In Marokko

In Marokko

BERKANE, AL HOCEIMA – Straks is het zomervakantie en strijken de Europese Marokkanen met z’n drie miljoenen neer in hun geboorteland, het land van hun ouders of van hun grootouders. Veel Marokkaanse Marokkanen zien het met lede ogen aan. De vijftigjarige leraar Engels annex natuurbeschermer Najib Bachiri noemt de Europese Marokkanen «culturele monsters». Uiteraard, we hebben het hier niet over álle Europese Marokkanen, we hebben het over hen die van zich doen spreken, in slechte zin. Die op hun eigen volk neerkijken, die dat eigen volk goed laten voelen dat zij kbir zijn, groot, dat zij Europeanen-met-geld zijn en geen Marokkanen meer, geen armoedzaaiers.

Maar kun je nog wel van eigen volk spreken? Volgens Najib Bachiri is dat nu net het drama: de Europese Marokkanen «horen nergens meer bij», zij zijn geen Marokkanen meer en nog geen Europeanen. En ze zijn vrijwel onhandelbaar geworden.

Bachiri heeft enig recht van spreken. Hij woont in Berkane, in het noordoosten van de Rif, en had een paar jaar geleden vier Nederlands-Marokkaanse jongens te gast. Van die jongens die niet willen deugen en die maar eens een maand in Marokko moesten gaan werken, bij een bakker of in de bouw, om te zien hoe goed ze het eigenlijk in Nederland hadden. Vier van die jongens een maand lang in huis: «Het was zwaar», zegt Bachiri.

Bachiri is een charismatische man, vriendelijk maar zonder de strijd uit de weg te gaan. Als natuurbeschermer ligt hij eeuwig in de clinch met Marokkaanse bestuurders. Ik kan me voorstellen dat hij bij die jongens respect afdwong. Toch, zegt hij: «Er waren er twee op wie ik misschien invloed heb gehad, van de derde weet ik het niet, de vierde, de jongste, is de hele maand onbereikbaar gebleven.»

Jaarlijks terugkerend zijn de vakantiegangers, jaarlijks terugkerend is ook de ergernis. Bachiri vertelt over die keer dat hij in de bergen ten zuiden van Berkane rondreed en daar iemand zag die zijn auto in de rivier had geparkeerd, die zijn auto daar stond te wassen. Nu stroomt die rivier, in de zomer niet meer dan een beek, dwars door een natuurgebied, een gebied dat officieel tot site d’interet biologique is verklaard, de voorloper van een nationaal park. Bachiri kan het in gevallen als dat niet laten de mensen erop te wijzen dat zij zich in een natuurgebied bevinden, dat met respect bejegend moet worden. Dus zei hij er wat van, dat het sop de rivier vervuilde, dat hier een bijzonder soort vis leefde, dat we daar zuinig op moesten zijn, dat dit niet de bedoeling was en dat ze zoiets in Europa toch ook niet deden.

Nu vinden Europese Marokkanen het niet leuk publiekelijk terechtgewezen te worden, ze zijn daar erg gevoelig voor, en dus antwoordde de man die zijn auto stond te wassen dat de koning tegen hem had gezegd dat zij hier in Marokko vrij waren om te doen en laten wat ze wilden. Er zaten een paar mannen aan de oever van de rivier, zij hoorden bij de man die zijn auto stond te wassen, en zij begonnen te lachen. Bachiri, nooit om een antwoord verlegen en niet bang aangelegd, zei dat als dat waar was, ze dat wat ze zo graag wilden doen dan maar in Rabat moesten doen, als het ware in de tuin van de koning, maar niet hier, waar de koning nooit kwam. Enfin, Bachiri moest uiteindelijk de politie bellen om de man ertoe te bewegen zijn auto uit de rivier te halen.

Het illustreert iets van de mentaliteit van de Europese Marokkanen. Ze rijden te hard in hun auto’s, parkeren waar ze willen parkeren en maken met iedereen ruzie, ook met de politie, iets wat Marokkaanse Marokkanen niet zo snel doen.

Bachiri is de enige niet die de komst van de Europese Marokkanen met lede ogen aanziet. Abdelkarim, een vriend uit Rabat, vertelde mij dat zijn zoontje eens over de handdoek van een Franse Marokkaan liep, in het zwembad hier, en dat die Franse Marokkaan zijn zoontje toen uitschold, die smerige kakkerlak moest niet over zijn handdoek lopen, het zoontje van Abdelkarim is drie jaar. Ook Abdelkarim heeft het niet erg op de Europese Marokkanen, hij noemt ze «een plaag», vooral de jongeren.

Van tijd tot tijd kom ik Nederlandse Marokkanen tegen en het valt me telkens weer op hoe weinig Marokkaans zij eigenlijk nog zijn, vooral de jongeren, hoe vernederlandst die al zijn. In alles, taalgebruik, gedrag, kleding, geven ze uiting aan een individuele identiteit, ze eisen daar de openbare ruimte voor op – Marokkaanse Marokkanen doen dat niet. In Al Hoceima, ook in de Rif, zag ik twee meisjes lopen van achter in de twintig, beiden gekleed in een strakke zwarte pantalon met wijde pijpen, een strak zwart T-shirt met gouden opdruk en een gouden ceintuur. Zeker in de Rif zijn er maar weinig vrouwen die er op klaarlichte dag zo opzichtig bijlopen. Dit waren twee Amsterdamsen, die hier een week op vakantie waren, die «als winnaars» waren teruggekeerd naar de geboortestad van hun ouders, op een bepaalde manier heel erg thuis, en die de kleding droegen die ze wilden dragen, iets waar verder niemand iets mee te maken had – Nederlands gedachtegoed. Ze merkten wel dat ze werden nagestaard door al die mannen op die terrassen maar ik had niet het gevoel dat ze beseften hoezeer ze hier eigenlijk uit de toon vielen. En dat hoefden ze ook niet: anders dan de «achterblijvers» hadden zij het gemaakt, zij hadden een identiteit, waren Europeaan en «groot». Ze hoefden zich van «klein» niets aan te trekken.