er niemand zit, dan dat die cafés gesloten zijn, zoals nu.

Maar de avonden maken veel goed. Ik ben hier nog maar kort en eigenlijk heb ik geen idee hoe dit Marokkaanse jaar me zal gaan bevallen, ik doe mijn best er wat van te maken, en al heb ik niet het idee dat ik heimwee zal gaan krijgen want voorlopig bevalt het me hier best, ik twijfel soms wel. Ik ben bezig hier

een appartement te hu ren, ik heb me hier opgegeven voor een taalcursus, dit wordt de stad waar ik me ga vestigen. Rabat, de hoofdstad, zetel van het parlement en talloze ambassades. Is het de goede keus? Moet ik niet in Casablanca of Marrakesj gaan zitten? Of in de Rif? Ik zeg dan tegen mezelf dat ik tijd zat heb om daar vaak naartoe te gaan en dat zal ik ook doen, maar daar wonen zou toch andere ervaringen opleveren. Betere?

Wanneer de twijfel me besluipt loop ik ’s avonds door de medina, de oude stad met z’n smalle straatjes en steegjes. Een paar van de iets bredere straatjes in de medina zijn altijd druk, daar zijn de winkeltjes en de straat verkopers, daar lopen altijd mensen, behalve natuurlijk om zes uur, wanneer iedereen aan de ftoor zit, de avondmaaltijd die de vasten verbreekt. Dan is het in de medina onwezenlijk stil, alsof het midden in de nacht is en iedereen slaapt, ware het niet dat je hier en daar nog een enkel groepje handelaren aantreft dat buiten voor de winkel op lage krukjes vanaf een zilverkleurig dienblad zit te eten, harira, een bruin soort linzensoep met kikkererwten erin, en ook brood en pannenkoeken en zoetigheid. Maar de meeste winkeltjes zijn gesloten, de rolluiken zijn neergehaald, het is er kaal en ongezellig, zwerfkatten vertonen zich er nu. Twee uur later is het alsof zich een explosie van leven heeft voorgedaan.

Nu zijn alle winkeltjes open, overal hangen kleren, ligt fruit hoog opgetast, staan vitrines vol mobiele telefoons en horloges en elektronische apparatuur, er is textiel en er hangen stukken schaap aan haken en er zijn kruiden en schoenveters en levende schildpadden en kameleons en gekopieerde cd’s en dvd’s, er zijn cactusvruchten en suikerspinnen – alles is hier te koop.

De straatjes zijn al niet breed, in het midden ervan liggen nog onderbroeken en truien en jassen en T-shirts op een stuk zeil, de drommen voorbijgangers hebben hooguit een halve meter links en rechts, overal klinkt het geschreeuw van koopmannen, hun leuzen hebben dezelfde intonatie als die van de kooplui op de Albert Cuyp. Het is avond en het is twintig graden en de nacht wordt bij ieder winkeltje verlicht door een kaal peertje. Nergens is het zo sfeervol als hier, nu. Nergens zie je zo’n grote verscheidenheid niet alleen aan waren maar ook aan gezichten. Dit, weet ik dan weer, is waarom ik naar Marokko gekomen ben, deze volheid, dit krioelende leven, de rauwheid ervan. De bedelaars en de verminkten fascineren me, waarom weet ik ook niet, net als het contrast tussen de rijkdom van de uitgestalde waar en die armoede zo dichtbij, het tienjarig kind dat sokken verkoopt, de stokoude man die drie pakjes sigaretten voor zich in een deksel van een schoenendoos op een krukje heeft liggen – hij verkoopt die sigaretten per stuk, maar hij zit ineengezakt en is te moe om zoekend naar klanten om zich heen te kijken, suf staart hij voor zich uit. Misschien ligt die ene maaltijd per dag hem zwaar op de maag, misschien ook heeft hij niks gegeten.

Nu schijnt het tijdens de maand ramadan ’s avonds op straat drukker te zijn dan anders. We zullen zien. Ik heb voor Rabat gekozen omdat ik hier in de zomer was en het me hier goed beviel. Rabat is niet te groot, zoals Casablanca met zijn verkeerslawaai en drukte en stank, en niet te klein, zoals de steden in het Rifgebergte, en het is er in de zomer draaglijk, niet zo ongenadig heet als in Marrakesj. Er is de zee.

Misschien is Rabat een mild soort Marokko, alles is er, maar niet in het extreme. Maar Marokko-niet-in-het-extreme is mij voorlopig extreem genoeg.