In Marokko

In Marokko

BERKANE – Hij ziet eruit als het prototype Marokkaan, deze zestigjarige, kleine man met zijn bruine gezicht en zijn mutsje op zijn kalende hoofd. Hij spreekt weinig Nederlands en eerst denk ik dat hij in Nederland «pijpen in de straat» heeft gelegd, dat dat zijn werk is geweest. Later bekijk ik zijn veertig jaar oude «vergunning tot vestiging» die hij op tafel heeft gelegd, en dan zie ik dat hij in de Pijpestraat heeft gewoond. Hij werkte in een tapijtfabriek.

Zijn achternaam is Sahli en hij is om kwart voor zes van huis gegaan om bijtijds op het spreekuur te zijn van de Stichting Steunpunt Remigranten in Berkane, in het noordoosten van de Rif, iedere dinsdagochtend van negen tot één. Het is een uur of tien als Sahli aan de beurt is.

Tijdens het gesprek met Mohamed Sayem, coördinator van de stichting, vertelt Sahli dat hij al 28 jaar ziek is: «Ik 28 jaar sjiek.» Hij is naar het Steunpunt gekomen omdat zijn aow-aanvraag nog niet in orde is. Hij heeft zijn aanvraagformulier teruggekregen met het verzoek om meer informatie. Maar omdat Sahli kan lezen noch schrijven is hij met het formulier naar het Steunpunt gekomen, om het door Mohamed te laten invullen. In Marokko wonen zevenduizend remigranten, tachtig procent van hen is analfabeet. Bij het Steunpunt wordt drieduizend keer per jaar aangeklopt, met verzoeken als die van Sahli.

Sahli heeft alles wat hij bezit meegenomen en op tafel uitgespreid. Mohamed zoekt naar een papier, hij begrijpt nog niet helemaal waarom Sahli zijn aanvraag heeft teruggekregen. «Wat willen ze weten, er moet nog een begeleidende brief zijn.» Maar die brief is nergens te vinden. Mohamed noteert «Actie!» op het formulier van Sahli. Hiervoor moet hij naar Nederland bellen, niet nu, dat zou het spreekuur te veel ophouden, morgen. Sahli raapt zijn papieren bij elkaar, hij kan met een gerust hart naar huis.

Zonder het Steunpunt zouden deze remigranten nergens zijn. De brieven die zij uit Nederland krijgen, zijn in het Nederlands gesteld, er zit soms wel een Franse vertaling bij. Mohamed Sidali, voorzitter van de Vereniging voor Remigranten, pleit ervoor de brieven in het Arabisch op te sturen, zodat deze mensen niet naar het Steunpunt hoeven maar door familieleden geholpen kunnen worden. Blijft de vraag of dat helpt, veel formulieren zijn zo ingewikkeld dat training nodig is om ze in te vullen. Die training krijgt men bij het Steunpunt in overvloed.

De veertigjarige Mimoun is de volgende. Hij kijkt veel omlaag, spreekt het perfecte Nederlands van iemand die in Nederland geboren is, hij spreekt ook veel. Alles goed? vraagt Mohamed. «Niet alles is goed. Ik ben weer terug zonder aanvraag.» Hij bedoelt dat hij zich niet heeft laten keuren door het uwv, het voormalige gak. Daarmee loopt zijn wao-uitkering gevaar.

Mimoun: «Het vloeit voort uit het geloof. Ik moet hier nog twee jaar zitten. Ik hoop dat de uitkering door blijft gaan.»

Mohamed: «Maar waarom ben je uit Nederland vertrokken zonder je zaken te regelen?»

Mimoun: «Ik heb een paar keer gebeld maar ze zijn moeilijk te bereiken de laatste tijd. Ik moet gewoon hier zijn.»

Mohamed: «Neem je wel je medicijnen?»

Mimoun schudt zijn hoofd: «Ik heb wel de recepten maar ik heb niet de medicijnen nee. Die vorige medicijnen waren beter.»

Mohamed knikt op de manier van iemand die het nog niet begrijpt.

Mimoun: «God spreekt met je, en die zegt, je moet dit doen. Je moet twee jaar je kinderen verlaten. Je moet terug naar Marokko. Het is de bedoeling dat ze alleen zitten, dat ik ze aan God toevertrouw. Doe ik dat niet, dan krijgen ze een ongeluk. Ik moet dit echt doen.»

De medicijnen zou Mimoun moeten slikken omdat hij een geschiedenis van schizofrenie heeft – iets wat Mohamed in het dossier van Mimoun heeft genoteerd. Mohamed vraagt: «Waar woon je nu?» Mimoun woont in het huis van zijn ouders, in de stad Oujda, zo’n dertig kilometer van Berkane.

Mohamed: «Ik vind dat je terug naar Nederland moet om je zaken te regelen.» Mimoun, die hem maar weinig heeft aangekeken, alsof hij zelf ook met de zaak verlegen is, knikt als een kind dat weet dat het straf heeft verdiend. Mohamed blijft vriendelijk: «Ik zal contact opnemen met je maatschappelijk werker. Zodra ik dat gedaan heb, bel ik je, akkoord?»

Komt Bouarfa binnen, die vooral boos is, over de nieuwe zorgverzekering, waarvoor de remigranten ook moeten betalen – het wordt automatisch ingehouden, soms wel een kwart van hun aow of wao of pensioen – maar waarvoor ze in Marokko bijna niks terugkrijgen. «De Nederlandse en de Marokkaanse maffia sluiten deals achter onze rug om.» Bouarfa is ook boos op Hirsi Ali, die Zwarte Piet, die een wig heeft gedreven tussen de Nederlanders en de Marokkanen: «Ik heb veertig jaar in Nederland gewerkt, altijd samen met Nederlanders, en dan komt die kakkerlak uit Somalië… We staan in Nederland onder druk, waarom?» Het huilen staat Bouarfa nader dan het lachen.

Mohamed gaat er niet op in. «Maar waarvoor kwam je eigenlijk, wat kan ik voor je doen…»